id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.456 Rolnummer: A. 154529/XII-4225 Zaak: Arrest 138456 - - 14/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 16:24 Fiche Arrest nr 138.456 van 14 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.456 van 14 december 2004 in de zaak A. 154.529/XII-
- In zake : Maria FIGUEIREDO BAPTISTA RODRIGUES, die woonplaats kiest bij advocaat N. Vandebroek, kantoor houdende te Leuven, C. Meunierstraat 111 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria Figueiredo Baptista Rodrigues op 6 augustus 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de haar op 7 juni 2004 door het afdelingshoofd van de administratie hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van de Vlaamse Gemeenschap meegedeelde beslissing dat haar Portugees diploma “Licenciature em Línguas e Literaturas Modernas” niet als gelijkwaardig erkend wordt met de Vlaamse academische graad van licentiaat in de taal- en letterkunde; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4225-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Fonteyn, die loco advocaat N. Vandebroek verschijnt voor verzoekster, en van adjunct van de directeur M. Broucke, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster op 12 maart 2002 een aanvraag indient voor “professionele erkenning” van haar in Portugal behaald diploma om, op basis van de Europese richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG, onderwijs-bevoegdheid te verkrijgen in de Vlaamse Gemeenschap; Overwegende dat haar op 6 mei 2002 wordt meegedeeld dat haar aanvraag wordt afgewezen omdat zij niet beschikt over een Portugees pedagogisch bekwaamheidsbewijs; Overwegende dat verzoekster vervolgens, op 21 augustus 2002, een aanvraag indient voor “academische gelijkwaardigheidserkenning” van haar diploma; dat dit haar wordt geweigerd bij de thans bestreden beslissing, die luidt : “Op basis van de negatieve adviezen van de geconsulteerde universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt uw Portugees diploma 'Licenciatura em Linguas e Literaturas Modernas', in 1981 uitgereikt door de Universidade de Lisboa niet als volledig gelijkwaardig erkend met de Vlaamse academische graad van Licentiaat in de taal- en letterkunde. Deze negatieve beslissing is als volgt gemotiveerd : - er werd geen scriptie gemaakt en de scriptie wordt in Vlaanderen als een essentieel onderdeel van de opleiding beschouwd”; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4225-2/7 Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoekster in een eerste middelonderdeel uiteenzet dat het bestuur nalaat de juridische overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat zij toelicht : “Nergens in de beslissing wordt verwezen naar artikel 60 van het Decreet van 12.06.1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (B.S., 04.07.1991) en naar het Besluit van de Vlaamse Regering van 14.10.1992 houdende vaststelling van de voorwaarden tot en van de procedure van de erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften met de diploma's van de academische graden met uitzondering van de academische graden van de eerste cyclus (B.S., 31.12.1992). Nochtans vormen deze wetten de juridische grondslag op grond van dewelke de beslissing moet genomen worden”; Overwegende dat het bestuur heeft nagelaten om de toegepaste regelgeving formeel te vermelden en, in het bijzonder, om de juridische rechtsgrondslag te vermelden om een scriptie te beschouwen als een essentieel onderdeel van de opleiding; dat zulks niet kan worden aangemoedigd; dat evenwel uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat verzoekster door haar toelichting bij het middelonderdeel zelf aantoont die rechtsgrondslag tot en met de vindplaats in het Belgisch Staatsblad wél te kennen, weze het dat zij die kennis misschien pas heeft verkregen nadat zij mededeling had ontvangen van de aangevochten beslissing; dat zij dit echter hoe dan ook aan de weet is gekomen alvorens haar verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen; dat die latere kennisneming zich op het eerste gezicht dan ook niet heeft voorgedaan in omstandigheden die haar recht om zich in rechte te verweren tegen de bestreden handeling in het gedrang brengt; dat in die omstandigheden het doel van de motiveringswet, namelijk de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is om te oordelen of, ten aanzien van de motieven, het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft, op het eerste gezicht bereikt lijkt en door de gevorderde schorsing niet méér wordt gediend; dat het middelonderdeel niet ernstig is; Overwegende dat verzoekster in het tweede middelonderdeel uiteenzet dat de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen te beperkt en slecht gemotiveerd zijn; dat zij toelicht dat, “met uitzondering van de XII-4225-3/7 loutere vermelding dat er geen scriptie werd gemaakt”, geenszins de in artikel 4 van het genoemd besluit van 14 oktober 1992 opgenomen criteria die bij de vergelijking en de waardering van de buitenlandse opleidingen en diploma’s in acht moeten worden genomen, worden besproken en dat de bestreden beslissing niet vermeldt welke universiteiten advies hebben gegeven of die adviezen toelicht, dat de adviezen haar ook niet zijn meegedeeld; dat zij voorts de bestreden beslissing verwijt ten onrechte het onderscheid niet te maken tussen eindverhandeling en scriptie aangezien zij “destijds wel academische werken gemaakt [heeft] die gelijkwaardig zijn aan scripties, maar geen eindverhandeling”; dat zij tenslotte opmerkt dat de bestreden beslissing evenmin motiveert waarom geen toepassing werd gemaakt van artikel 6 van het besluit van 14 oktober 1992; Overwegende dat verwerende partij niet betwist dat zij verzoekster geen kennis heeft gegeven van de adviezen die door twee universiteiten zijn verstrekt in het kader van de te dezen te volgen procedure voor de erkenning van academische gelijkwaardigheid; dat ook deze nalatigheid niet toegejuicht kan worden; dat bij nader toezien evenwel blijkt dat het gaat om twee tegenstrijdige adviezen -het ene gunstig voor de aanvraag van verzoekster, het andere afwijzend- zodat verwerende partij zich er hoe dan ook, wat betreft de te dezen ingeroepen formele motiveringsplicht, niet mee had kunnen vergenoegen zonder meer naar beide adviezen te verwijzen; dat daarom in de huidige stand van de procedure aangenomen wordt, dat het enige, eigen, veruitwendigde en aan verzoekster wel meegedeelde motief, namelijk dat “geen scriptie gemaakt [werd]”, het dragend motief moet zijn van de bestreden beslissing; Overwegende dat in de bestreden beslissing van het ontbreken van een scriptie geen “loutere vermelding” is gemaakt, zoals verzoekster het beweert; dat er aan toegevoegd is dat de scriptie als “een essentieel onderdeel van de opleiding” wordt beschouwd; dat daarenboven het door verzoekster zelf genoemde artikel 4, vierde streepje, van het besluit van 14 oktober 1992 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de voorwaarden tot en van de procedure van de erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s en studiegetuig- schriften met de diploma’s van de academische graden met uitzondering van de academische graden van de eerste cyclus, de scriptie vermeldt bij de “essentiële onderdelen van de opleiding”; dat een beoordeling van andere criteria er niet meer toe doet, zo lijkt, als de aanvraag faalt op een essentieel geacht criterium; dat het dan vanuit de formele motiveringsplicht prima facie volstaat om aan de afgewezen XII-4225-4/7 aanvrager het tekortschieten hierop mee te delen zodat verzoekster, indien zij die reden in feite of in rechte onrechtmatig acht, in staat is er de middelen tegen aan te voeren die zulke onrechtmatigheid vermogen aan te tonen; dat overigens met dit laatste niet gelijk te stellen is, de in de toelichting bij dit middel terloops geformuleerde bewering dat zij “destijds wel academische werken gemaakt [heeft] die gelijkwaardig zijn aan scripties”; Overwegende dat, wat nog de procedure bedoeld in artikel 6 betreft, verzoekster op het eerste gezicht alludeert op een uitzonderingsprocedure waarvan niet blijkt dat zij om toepassing ervan heeft gevraagd; dat die procedure ook in tegenspraak lijkt met wat zij beoogt, aangezien het prima facie om een mindere vorm van erkenning gaat in geval in het curriculum van een buitenlandse opleiding “essentiële onderdelen ontbreken”, hetgeen zij precies lijkt te ontkennen in de voorliggende vordering; dat het middelonderdeel niet ernstig is; Overwegende dat het eerste middel, geput uit de schending van de formele motiveringsplicht, niet ernstig is; Overwegende dat verzoekster een tweede middel put uit de schending van het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn en van artikel 3, tweede lid van het besluit van 14 oktober 1992, omdat zij haar aanvraag heeft ingediend op 22 augustus 2002 en pas antwoord heeft ontvangen met een brief van 7 juni 2004, terwijl artikel 3, tweede lid, van het besluit van 14 oktober 1992 bepaalt dat een advies van een universiteit geacht wordt te zijn gegeven indien het niet binnen een termijn van veertig dagen werd gegeven zodat verwerende partij ten onrechte heeft getalmd met het nemen van de bestreden beslissing “en in principe reeds veel eerder een (positieve) beslissing had moeten nemen zonder de (negatieve) adviezen van de aangesproken universiteitsbesturen af te wachten”; Overwegende dat met verwerende partij moet worden vastgesteld, zo lijkt, dat de vereiste vertalingen aan de oorspronkelijke aanvraag van verzoekster ontbraken en door haar werden aangekondigd, zodat de aanvraag pas als volledig beschouwd kon worden na haar aanvullend schrijven van 5 april 2003; dat het dan nog meer dan een jaar heeft geduurd alvorens haar het antwoord is bezorgd; XII-4225-5/7 Overwegende evenwel, zelfs in de veronderstelling dat daardoor de redelijke termijn waarin een bestuurde mag verwachten bescheid te krijgen in de verdrukking komt, dat de Raad in de huidige stand van de procedure niet ziet welk belang verzoekster kan doen gelden bij het tweede middel; dat, eensdeels, niet wordt gezien hoe de vaststelling van het eventueel bijtijds ontbreken van de universiteitsadviezen, die met toepassing van artikel 3, tweede lid, van het besluit van 14 oktober 1992 alsdan enkel worden “geacht te zijn gegeven”, verzoekster dichter bij een gunstige beslissing zou hebben gebracht, laat staan de overheid tot een positieve beslissing zou hebben verplicht; dat, anderdeels, de eventuele overschrijding van de redelijke termijn en de op grond van die vaststelling uit te spreken schorsing, noch het bestuur tot een snellere besluitvorming zou kunnen brengen noch, en vooral, het bestuur in weerwil van het in het eerste middel besproken weigeringsmotief waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft kunnen aantonen, thans tot een nieuwe, gunstige beslissing kunnen nopen; dat het tweede middel niet wordt aangenomen; Overwegende dat geen ernstig middel voorhanden is, en aldus niet is voldaan een ten minste een van de schorsingsvoorwaarden, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4225-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4225-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.456 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.