id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.493 Rolnummer: A. 140640/VII-30545 Zaak: Arrest 138493 - - 15/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 16:28 Fiche Arrest nr 138.493 van 15 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.493 van 15 december 2004 in de zaak A. 140.640/VII-30.545 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. MAENAUT, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, de Selliers de Moranvillelaan 84 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Chinese nationaliteit, op 20 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 18 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 1 december 2004; VII-30.545-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN CUTSEM, die, loco advocaat J. MAENAUT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 17 maart 2003 en verklaarde zich op 17 maart 2003 vluchteling. 1.
- Op 7 april 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 juli 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U verklaarde de Chinese nationaliteit te bezitten, van Tibetaanse origine te zijn en afkomstig te zijn uit het gehucht Chenka te Nedong district. Op 20 december 2002 zou er door het Chinese bestuur een vergadering voor losar (het Tibetaanse nieuwjaar) zijn georganiseerd. Hierop zou afgekondigd zijn dat het de Tibetaanse dorpelingen verboden was te vieren met culturele traditionele ceremonies. Eveneens zou het verboden zijn gebruik te maken van foto's van de Dalai Lama, thangka's en gebedsvlaggen. Uit protest tegen deze maatregelen zou u luidop "Onafhankelijkheid voor Tibet!" hebben geschreeuwd. Bovendien zou u geroepen hebben dat de Chinezen niks te zeggen hebben over het Tibetaanse nieuwjaar en de Tibetaanse cultuur. Verder zou u geroepen hebben "Er is geen vrijheid van religie!" en "Lang leve de Dalai Lama!". Uw vrienden G. en J. zouden u gevolgd zijn en zouden slogans geroepen hebben. Ook anderen uit het publiek zouden gevolgd zijn. Een achttal politieagenten zouden toen ingegrepen hebben. G. en J. zouden opgepakt zijn. U zou bewusteloos geslagen zijn. Toen u bijkwam, zouden drie politieagenten met u onderweg zijn naar het dorp Zora. Enkele Tibetaanse omstaanders zouden de politieagenten hierbij gehinderd hebben. U zou zich losgerukt hebben en tot de VII-30.545-2/7 autoweg gelopen zijn. U zou ondergedoken zijn bij Po Tsewang in Chideshu. Twee dagen nadien zou u via uw vader vernomen hebben dat de politie uw ouderlijke woning was binnengevallen op zoek naar u. De politie zou uw shenfenzheng en deze van uw vader in beslag hebben genomen. U zou vermoeden dat een spion u had aangegeven. Een zestal jaren geleden zou u politiek actief zijn geweest door te Tsetang anti-regeringsgezinde pamfletten te verspreiden. Op 25 december 2002 zou u per vrachtwagen van Chideshu naar Dingri gereden zijn. U zou verborgen zijn in de laadbak van de vrachtwagen tussen geiten- en schapenhuiden. Vanuit Dingri zou u vijf dagen gestapt hebben tot aan de Nepalese grens. Via Sharkombo bereikte u Nepal. Op 10 januari 2003 zou u per bus te Kathmandu gearriveerd zijn, waar u zou verbleven hebben bij Tenzin Sherpa te Bauddha. Op 15 maart 2003 zou u per vliegtuig afgereisd zijn naar een onbekende bestemming. U zou per trein Brussel bereikt hebben. U vroeg hier asiel aan op 17 maart
- Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u op het CGVS een attest neer van het Bureau van Tibet te Brussel. B. Motivering Vooreerst dient te worden vastgesteld dat er geen geloof kan gehecht worden aan uw vermeende Chinese nationaliteit en plaats van herkomst. Immers aan de hand van enkele door het CGVS gestelde vragen aangaande uw plaats van herkomst, blijkt dat uw geografische en algemene kennis uiterst gering te noemen is. Op deze wijze brengt u niet alleen de geloofwaardigheid van uw identiteit in het gedrang maar ook de door u ingeroepen vluchtmotieven die volgens uw verklaringen in dezelfde omgeving zouden hebben plaatsgevonden. Volgens informatie waarover het Commissariaat-generaal (CGVS) beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat u op de vraag welke de hoofdstad is van het district Nedong u foutief antwoordde met Tsetang. Hoewel u verklaarde Nedong en Tsetang centrum te hebben bezocht, kan de omschrijving die u gaf van de stad zeer vaag genoemd worden en in het geheel niet overeenstemmend met de voornoemde beschikbare informatie op het CGVS. Het is bevreemdend te noemen dat u geen enkele straatnaam in de stad kende. Evenmin kon u kloosters in de stad opnoemen en is het merkwaardig te noemen dat u bleek nog nooit gehoord te hebben van het Trebuling klooster. U kon geen concrete gegevens over Nedong en Tsetang verstrekken en uw omschrijving bleef beperkt tot de algemene stelling dat er zich in de stad "een gevangenis, twee belangrijke Chinese kantoren, markten en een Chinese school" bevinden. Verder is het merkwaardig dat het belangrijke historische site van Nedong Kunzang Tse niet kende. Ook is het merkwaardig dat uw kennis van plaatsnamen in het district beperkt is. Zo noemde u behalve Jasa Lhakhang en enkele andere dorpen, geen bekende plaatsnamen op. Voorts is het wederom bevreemdend te noemen dat u nagenoeg geen woord Chinees kon spreken, terwijl dit toch de officiële landstaal betreft. (zie CGVS, p.7-9) De verklaringen die u op CGVS aflegde met betrekking tot uw reisweg zijn eveneens vaag te noemen. Daar uw vlucht uit Tibet over land moeilijk zonder blijvende indrukken kan zijn, komt tevens dit feit ongerijmd over en doet het verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw relaas. U wist enkel te vertellen dat u na Dingri te voet via de Sharkombo Kathmandu zou bereikt hebben na een tocht van ongeveer negen dagen. (zie CGVS, p.4-6) Tenslotte is het document dat u ter ondersteuning van uw asielrelaas voorlegde, niet van die aard dat het de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin kan ombuigen. Weliswaar bevestigt dit document uw Tibetaanse origine, doch vormt het geenszins een bewijs van uw Chinese nationaliteit. U bleek verder niet in het bezit te zijn van identiteit- enlof reisdocumenten ten einde uw identiteit en nationaliteit te staven. Rekening houdend met bovenstaande vaststellingen is uw asielaanvraag dan ook onontvankelijk. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik vestig de aandacht van de Minister op het feit dat het in de huidige omstandigheden niet duidelijk is of gedwongen terugkeer naar China zonder risico van ernstige vervolging mogelijk is. Dit sluit niet uit dat u zonder risico van vervolging vrijwillig naar uw land van herkomst kan terugkeren. VII-30.545-3/7 Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève) en van artikel 52,§2, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verkeerdelijk uitspraak heeft gedaan over de gegrondheid van de asielaanvraag in plaats van over de ontvankelijkheid; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan de verzoekende partij terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; Overwegende dat de commissaris-generaal wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van artikel 52, §2, 2/ j/, artikel 52, §1, 2/, a) en b), j/, en artikel 63/2, §1 van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zijn en omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de commissaris-generaal te dezen het dringend beroep vanuit deze VII-30.545-4/7 bevoegdheid heeft onderzocht en de asielaanvraag als bedrieglijk heeft afgewezen; dat hij hierbij een eenvoudige vergelijking heeft gemaakt tussen de verschillende verklaringen van de verzoekende partij met elkaar en met algemeen bekende zaken; dat hij aldus geen onderzoek noch uitspraak ten gronde heeft gedaan; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de kritiek van de verzoekende partij gericht is tegen de inhoud van de bestreden beslissing zelf en tegen de inhoud van het advies dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij de bestreden beslissing omtrent de terugleiding heeft gegeven; Overwegende dat de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; Overwegende dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal voor zijn onderzoek beroep mag doen op algemeen beschikbare informatie zoals in casu het reisboek, waarvan de waarachtigheid door de verzoekende partij niet betwist wordt; dat hij aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk is; dat bijgevolg dient te worden besloten dat de bestreden beslissing blijkt te zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissing blijken te kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; Overwegende dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij kennis heeft genomen van de bevindingen, vaststellingen en conclusies van de commissaris- generaal die hebben geleid tot de bestreden beslissing, aangezien zij deze bij de uiteenzetting van haar middel betrekt; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing VII-30.545-5/7 aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat dit in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat de Raad enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat de verzoekende partij in wezen vraagt de feiten opnieuw te beoordelen, maar niet aantoont, en zelfs geen poging daartoe onderneemt, dat het oordeel van de commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat de uitspraak van de commissaris-generaal in verband met de terugleiding slechts een advies uitmaakt dat de minister van Binnenlandse Zaken niet moet opvolgen en dat dus niet bindend is; dat dit onderdeel van de beslissing van de commissaris-generaal bijgevolg niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-30.545-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-30.545-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div