← België

Arrest 138495 - - 15/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.495 Rolnummer: A. 124164/VII-27306 Zaak: Arrest 138495 - - 15/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 16:29 Fiche Arrest nr 138.495 van 15 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.495 van 15 december 2004 in de zaak A. 124.164/VII-27.306 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. PERIN, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue Paul Devaux 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 8 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 25 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 1 december 2004; VII-27.306-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. CLAESSENS, die, loco advocaat J. PERIN, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 14 augustus 2000 en verklaarde zich op 16 augustus 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 16 juli 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 19 juni 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Iraans staatsburger uit Kia Shahr, verklaart uw land van herkomst omwille van onderstaande redenen verlaten te hebben. U bent popmuzikant en trad regelmatig op tijdens trouwfeesten. Verscheidene keren vielen leden van leden van Bassij, Comité en Sepah-e Pasdaran binnen tijdens die huwelijken en werd u gearresteerd. Zo werd u in 1376 (Perzische kalender; stemt overeen met 1997 volgens de Gregoriaanse kalender) tijdens een huwelijksfeest gearresteerd door Sepah-e Pasdaran, Bassij en Comité. U werd meegenomen naar het bureau van Niru-ye Entezami en werd de volgende dag voor de Revolutionaire Rechtbank gedaagd. Voor de rechter diende u uit te leggen wat er was gebeurd. Nadien werd u vrijgelaten. Op 17/01/1376 (06/04/1997) ontving u een convocatie van de Revolutionaire Rechtbank. U diende zich op 18/01/1376 (04/04/1997) aldaar aan te melden. Op die dag kreeg u van de rechter het vonnis, een boete van 5000 Toman. U diende eveneens een document te ondertekenen waarin u verklaarde dat u nimmer nog muziek zou maken. VII-27.306-2/5 Op 12/01/1379 (01/04/2000) vielen leden van het Comité opnieuw binnen tijdens een optreden van u ter gelegenheid van een huwelijksfeest. U kon tijdig ontkomen en dook onder bij uw vriend N.. De nacht van de inval kwam de politie naar uw ouders en nam uw vader mee voor ondervraging. Hij werd pas na 48 uur vrijgelaten. Uzelf bleef twee dagen bij N. en vluchtte omdat u niet opnieuw berecht wilde worden wegens het spelen van popmuziek. U bleef drie tot vier maanden in Istanbul alvorens naar België te komen. Op 16 augustus 2000 vroeg u in België de status van vluchteling aan. Er dient te worden opgemerkt dat uit uw verklaringen blijkt dat nergens uit uw asielaanvraag blijkt dat u persoonlijk geviseerd werd omwille van één van de motieven voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli
  5. De feiten die u aanhaalt ter staving van uw asielrelaas, namelijk het spelen van westerse muziek, zijn van gemeenrechtelijke aard. U verklaart uitdrukkelijk niet politiek actief te zijn geweest in Iran. Bovendien blijkt nergens uit uw verklaringen dat de muziek die u bracht politiek geïnspireerd was. Uw beroep was het spelen van popmuziek op huwelijksfeesten. Verder dient nog een tegenstrijdigheid in uw opeenvolgende verklaringen te worden opgemerkt. Op het Commissariaat-generaal verklaart u dat Babak de dag na de inval op 12/01/1379 naar uw ouders beide en zo vernam dat uw vader door de politie was meegenomen (verslag cgvs, p. 13). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart u dat u contact opnam met uw zus en van haar vernam dat uw vader door het Comité was aangehouden en gedurende twee dagen werd vastgehouden (verslag dvz, p. 8). Dit ondermijnt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Verder is het heel merkwaardig dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde er 'rake klappen' vielen bij de inval op 10/1/1376 (30/3/1997) (verslag dvz, p. 7). Terwijl u op het Commissariaat-generaal aanvankelijk verklaarde dat u niet geslagen werd tijdens deze inval en vervolgens op het einde van het gehoor verklaarde dat u elke keer als u gearresteerd werd, ook geslagen werd (verslag cgvs, p. 9&17). Wat betreft de door u neergelegde documenten: een boekje van burgerlijke stand en een rijbewijs bevestigen uw identiteit; een vonnis bevestigt de geldboete; een cassette kan uw vocale capaciteiten staven; een krantenartikel bevestigt de moeilijke positie van Iraanse popmuzikanten. Voornoemde documenten wijzigen niets aan bovenstaande beslissing. Bovenstaande vaststellingen in acht genomen kunnen we in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in de Conventie van Genève weerhouden. Derhalve besluiten we met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  6. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van het algemeen rechtsbeginsel “nemo iudex in causa sua” in samenhang met een schending van artikel 57/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij in wezen beweert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onpartijdig is opgetreden omdat hijzelf -de heer Pascal Smet- destijds werkzaam was op het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken; dat de verzoekende partij eveneens betoogt dat de vastgestelde tegenstrijdigheden er in werkelijkheid geen zijn; Overwegende dat de verzoekende partij niet bewijst dat de commissaris- generaal te dezen blijk zou hebben gegeven van partijdigheid; dat de door haar ingeroepen omstandigheid daartoe niet volstaat; dat verder niet wordt aangevoerd, noch aangetoond, dat VII-27.306-3/5 de vaststellingen van de commissaris-generaal met betrekking tot de tegenstrijdigheden in het asielrelaas kennelijk onredelijk zouden zijn; dat het middel niet gegrond is; 2.
  7. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op28 juni 1951 (Conventie van Genève); dat de verzoekende partij stelt dat zij vervolgd werd omdat zij popmuzikant was en dus behoort tot een “bepaalde sociale groep” in de zin van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève; Overwegende dat de asielaanvraag niet alleen kennelijk ongegrond werd bevonden omdat zij geen verband hield met de criteria van de Conventie van Genève, maar werd afgewezen omdat zij bedrieglijk was; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de bestreden beslissing op dat vlak onwettig is; dat de vaststelling dat de asielaanvraag bedrieglijk was, op grond van artikel 52, § 2, 2/ van de Vreemdelingenwet volstond om die aanvraag te verwerpen; dat het middel, zelfs zo het gegrond zou worden bevonden, niet tot nietigverklaring kan leiden; dat het middel niet gegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en vier, door VII-27.306-4/5 de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.306-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.