← België

Arrest 138462 - - 14/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.462 Rolnummer: A. 126846/XIV-11726 Zaak: Arrest 138462 - - 14/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 16:24 Fiche Arrest nr 138.462 van 14 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.462 van 14 december 2004 in de zaak A. 126.846/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woont te 2018 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 12 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-11.726-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. MOMMERENCY, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 22 augustus 2000 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 31 mei 2001 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 21 augustus 2002 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Geachte Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 9 juli 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring en/of een beroep tot schorsing eventueel bij uiterst dringend noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.”; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van de artikelen 52, 57/8 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dit toelicht als volgt: “Schending van artikel 52 en 62 wet van 15.12.1980 en van de artikelen 2 en 3,1 van de wet 29.07.1991, aangaande voldoende motivering van de beslissing en schending van artikel 57/8 wet 15.12.
  4. In de beslissing wordt gesteld dat de aanvraag onontvankelijk is vermits er geen gevolg werd gegeven aan een oproeping en vraag tot inlichtingen. Echter heeft verzoeker de bewuste oproeping dd 9 juli 2002 niet ontvangen, en loopt er momenteel een onderzoek bij de POST betreffende het al dan niet afgeleverd zijn van dit aangetekend schrijven. XIV-11.726-2/5 Indien mag blijken dat het aangetekend schrijven niet aan verzoeker werd afgeleverd, is de oproeping en vraag tot inlichtingen niet op een geldige wijze gebeurd, en werd artikel 57/8 V.W. geschonden. Daarbij kan dan niet verweten worden aan verzoeker geen gevolg gegeven te hebben aan een oproeping die hij niet ontvangen heeft, en dus wegens gebrek aan enig andere motivering van de beslissing, dient deze dan ook vernietigd te worden. Bijgevolg is dit middel gegrond en dient de bestreden beslissing vernietigd te worden;”; 2.1.
  5. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) ‘4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven.”; Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven kent waarop de bestreden beslissing is gesteund, nl. het feit dat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de op 9 juli 2002 door de commissaris-generaal verstuurde oproeping; dat zij dit motief inhoudelijk aanvecht, stellende dat zij die oproeping niet heeft ontvangen; dat de verzoekende partij aldus de schending van de materiële motiveringsplicht aanvecht in plaats van de uitdrukkelijke motiveringsplicht als vastgelegd in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het middel vanuit dat standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij met de eenvoudige bewering dat zij de oproeping van 9 juli 2002 niet heeft ontvangen, niet aantoont dat de kwestieuze oproeping haar inderdaad niet heeft bereikt; dat de oproeping blijkens de gegevens van het administratief dossier op 10 juli 2002 op de op dat ogenblik gekozen woonplaats van de verzoekende partij werd aangeboden, dat de verzoekende partij als “afwezig” werd vermeld en dat de verzoekende partij de brief nadien niet heeft afgehaald; dat de verzoekende partij in het middel verwijst naar een lopend onderzoek dienaangaande bij De Post, doch daar zelfs ter terechtzitting, bijna twee jaar nadien, geen enkel bewijs, laat staan resultaat, van bijbrengt; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op een onjuist feitelijk gegeven is gesteund noch dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet zou zijn geschonden doordat de verzoekende partij wel een “geldige reden” in de zin van voornoemd artikel zou kunnen doen gelden, noch dat artikel 57/8 van die wet zou zijn geschonden doordat de oproeping niet met een aangetekend schrijven zou zijn gebeurd; dat het eerste middel ongegrond is; XIV-11.726-3/5 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel de schending van de artikelen 2, 3, 5, 6 en 13 van het E.V.R.M. opwerpt en dit toelicht als volgt: “Schending van artikel jo 13 artikel 2, 3, 5 en 6 E.V.R.M. De uitwijzing van een vreemdeling naar een land waar hij gevaar loopt een onmenselijke of mensonwaardige behandeling of foltering kan ondergaan, maakt een schending uit van artikel 3 van het EVRM. Daarenboven blijkt uit rapporten van Amnesty International, dat mensen die ageren tegen de bestaande politiek of contacten hebben met dergelijke individuen, gevaar lopen op een onrechtmatige wij vastgehouden te worden en dan ook blootstaan aan gevaar voor mishandeling, wat een courante praktijk is in Iran, terwijl dit een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 5 van het EVRM. Gelet op het feit dat hij reeds twee jaar werd vastgehouden, door alleen maar in aanwezigheid van een communist aangetroffen te zijn, loopt verzoeker wel degelijk gevaar voor zijn leven, hetzij voor beroving van zijn vrijheid en onmenselijke behandeling. Tot slot kan ten zeerste betwijfeld worden of verzoeker wel een eerlijk proces zal krijgen, gelet op de praktijken van revolutionaire rechtbanken die het niet nauw nemen met de rechten van verdediging, en niet voldoen aan de internationale vereisten voor een eerlijk proces (zie verslagen Amnesty International). Bijgevolg maakt de bestreden beslissing een schending uit van deze artikelen, zodat ze vernietigd dient te worden. Temeer daar deze schendingen gezien moeten worden jo artikel 13 van het EVRM dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel garandeert. In casu wordt verwezen naar het arrest van het EHRM te Strasbourg, dd 05.02.02 (nr. 51.564/99 CONKA/BELGIE) waarbij België reeds veroordeeld werd omwille van het feit dat de procedure van de Raad van State niet opschortend werkt, en bijgevolg een schending is van artikel 13 EVRM wanneer er inderdaad ook een schending van één van de andere rechten door het EVRM gewaarborgd, aanwezig is. In casu is voldoende aangetoond dat de artikelen 2, 3, 5 en 6 van het EVRM worden geschonden indien de bestreden beslissing zou uitgevoerd worden, en dus de bestreden beslissing vernietigd dient te worden gelet op artikel 13 van het EVRM. Dit middel is dan ook gegrond, zodat de bestreden beslissing vernietigd dient te worden omwille van de schending van de artikelen 2, 3, 5 en 6 EVRM jo artikel 13 EVRM.”; 2.2.
  7. Overwegende dat het middel, in de mate dat de schending van de artikelen 2, 5 en 6 juncto 13 van het E.V.R.M. wordt opgeworpen doordat een beroep bij de Raad van State tegen de bestreden beslissing niet opschortend werkt, niet tegen de bestreden beslissing is gericht; dat de verzoekende partij bovendien de mogelijkheid heeft gehad om ter terechtzitting te verschijnen en dat zij zich door haar raadsman heeft laten vertegenwoordigen; dat het tweede middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij verder de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. opwerpt omdat zij bij terugkeer naar het land van herkomst gevaar zou lopen voor onrechtmatige vasthouding en mishandeling; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan de kansen die haar werden geboden tijdens de asielprocedure om haar persoonlijke situatie uiteen te zetten in een direct en persoonlijk contact; dat de verzoekende partij werd gehoord door de dienst Vreemdelingenzaken en, naar aanleiding van haar dringend beroep, daartoe werd uitgenodigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat zij zonder geldige reden geen gevolg aan die laatste oproeping heeft gegeven en dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing toepassing kon maken van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat het gebruik maken van deze mogelijkheid in de wet XIV-11.726-4/5 op zichzelf geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. inhoudt; dat het middel in die mate ongegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.726-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.