id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.509 Rolnummer: A. 119499/XIV-9505 Zaak: Arrest 138509 - - 15/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 16:29 Fiche Arrest nr 138.509 van 15 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.509 van 15 december 2004 in de zaak A. 119.499/XIV-
- In zake : XXX, wonende te A., G.straat 17 (tweede verdieping) tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 april 1975 en van XXX nationaliteit, op 3 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 22 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 10.00 uur; XIV-9505-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. CLOOSEN, die loco Advocaat P. JANSSENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 16 mei 2000 en verklaart zich vluchteling op 18 mei
- 1.
- Op 5 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, XXX staatsburger van O. or(i)gine, verliet XXX op 11 mei
- Op 17 mei 2000 kwam u in België aan waar u de volgende dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig internationaal paspoort. Volgens uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken van 18 augustus 2000 diende u XXX te verlaten omdat u omwille van uw O. origine problemen kende met de etnisch XXX bevolking. Uw vader had sinds 1992 twee restaurants. Hij had voortdurend last met de XXX overheden en de maffia die hij moest betalen om als O. op het XXX territorium te mogen werken. Er werd regelmatig gevochten in de restaurants en de klanten betaalden vaak hun maaltijden niet. Een paar jaar geleden vond er in het restaurant een vechtpartij plaats omdat een etnische XXX niet wou betalen. Uw vader wilde hiervan(voor) klacht indienen bij de politie maar dit werd hem geweigerd en er werd hem gezegd dat dit het begin van een koude oorlog zou kunnen zijn. In 1998 werd in A. een vereniging voor O. opgericht. Uw vader steunde die organisatie financieel samen met andere O. zelfstandigen. Het was de bedoeling om met het ingezamelde geld een groot warenhuis te bouwen. De organisatie kreeg de XIV-9505-2/6 toestemming van de hogere overheid om het warenhuis te bouwen. Het bestuur van de stad trok plots echter de toestemming in en verkocht de grond aan iemand anders. De vertegen- woordigers van de organisatie wilden weten waarom de toestemming werd ingetrokken. Toen de afgevaardigden naar het gemeentehuis gingen, belde men daar de politie op. Iedereen die een klacht wilde indienen werd opgepakt en sommigen moesten nadien naar het ziekenhuis omdat ze in elkaar geslagen waren. In 1999 opende uw vader een casino. Op 22 april 2000 vernam uw vader van de veiligheidsdienst van zijn casino dat er een vechtpartij was ontstaan omdat een etnische XXX zijn geld vergokt had. Op 23 april 2000 werd uw vader thuis in elkaar geslagen door vrienden of lijfwachten van de jongen die het geld verloren had omdat hij het casino niet op de naam van de jongen wilde zetten. Ook de collega van uw vader kreeg klappen. Toen de mannen weg waren stelden uw vader en zijn collega een verklaring op die door de collega naar het politiebureau gebracht werd. De agent van wacht zou de collega gevraagd hebben of hij wel wist tegen wie hij het opnam aangezien één van de agressors de onderminister van Binnenlandse Zaken was. De agent zou de collega afgeraden hebben de klacht in te dienen. De collega diende echter toch de klacht in. Op 24 april 2000 werd er op de wagen van uw vader geschoten en de chauffeur raakte gewond. Uw vader nam daarna contact op met een kennis die bij de politie werkte. Deze laatste raadde hem aan om gewoon te doen wat er gevraagd werd. Toen de kennis vernam wie er bij betrokken was vroeg hij om niet meer gebeld te worden omdat hij toch niet meer zou kunnen helpen. Dezelfde avond belde de directeur van één van de restaurants om te zeggen dat hij niet meer kwam werken. Uw vader kwam tot de conclusie dat het thuis niet meer veilig was en bracht uw moeder, uw zus en u naar het appartement van een vriend. U wilde echter blijven werken en uw vader huurde een lijfwacht voor u in. Op 4 mei 2000 vertelde de collega tegen uw vader dat hij het op een akkoordje had gegooid met B. en dat uw vader nog een beetje tijd kreeg om het casino op naam van de XXX jongen te zetten. Uw vader was het hier echter niet mee eens en probeerde tijd te winnen om te trachten iets te regelen via het parket van A. Hij vond daar iemand die hem wilde helpen en stelde samen met zijn collega een klacht op en vertrok op 5 mei 2000 naar A. vanwaar hij één dag later belde om te laten weten dat alles goed ging. Nog één dag later kwam een kennis van uw vader die bij de politie werkte langs en vertelde uw moeder dat ze samen met u zo snel mogelijk weg moest aangezien de klacht van uw vader reeds per fax naar B. gestuurd was. Op 8 mei 2000 wilde u een taxi naar huis nemen. Op weg naar de taxistandplaats werd u (een) door een onbekende tegengehouden die u vroeg of u XXX was. Toen u daar positief op antwoordde werd er een pistool onder uw neus geduwd en werd u vervolgens in een wagen, met aan boord nog twee personen, geduwd. U werd gehandboeid en geblinddoekt. U werd naar een buitenwijk van A. gebracht waar u door twee mannen verkracht werd. Nadien kwam de derde man op u af die u naar beneden bracht en liet lopen. U stapte in de eerste de beste auto die u naar het appartement waar u logeerde bracht. Uw vader liet u binnen en vertelde dat uw moeder in het ziekenhuis lag nadat ze vernomen had dat u ontvoerd was en uw hoofd per post zou worden opgestuurd. Uw vader bracht u en uw zus naar een ander appartement. Op 10 mei kwam hij naar u toe met een zekere V. die u naar een veilige plaats zou brengen. U gaf uw foto's aan V. en op 11 mei 2000 vertrok u met V. naar het buitenland in het bijzijn van uw zus F. (o.v. 4.967.038). De door u aangebrachte vervolging (vervolging door de XXX autoriteiten en de XXX bevolking omwille van uw O. origine - DVZ, vraag 41; motieven voor het vertrek en DVZ, vraag 42) strookt niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Uighur minority in XXX, February 2002). Uit de geciteerde informatie blijkt dat de O. bevolkingsgroep niet wordt vervolgd in de zin van de Vluchteling- enconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere XXX autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw etnische origine (O.) actueel in XXX wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genéve van
- Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden weerhouden. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakte, rijbewijs), wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien ze enkel uw persoonsgegevens bevatten en geen verband houden met uw vluchtmotieven. Ook in het kader van de asielaanvraag van uw zus S. (O.V. 4.967.038) werd een bevestigende beslissing genomen. Gezien het bedrieglijke en ongegronde karakter van uw asielaanvraag duidelijk blijkt uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en uw beroepschrift, acht ik het niet opportuun u op te roepen voor een interview in dringend beroep op het Commissariaat- generaal. (...).”. XIV-9505-3/6
- Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij eveneens de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel betrekking heeft op de bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure; dat de thans bestreden beslissing werd genomen in het kader van de ontvankelijkheidsfase, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekster niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit haar middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.
- Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het dossier; dat de Commissaris-generaal in voorliggend geval tot de kennelijke ongegrondheid én tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van het volgende determinerend motief: XIV-9505-4/6 “De door u aangebrachte vervolging (vervolging door de XXX autoriteiten en de XXX bevolking omwille van uw O. origine - DVZ, vraag 41; motieven voor het vertrek en DVZ, vraag 42) strookt niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Uighur minority in XXX, February 2002). Uit de geciteerde informatie blijkt dat de O. bevolkingsgroep niet wordt vervolgd in de zin van de Vluchteling- enconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere XXX autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw etnische origine (O.) actueel in XXX wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genéve van 1951.”; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat er “enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden”; dat zij van mening is dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat haar asielaanvraag werd onderzocht, maar dat de Commissaris-generaal slechts verwijst naar de algemene situatie in haar land van herkomst; dat zij vervolgens aanvoert dat de Commissaris-generaal overweegt dat zij problemen heeft aangehaald die te maken hebben met de Vluchtelingenconventie maar “nergens aanhaalt wat deze problemen zijn”; dat zij ten slotte opmerkt dat de Commissaris-generaal een standaard- motivering gebruikt, zonder haar situatie in concreto te beoordelen; dat er, aldus verzoekster, “slechts geoordeeld werd op grond van het zuiver afkomstig zijn van een bepaald land of op grond van een bepaalde nationaliteit” en niet “op grond van bepaalde feiten eigen aan het asielverhaal van verzoekster (...)”; Overwegende dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenza- ken blijkt dat verzoekster, die de XXX nationaliteit bezit maar van O. origine is, een gedetailleerd en concreet asielrelaas heeft verteld waarin zij gewag maakte van verschillende vervolgingsfeiten wegens haar origine; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal zich voor het afwijzen van verzoeksters asielaanvraag heeft beperkt tot de overweging dat “de door haar aangebrachte vervolging (...) (niet) strookt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (...)”, waarna hij verwijst naar informatiebronnen die bij het administratief dossier zijn gevoegd; dat de Commissaris-generaal met andere woorden het specifieke asielrelaas van verzoekster als bedrieglijk en kennelijk ongegrond duidt louter door te verwijzen naar algemene informatie over de situatie in XXX, waarin staat dat de O. bevolkingsgroep geen vervolging te duchten heeft in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal op die wijze niet aantoont dat hij rekening heeft gehouden met de persoonlijke en concrete gegevens die verzoekster heeft aangebracht in het kader van haar asielrelaas en die de oorzaak vormen van haar vlucht uit haar land van herkomst; dat hij niet specificeert waarom het geïndividualiseerde relaas van verzoekster niet getuigt van een persoonlijke en gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, gelet op de (vervolgings)feiten die zij heeft aangebracht op de Dienst Vreemdelingenzaken en die zij herhaalt in haar dringend beroepsschrift; dat aldus niet blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoekster heeft onderzocht rekening houdend met de specifieke elementen die verzoekster aanbracht; dat het determinerend motief XIV-9505-5/6 van de bestreden beslissing niet draagkrachtig is; dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht werden geschonden; dat het enig middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9505-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.