← België

Arrest 138464 - - 14/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.464 Rolnummer: A. 115124/XIV-7941 Zaak: Arrest 138464 - - 14/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-21 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 16:25 Fiche Arrest nr 138.464 van 14 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.464 van 14 december 2004 in de zaak A. 115.124/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 28 december 2001 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 25 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 januari 2004; XIV-7941-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DELGOUFFRE, die loco advocaat M. MANDELBLAT verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct- adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 5 december 1999 en zich vluchteling verklaart op 7 december 1999; dat op 18 mei 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 4 december 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 52, § 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 en van het begrip ‘Vluchteling’ in de zin van artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie. Bij arrest nr. 46.086 van 8 februari 1994 heeft de Raad van State zich bevoegd geacht om het bestaan en het afdoend karakter van de redenen te onderzoeken, die een aanvraag tot politieke asiel steunen. De aangevochten beslissing bevestigd de beslissing tot weigering van verblijf met bevel tot het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken dd. 18.05.2000, en eigent zich eveneens de motieven van toe, bij gebreke aan andersluidende motieven. Verzoeker heeft voornamelijk gepreciseerd dat de door hem ingeroepen motieven zich afspelen in een politieke context van geweld ‘zijn neef werd voor zijn voeten doodgeschoten, verschillende betogers vielen dood, hijzelf werd vijf dagen gearresteerd na een deelname aan een betoging tegen de communistische regering op 14.01.1990, zijn huis werd verschillende malen door de politie bezocht, en hij werd voor het gevaar gewaarschuwd door de voorzitter van de vereniging 13 december 1990 waarvan hij lid was ...’. Al deze omstandigheden maken wel degelijk ernstige aanwijzingen uit van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, zodat zijn asiel aanvraag zeker niet als onontvankelijk voorkomt. Trouwens, de door tegenpartij bevestigende beslissing spreekt zichzelf tegen daar waar de laatste alinea meldt dat ‘de asielaanvraag van betrokkene ongegrond is’, vermelding die onverenigbaar is met onontvankelijkheid van bewuste asielaanvraag. De door verzoeker aangehaalde vrees voor geweld en onveiligheid vanwege de Albanese politie is recentelijk nog toegenomen in Albanië, zoals ontegensprekelijk blijkt uit een verslag dd 22.05.2001 door Amnesty International, waarvan, kopij in bijlage. Het perscommuniqué van Amnesty International trekt een alarmbel om het bestaan van machtsmisbruik door Albanese politieagenten aan te stippen, ja zelfs de tolerantie ervan door de Albanese autoriteiten om hier tegen op te treden. XIV-7941-2/5 Door zijn beslissing te nemen zonder rekening te houden met de hierboven welbekende zorgwekkende realiteit, heeft tegenpartij het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur miskend. Bovendien, tegenpartij had op zijn minst de antwoorden van verzoeker op de vragen nr. 23 en 24 van de vragenlijstformulier van het CGVS vanuit het Albanees naar het Nederlands moeten vertalen, quod non. Bijgevolg bleef tegenpartij in gebreke al de nodige elementen van het dossier zorgvuldig in te zamelen. Bij arrest nr. 5421 van 25.11.94 (R.A.C.E. 1994) heeft de Raad van State geoordeeld: ‘Est manifeste, au sens de l’art. 52 de la loi du 15.12.80 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers, ce dont l’existence ou la nature s’impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n’apparaissent pas nécessaries. Lorsque le candidat réfugié a fourni des éléments pour expliquer les circonstances de son arrestation, sa détention et la fuite de son pays qui, avérés ou non, sont circonstancié, le délégué du ministre commet une erreur manifeste d’appréciation en retenant, pour rejeter la demande urgente de réexamen, le caractère manifestement non fondé de la demande d’asile’. Deze rechtspraak in casu eveneens precies toepasselijk is. In casu heeft verzoeker op voldoende wijze gegevens aangebracht dat, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A, van de Conventie van Genève, zodat zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond mocht verklaard worden, waarvan de motieven wel met de criteria van de Conventie van Genève overeenstemmen. Het middel blijkt aldus gegrond te zijn.”; 2.1.
  6. Overwegende dat de commissaris-generaal met toepassing van artikel 52, §2, 4/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) concludeert dat de asielaanvraag onontvankelijk is, omdat de verzoekende partij “zonder geldige reden, geen gevolg (heeft) gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen”; dat de verzoekende partij dit motief niet betwist; dat het middel niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 62 van de wet van 15.12.1980 en van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens bovenvermeld artikel 62 moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en luidens artikel 3 van bovenvermelde wet: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moeten afdoende zijn.’; Inderdaad, volgens een algemeen geldend rechtsbeginsel, moet een administratieve beslissing steeds de rechtens vereiste feitelijke grondslag hebben, en het bestaan van die grondslag moet kunnen bewezen worden in geval van betwisting aan de hand van stukken die de overheid, wanneer ze haar beslissing nam, bij haar oordeel kunnen betrekken. De aangevochten beslissing van het CGVS sluit de gegevens en elementen uit van vrees voor vervolging op niet aanneembare motivaties enerzijds, en anderzijds door enkel de afwezigheid van antwoord van verzoeker binnen de maand op de vraag om inlichtingen in te roepen, zonder de door hem aangehaalde motieven van zijn asielaanvraag te onderzoeken, noch zijn antwoorden sub nr. 23 en 24 van de vragenlijst formulier te laten vertalen, heeft tegenpartij een louter technische weigering genomen die aan de motiveringsplicht van de bestuurshandelingen niet beantwoordt. Bijgevolg is de aangevochten beslissing niet deugdelijk gemotiveerd.”; 2.2.
  8. Overwegende dat in de bestreden beslissing de feitelijke elementen worden aangegeven die de commissaris-generaal tot de toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet hebben gebracht en dat naar dat artikel wordt verwezen; XIV-7941-3/5 dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping voor het verhoor noch aan het verzoek om inlichtingen; dat de commissaris-generaal, gezien de duidelijke verwijzingen in zijn brief van 17 oktober 2001, te dezen impliciet doch zeker kon veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, geen belangstelling toont voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat zijn aanvraag onontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat overigens in een uitdrukkelijke wettekst is neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het middel met betrekking tot de voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht als vastgelegd in de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen, ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-7941-4/5 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7941-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.