id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.410 Rolnummer: Zaak: Arrest 138410 - - 13/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 16:21 Fiche Arrest nr 138.410 van 13 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.410 van 13 december 2004 in de zaken A. 122.821/IX-3388 122.822/IX-3389 122.823/IX-3390 122.824/IX-3391 122.825/IX-3392 122.826/IX-3393 122.827/IX-3394 122.828/IX-3395 122.829/IX-3396 122.830/IX-3397 122.831/IX-
- In zake :
- Martine DE BLEECKERE,
- Catherine DECLERCQ,
- Denise DE KEUKELEIRE,
- Nelly DE RUYCK,
- Martine DE SMET,
- Annie DE VISSCHER,
- Monique FLAMAND,
- Roberte HEUVICK,
- Josepha HOSTE,
- Marleen SALOMON,
- Germain YSEBAERT, die woonplaats kiezen bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), Lokale en Regionale Besturen, gevestigd te GENT, Voskenslaan 228, bus 4 tegen :
- het AURORA Ziekenhuis A.V., dat woonplaats kiest bij advocaat Chr. DE GANCK, kantoor houdende te GENT, Koning Leopold II-laan 95, IX-3388-1/13
- het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van OUDENAARDE, dat woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien de verzoekschriften die Martine DE BLEECKERE, Catherine DECLERCQ, Denise DE KEUKELEIRE, Nelly DE RUYCK, Martine DE SMET, Annie DE VISSCHER, Monique FLAMAND, Roberte HEUVICK, Josepha HOSTE, Marleen SALOMON en Germain YSEBAERT op 22 juni 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
- de beslissing van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Oudenaarde, genomen op 14 januari 2002 waarbij formeel wordt vastgesteld dat verzoeker per 1 januari 1999 werd overgedragen aan het Auroraziekenhuis, A.V., fusieziekenhuis opgericht conform de bepalingen van hoofdstuk XII van de organieke wet op de O.C.M.W. [...];
- de beslissing van het directiecomité van het Auroraziekenhuis A.V. van 22 oktober 2001 tot vaststelling van de lijst van de personeelsleden die bij de oprichting van het Auroraziekenhuis werden overgenomen door het ziekenhuis van de respectieve OCMW’s [...]”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag over de zaken opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 tot voeging van de zaken; IX-3388-2/13 Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de o p me r k in g e n van advocaat M.-Ch. VANDERMEULEN, die loco advocaat Chr. DE GANCK verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekers waren allen vastbenoemde personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna : OCMW- van Oudenaarde. Zij waren tewerkgesteld in het Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis te Oudenaarde, dat onder het OCMW van Oudenaarde ressorteerde. 1.
- Op 22 december 1998 komt er tussen de OCMW’s van Oudenaarde en Ronse, de steden Oudenaarde en Ronse, het Universitair Ziekenhuis Gent en de VZW “Vereniging der Geneesheren van de A.V. Aurora” een vereniging IX-3388-3/13 tot stand zoals bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-wet). Deze vereniging, die de naam krijgt “AURORA Ziekenhuis Autonome Verzorgingsinstelling”, afgekort “AURORA Ziekenhuis A.V.”, en haar zetel heeft te Oudenaarde, Sint-Walburgastraat 9, wordt opgericht voor een termijn van dertig jaar, welke ingaat op 31 december
- Ze heeft als doel ziekenhuisdiensten te Oudenaarde en te Ronse op te richten en te exploiteren. Het OCMW van Oudenaarde brengt onder meer de exploitatierechten, de volle eigendom van de roerende goederen en -bij wijze van erfpacht- de onroerende goederen van zijn Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis in. Artikel 8 van de statuten van de vereniging bepaalt dat bij de aanvang van de vereniging in onderling overleg tussen de deelgenoten de personeelsformatie wordt vastgesteld en dat op grond hiervan de personeelsleden worden aangewezen die door elk van de deelgenoten ten behoeve van de ziekenhuizen worden overgedragen aan en overgenomen door de vereniging met hun eigen statuut, met toepassing van artikel 128 van de OCMW-wet. 1.
- Op 22 oktober 2001 besluit het directiecomité van het AURORA Ziekenhuis A.V. de lijst vast te stellen van alle personeelsleden die bij de oprichting van het AURORA Ziekenhuis A.V. werden overgenomen door het ziekenhuis van de respectievelijke OCMW’s. Dat is de tweede bestreden beslissing. 1.
- Onder verwijzing naar het voormelde besluit van het directiecomité van het AURORA Ziekenhuis A.V. stelt de raad voor maatschappelijk welzijn van IX-3388-4/13 Oudenaarde op 14 januari 2002 vast welke personeelsleden van het voormalige Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis per 31 december 1998 overgedragen werden aan het AURORA Ziekenhuis A.V. Alzo wordt ook de overdracht van de verzoekers aan het AURORA Ziekenhuis A.V. formeel vastgesteld. Dat is de eerste bestreden beslissing. 1.
- Met een brief van 7 februari 2002 stellen de voorzitter en de secretaris van het OCMW van Oudenaarde de provinciale secretaris van het VSOA ervan in kennis dat in de raadszitting van 14 januari 2002 de lijst werd vastgesteld van de personeelsleden die met ingang van 1 januari 1999 zijn overgedragen van het OCMW naar het AURORA Ziekenhuis A.V. van Oudenaarde. 1.
- Op 18 februari 2002 stelt het directiecomité van het AURORA Ziekenhuis A.V. formeel de lijst vast met betrekking tot de overdracht van het OCMW-personeel van het Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis Oudenaarde. 1.
- Op 20 maart 2002 neemt de raad van bestuur van het AURORA Ziekenhuis A.V. onder meer kennis van het onder punt 1.
- hiervoor bedoelde besluit van 14 januari 2002 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Oudenaarde. De raad van bestuur besluit dat de betrokken personeelsleden vanaf 31 december 1998 personeelsleden zijn van het AURORA Ziekenhuis AV. 1.
- Naar het zeggen van de verzoekers, stelt de provinciaal secretaris van het VSOA hen op 26 april 2002 in kennis van de bestreden beslissingen. Ter gelegenheid van een informatievergadering van het VSOA op 30 april 2002 nemen zij ook kennis van de gehanteerde motieven en van de aan de bestreden beslissingen verbonden juridische aspecten, met inbegrip van de juridische tekortkomingen waaraan die beslissingen lijden en de mogelijkheid om daartegen een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen. IX-3388-5/13 2.
- Overwegende dat de beide verwerende partijen opwerpen dat de onderhavige beroepen niet ontvankelijk zijn omdat de verzoekers nagelaten hebben een door de wet georganiseerd administratief beroep in te stellen vooraleer de Raad van State te adiëren; dat zij laten gelden dat de bestreden beslissingen betrekking hebben op de overdracht van personeelsleden van het OCMW van Oudenaarde naar een vereniging zoals bedoeld in artikel 118 van de OCMW-wet en dat tegen dergelijke beslissingen krachtens artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een georganiseerd administratief beroep kan worden ingesteld bij de provinciegouverneur; 2.
- Overwegende dat de verzoekers repliceren dat onder een georganiseerd administratief beroep een beroep moet worden verstaan waarbij de overheid tot wie het is gericht, verplicht is te antwoorden krachtens een duidelijke normatieve bepaling die de beroepsvorm organiseert, en dat ertoe strekt de genomen beslissing te doen intrekken, te vernietigen of te wijzigen; dat volgens hen het beroep bij de provinciegouverneur bedoeld in artikel 128, § 2, van de OCMW-wet geen dergelijk georganiseerd administratief beroep betreft, omdat dit wetsartikel geenszins een beroepsvorm organiseert, maar slechts een bezwaarprocedure in het leven roept, en bovendien evenmin ondubbelzinnig en duidelijk ertoe strekt de genomen beslissing te doen intrekken, vernietigen of wijzigen; dat zij voorts de mening zijn toegedaan dat, hoe dan ook, zelfs indien wordt aangenomen dat het beroep bedoeld in artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een georganiseerd administratief beroep betreft, de omstandigheid dat zij voorafgaand aan hun annulatieberoepen bij de Raad van State geen dergelijk beroep bij de provinciegouverneur hebben ingediend, niet kan leiden tot het besluit dat hun respectieve annulatieberoepen niet ontvankelijk zouden zijn, aangezien zij door de verwerende partijen niet werden ingelicht over het bestaan van deze administratieve beroepsmogelijkheid, noch van het orgaan dat bevoegd is er uitspraak over te doen, noch van de voorwaarden waaronder en de termijnen waarbinnen dat beroep moest worden ingesteld; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekers met de onderhavige beroepen opkomen tegen beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn van IX-3388-6/13 Oudenaarde en van het AURORA Ziekenhuis A.V. met betrekking tot hun overheveling van voornoemd OCMW naar de voornoemde ziekenhuisvereniging; dat artikel 128, § 2, van de OCMW-wet, met betrekking tot de overname van personeelsleden van een OCMW door een vereniging bedoeld in artikel 118 van dezelfde wet, waarvan dat OCMW deelgenoot is, het volgende bepaalt : “Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat deelgenoot is van een in dit hoofdstuk bedoelde vereniging kunnen door deze worden overgenomen. Ongeacht de regelen toepasselijk bij bevorderingen worden deze leden met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst; zij behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben op grond van het administratief en geldelijk statuut van toepassing op het ogenblik van de overname indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend. De Vlaamse regering kan de algemene regelen tot vaststelling van de administratieve anciënniteit van deze personeelsleden bepalen. Zij kan tevens de voorwaarden bepalen waaronder deze personeelsleden terug in hun centrum van herkomst kunnen worden opgenomen. De wetten of besluiten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn niet van toepassing op de overplaatsingen die op grond van deze paragraaf geschieden. Op verzoek van het centrum, van de vereniging of het betrokken personeelslid, doet de bij artikel 126, § 2, bedoelde provinciegouverneur uitspraak over elke betwisting betreffende de toepassing van de bovenstaande bepalingen.”; 2.3.
- Overwegende dat het vierde lid van de aangehaalde wetsbepaling tot stand gekomen is na een voorstel van een lid van de senaatscommissie dat het wenselijk vond “dat naast het centrum en de vereniging ook een personeelslid zich tot de gouverneur kan richten omwille van een betwisting” (Parl. St. Senaat (1974- 1975) nr. 581/2, 176); dat met andere woorden de wetgever de mening was toegedaan dat de mogelijkheid van een willig beroep op de toezichthoudende overheid, dat hier ongetwijfeld ook van toepassing zou zijn, niet volstond; dat hij daarvoor een welbepaalde overheid heeft aangewezen en een beroep openstelt voor “elke” betwisting; dat het derhalve gaat om een georganiseerd administratief beroep; dat enkel de beslissing van de gouverneur als eindbeslissing het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep bij de Raad van State; dat wijl de verzoekers IX-3388-7/13 nagelaten hebben het voormelde georganiseerd administratief beroep in te stellen alvorens hun annulatieberoepen bij de Raad van State in te stellen, die laatste beroepen niet ontvankelijk zijn; dat de omstandigheid dat de verwerende partijen de verzoekers niet persoonlijk in kennis hebben gesteld van de beslissingen betreffende hun overheveling naar het AURORA Ziekenhuis A.V., noch van de beroepsmogelijkheid daartegen bij de provinciegouverneur, daaraan geen afbreuk doet; dat dit verzuim hoogstens enige invloed zou kunnen hebben gehad op de termijn om het voorafgaand administratief beroep in te stellen; dat in zoverre de wet geen termijn voorschrijft, ook dan nog moet worden vastgesteld dat de verzoekers alsnog de gelegenheid hadden om het georganiseerd beroep in te stellen zodra zij van de bestreden beslissingen kennis hadden en hen op de verplichting om dat te doen gewezen was, doch het niet gedaan hebben; dat overigens uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat de verzoekers via hun vakbond kennis werd gegeven van de ten aanzien van hen genomen beslissingen; dat, ten slotte, in tegenstelling met wat het geval is met betrekking tot de beroepen bij de Raad van State, de OCMW-wet niet voorschrijft dat van het bestaan van een recht van beroep bij de provinciegouverneur melding moet worden gemaakt; 2.3.
- Overwegende dat op de vraag van de verzoekers in hun laatste memories om de bestreden beslissingen niet toe te passen overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, niet kan worden ingegaan omdat die regel niet geldt voor individuele administratieve rechtshandelingen; dat ook niet is aangetoond en de verzoekers nooit eerder dan in hun laatste memories hebben beweerd dat ze zo onregelmatig zijn dat ze voor onbestaande moeten worden gehouden; 2.3.
- Overwegende dat verzoekers in hun laatste memories nog vragen om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof : “
- Worden de bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet beschermde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang in de interpretatie dat IX-3388-8/13 die bepaling -met het oog op het hebben van een belang en de daarmee verbonden ontvankelijkheid van een annulatieberoep gericht tegen een administratieve handeling die rechten toekent- een verzoeker alsnog ertoe zou verplichten voorafgaandelijk aan het annulatieberoep een georganiseerd administratief beroep in te stellen, dat weliswaar door een bepaling met normatieve draagwijdte, zoals in casu artikel 128, § 2, vierde lid, van de O.C.M.W.-wet, is voorzien, maar waarbij : - het georganiseerd administratief beroep als totaal zinloos, nutteloos en overbodig voorkomt, meer bepaald in de hypothese dat het beroep betrekking heeft op een administratieve handeling die zo grof onregelmatig is dat die handeling -volgens de rechtspraak van de afdeling administratie van de Raad van State zelf- voor ‘onbestaande’ mag en zelfs moet worden gehouden; - het georganiseerd administratief beroep zelf noodzakelijkerwijze slechts tot een onwettige beslissing kan leiden, gegrond op de onwettigheid klevend aan de oorspronkelijke beslissing zelf en die de beslissing in beroep de jure niet vermag weg te werken, meer bepaald in de hypothese dat het beroep betrekking heeft op een administratieve handeling die niet zo grof onregelmatig is dat die handeling -volgens de rechtspraak van de afdeling administratie van de Raad van State zelf- voor ‘onbestaande’ zou mogen worden gehouden, noch door de verzoeker, noch door de administratieve overheid die bevoegd is voor de behandeling van het georganiseerd administratief beroep, zodat een verzoeker die overeenkomstig artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet een zinloos, nutteloos of overbodig beroep instelt, door artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gelijk zou worden behandeld als andere rechtsonderhorigen die een georganiseerd administratief beroep instellen dat niet zinloos, nutteloos of overbodig is, hoewel hij zich als verzoeker in een wezenlijk verschillende toestand bevindt als die andere rechtsonderhorigen ?
- Worden de bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet beschermde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet in samenlezing met artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang, - in de mate dat artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet zou moeten worden beschouwd als een georganiseerd administratief beroep, - zodat een personeelslid van een OCMW dat werd overgedragen aan een vereniging in de zin van artikel 128 van de OCMW-wet en door die vereniging is overgenomen - met het oog op het hebben van een belang en de daarmee verbonden ontvankelijkheid van zijn annulatieberoep - ertoe verplicht zou zijn voorafgaandelijk dat georganiseerd administratief (beroep) uit te putten, - hoewel er de jure slechts sprake kan zijn van een dergelijk beroep indien het krachtens een uitdrukkelijke bepaling van een wet, decreet of ordonnantie daadwerkelijk is georganiseerd, d.i. wanneer die bepaling niet alleen een welbepaald beroepsorgaan aanduidt, maar ook de welbepaalde door de beroepsindiener na te leven termijn bepaalt, de door de beroepsindiener en het IX-3388-9/13 beroepsorgaan welbepaalde te volgen procedure vastlegt en die bepaling ondubbelzinnig en duidelijk ertoe strekt de genomen beslissingen te doen intrekken, vernietigen of wijzigen, als een georganiseerd administratief beroep kan worden beschouwd, - terwijl artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet alleen kan worden geacht het beroepsorgaan aan te duiden, - zodat een verzoeker op wie artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet toepasbaar is, door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gelijk wordt behandeld als andere rechtsonderhorigen die een daadwerkelijk georganiseerd administratief beroep kunnen instellen krachtens andere bepalingen van een wet, decreet of ordonnantie, hoewel hij zich als verzoeker in een wezenlijk verschillende toestand bevindt als die andere rechtsonderhorigen?
- Worden de bij de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet beschermde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door de bepalingen van : - artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet, volgens hetwelk de overeenkomstig artikel 126, § 2, bevoegde provinciegouverneur uitspraak doet over elke betwisting betreffende de toepassing van artikel 128 van de OCMW-wet; - artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling administratie van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang; - artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur volgens hetwelk een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, slechts geldig ter kennis wordt gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld en volgens hetwelk, bij ontstentenis daarvan de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt; in de interpretatie dat -gegeven het feit dat aan het betrokken personeelslid van een OCMW geen kennis werd gegeven van de beslissing tot zijn overdracht van het OCMW naar een vereniging en/of van de beslissing tot zijn overname door de vereniging of gegeven het feit dat in die kennisgeving niet de in artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet vermelde beroepsmogelijkheid noch de modaliteiten van dat beroep worden vermeld-, uit de bovenvermelde samengelezen bepalingen zou volgen dat de termijn voor het indienen van het georganiseerd administratief beroep weliswaar niet zou zijn ingegaan, maar dat het annulatieberoep gericht tegen de beslissing tot overdracht en/of de beslissing tot overname, bij ontstentenis van het georganiseerd administratief beroep onontvankelijk zou zijn, zodat een eerste verzoeker die nalaat het overeenkomstig artikel 128, § 2, vierde lid, van de OCMW-wet georganiseerde beroep in te stellen, bij ontstentenis van een correcte kennisgeving van de beslissingen tot overdracht en overname en/of van de beroepsmogelijkheid bij de provinciegouverneur en de modaliteiten van dat beroep, maar rechtstreeks, zonder uitputting van dat beroep, een IX-3388-10/13 annulatieberoep bij de Raad van State instelt tegen de beslissingen tot overdracht en overname, op een gelijke wijze wordt behandeld als een tweede verzoeker die het georganiseerd administratief beroep wel instelt nadat hij op een correcte wijze in kennis is gesteld van de beslissingen tot overdracht en overname, van de beroepsmogelijkheid bij de provinciegouverneur en de modaliteiten van dat beroep en aansluitend daarop een annulatieberoep bij de Raad van State instelt tegen de beslissing die de provinciegouverneur in beroep heeft genomen, hoewel de eerste verzoeker zich in een wezenlijk verschillende toestand bevindt als de tweede verzoeker?”; 2.4.
- Overwegende dat de eerste vraag, zoals de verzoekers ze formuleren, uitgaat van de premissen dat het voorafgaand administratief beroep tegen een handeling die zodanig grof onwettig is dat ze voor onbestaande moet worden gehouden zinloos is en zelf slechts tot een onwettige beslissing kan leiden; dat zoals hiervoor vermeld die premissen onjuist of op zijn minst niet bewezen zijn; dat de Raad van State dan ook niet inziet hoe het Arbitragehof die vraag zou kunnen beantwoorden zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, namelijk door zich uit te spreken over het voorwerp van de betwisting zelf, de vraag of artikel 128, § 2, van de OCMW-wet een voorafgaand administratief beroep bij de gouverneur heeft ingesteld; 2.4.
- Overwegende dat ook de tweede vraag uitgaat van de veronderstelling dat niet aangetoond is dat voornoemde wetsbepaling voorziet in een voorafgaand administratief beroep, ditmaal omdat ze geen procedure en termijnen heeft bepaald; dat ook die kwestie hiervoor is beslecht en de verzoekers in wezen dan ook vragen dat het Arbitragehof in de plaats van de Raad van State die beoordeling zou overdoen; 2.4.
- Overwegende, ten slotte, dat ook de derde vraag uitgaat van een a priori : dat de verzoeker aan wie geen kennis wordt gegeven van de mogelijkheid en noodzaak om vooraf een administratief beroep in te stellen onheus behandeld wordt ten opzichte van degene aan wie die kennisgeving wel wordt gedaan; dat hiervoor immers ook is gesteld dat die mededeling niet inherent is aan het bestaan van IX-3388-11/13 een georganiseerd administratief beroep; dat ook de derde prejudiciële vraag niet gesteld moet worden; 2.
- Overwegende dat de exceptie gegrond is; dat de beroepen niet ontvankelijk zijn;
- Overwegende dat aangezien de verwerende partijen de verzoekers niet in kennis hebben gesteld van de noodzaak vooraf het door artikel 128 van de OCMW-wet georganiseerde beroep bij de provinciegouverneur in te stellen, de verzoekers terecht vragen om de kosten van hun beroepen ten laste van de verwerende partijen te brengen, BESLUIT: Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 1925 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. IX-3388-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-3388-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.