← België

Arrest 138540 - - 16/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.540 Rolnummer: A. 155865/VII-32799 Zaak: Arrest 138540 - - 16/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 16:41 Fiche Arrest nr 138.540 van 16 december 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.540 van 16 december 2004 in de zaak A. 155.865/VII-32.799. In zake : 1. Geert VERMEERSCH, 2. Luc VANHESTE, 3. Hugo DEVOLDERE, 4. Henk SCHOTTE, 5. de stad IZEGEM, die woonplaats kiezen bij Advocaten R. HONORÉ en F. VANDEN BERGHE, kantoor houdende te KORTRIJK, Pres. Kennedypark 4 A tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de c.v.b.a. ELECTRABEL GREEN PROJECT FLANDERS, die woonplaats kiest bij Advocaten T. VANDENPUT en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Geert VERMEERSCH, Luc VANHESTE, Hugo DEVOLDERE, Henk SCHOTTE en de stad IZEGEM op 22 september 2004 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 15 juli 2004 houdende inwilliging van het beroep dat de c.v.b.a. ELECTRABEL GREEN PROJECTS FLANDERS had aangetekend tegen de beslissing van 20 januari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Izegem waarbij de vergunning geweigerd wordt voor een inrichting gelegen te Izegem, Lodewijk de Raetlaan-Noordkaai (Industriezone Mandeldal) zn, met als voorwerp het exploiteren van twee windturbines; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-32.799-1/20 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. VANDENBERGHE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. DE MAEYER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de c.v.b.a. ELECTRABEL GREEN PROJECT FLANDERS, begunstigde van de bestreden vergunning, met een verzoekschrift van 12 oktober 2004 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. De feiten Overwegende dat de voor de oplossing van het geschil relevante gegevens als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Op 24 oktober 2003 heeft de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Izegem een aanvraag ingediend voor de exploitatie van een inrichting gelegen te Izegem Noordkaai z/n (Industriegebied Mandelvallei), die twee windturbines van elk 2 MW en twee transformatoren van elk VII-32.799-2/20 2.100 kVA omvat. De industriezone is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt, een gebied voor milieubelastende industrie. 2.2. Op 20 januari 2004 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Izegem de aanvraag te weigeren, in essentie omdat de industriezone zich als een wig tussen twee woonkernen dringt waardoor de bovengrens van de aanvaardbare hinder reeds bereikt is zodat door de plaatsing van de turbines die bovengrens van de aanvaardbare hinder zal overschreden worden. 2.3. Tegen deze beslissing tekent de tussenkomende partij op 19 februari 2004 beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Alle in beroep verleende adviezen zijn gunstig. Op 9 augustus 2004 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het project. 1.4. Op 15 juli 2004 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen. Dit is de bestreden beslissing. Zij luidt onder meer als volgt : "Overwegende dat de beroeper stelt dat het besluit van het CBS niet behoorlijk gemotiveerd is en steunt op feitelijke vergissingen en contradicties; dat de bezorgdheid van de omwonenden begrijpelijk is doch onvoldoende gegrond gelet op de ervaringen in andere windturbineprojecten; dat de aanvraag niet zorgvuldig werd onderzocht en beoordeeld op basis van de voorliggende feitelijke elementen in antwoord op de klachten; dat de inrichting kan uitgebaat worden zodat aan de geformuleerde klachten tegemoet gekomen wordt; dat de windturbines op meer dan 250 m worden ingeplant van het woongebied; dat geluidsmetingen werden uitgevoerd door een onafhankelijke en erkende geluidsdeskundige; dat het berekende specifieke geluid van de windturbines ruim onder de milieukwaliteitsnormen blijft; dat het vermelde max. brongeluid niet zal overschreden worden; dat de slagschaduwduur de 10 uur per jaar niet zal overtreffen; dat men bereid is om slagschaduwsensoren te installeren indien nodig; dat de windturbines dan automatisch stilvallen bij het optreden van hinderlijk slagschaduweffect; dat er geen precedenten bekend zijn mbt. waardevermindering van woningen in de buurt van windturbines; dat deze waardevermindering te betwijfelen valt gelet op de ligging in het industrieterrein; dat er een ijsdetectiesysteem voorzien is; dat de veiligheidsstudie uitwijst dat de veiligheidsrisico's aanvaardbaar zijn; (...) Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Roeselare-Tielt, goedgekeurd dd. 17/12/1979 en deels gewijzigd dd. 15/12/1998; VII-32.799-3/20 Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de exploitant nog geen exact type windturbine heeft uitgekozen voor het project; dat er windturbines aangevraagd zijn met een max. vermogen van elk 2 MW; dat een windturbine met een groter vermogen uitgesloten is wegens niet conform zijn met de aanvraag; Overwegende dat er 8 woningen gelegen zijn binnen een straal van 250 m tov de windturbines, dat deze woningen gelegen zijn in industriegebied; Overwegende dat de woningen gelegen in het woongebied gelegen zijn op meer dan 260 m; Overwegende dat het Instituut voor natuurbehoud in haar advies meldt dat het project voldoet aan de algemene randvoorwaarden beschreven in de omzendbrief EME/2000.01; dat er in de directe omgeving van de locatie geen bijzonder vogelrijke gebieden gesitueerd zijn en dat er voor zover bekend geen belangrijke plaatselijke vliegbewegingen over de locatie gekend zijn; dat er op basis van de beschikbare gegevens kan verwacht worden dat er relatief weinig negatieve effecten op de vogelpopulaties zullen zijn en dat er bijgevolg een positief advies verstrekt wordt; Overwegende dat uit de resultaten van de veiligheidsstudie de individuele risicocontouren van 10-5, 10-6 en 10-7 volgen : 10-7-contouren : er zijn geen kwetsbare locaties binnen deze contouren. 10-6-contouren : geen enkele woning toebehorend aan derden ligt binnen deze contouren. De enige woning die op de grens van deze contouren ligt op een afstand van 120 m is de woning horende bij Ghekiere Transport. Door het recht van opstal is de eigenaar van de bewoning niet te beschouwen als derde. Bovendien valt de woning ver buiten de contour van 10-5. 10-5-contouren : deze contouren komen ongeveer overeen met het reikwijdte van de wieken. Voor de percelen waar een windturbine is gepland, is er zoals reeds vermeld een overeenkomst met recht van opstal. Voor de windturbine 2 is er 1 eigenaar wiens percelen onder de wieken liggen. Met deze eigenaar is er een overeenkomst met vergoeding voor de bezwaring van diens eigendom. Overwegende dat er geen direct groepsrisico is aangezien een ongeval met een windturbine geen aanleiding zal geven tot een ongeval met meer dan 10 doden; Overwegende dat het transport van gevaarlijke stoffen over de wegen beperkt is gezien er geen zware industrie is; dat de invloed op het risico verbonden aan het treinverkeer in de omgeving verwaarloosbaar is; Dat het transport van gevaarlijke producten langs het kanaal Roeselare-Leie aanleiding geeft tot het ontstaan van de kans op een significant lek van 2. 10-14 per passage; dat dit verwaarloosbaar is tav. de kans op lekken bij verladingen; Overwegende dat de veiligheidsstudie uitgevoerd door een erkend veiligheidsdeskundige uitwijst dat het directe en indirecte individueel en groepsrisico aanvaardbaar is; Dat de kanscijfers zijn gebaseerd op statistieken, die opgebouwd zijn op accidenten met verouderde turbines; Dat rekening houdende met de complexiteit van de berekeningen, de grote invloed van de faalkansen en de aannames op het uiteindelijke resultaat, de mogelijke evolutie van de casuïstiek in de tijd, het aangewezen is dat deze veiligheidsstudie elke 4 jaar wordt geactualiseerd aan de hand van nieuw VII-32.799-4/20 verworven kennis en gegevens; dat dit wordt opgelegd in een bijzondere voorwaarde; Overwegende dat de geluidsnormen van Vlarem 2 niet van toepassing zijn; dat er wel bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd; dat de milieukwaliteitsdoelstellingen wel van toepassing zijn; Dat voor de woningen in het woongebied voldaan wordt aan de bepalingen van de omzendbrief EME/2000.01; dat voor de woning in het industriegebied het specifiek geluid nog altijd ca. 3 dB(A) lager is dan het LA95,1h van het achtergrondgeluid tijdens de nacht; dat voor de woningen in industriegebied die dichter gelegen zijn het specifiek geluid ca. 3 tot 4 dB(A) hoger zal zijn en dus ongeveer gelijk aan het LA95,1h van het achtergrondgeluid tijdens de nacht; dat het specifiek geluid van de windturbines ter hoogte van de woningen in industriege- bied Overwegende dat het specifiek geluid van de windturbines ca. 41 dB(A) bedraagt bij 8 m/s; dat bij lagere windsnelheden dit specifiek geluid nog lager is; dat de milieukwaliteitsdoelstellingen niet worden aangetast door de bijdrage van de windturbines; Overwegende dat geluidshinder toch één van de belangrijkste zaken is die door de klagers werden aangehaald; overwegende dat het aangewezen is dat een geluidsstudie opgelegd wordt; Overwegende dat er schaduwberekeningen zijn uitgevoerd voor de dichtstbijzijnde woningen; dat het detectiesysteem voor slagschaduw een signaal doorstuurt naar de controller van de turbine onder volgende condities : - in de periode van het jaar en dag en uur waar hinder kan optreden voor een bepaalde woning - als de felheid van de zon dermate is dat het verschil in lichtsterkte door slagschaduw als hinderlijk wordt ervaren. Dat het meetsysteem de windturbine in pause schakelt als deze condities meer dan 50 seconden aanhouden; dat de turbine weer zal opstarten als het meetsysteem gedurende 50 seconden geen hinderlijk zonlicht meer constateert; dat al deze meldingen worden opgeslagen in de log van de turbine; Overwegende dat een simulatie leert dat : - voor woningen in woongebied de slagschaduw op jaarbasis max. 11 uur bedraagt - voor woningen in industriegebied de slagschaduw op jaarbasis max. 53 uur bedraagt. Dat internationale normen een limiet van 30 uur slagschaduw/jaar voorstelt; Overwegende dat er zonder monitoring 2 woningen zijn waarbij er een overschrijding is van deze limiet; dat bureelgebouwen niet zijn opgenomen in de studie; dat de exploitant bereid is om sensoren te plaatsen; dat ook de bureelgebouwen dienen in rekening te worden gebracht; Dat het aangewezen is dat de exploitant een rapport opstelt, waarbij gedurende de 2 eerste jaren, de effectieve tijd en periodes, dat de windturbines worden stilgelegd ter voorkoming van slagschaduw, worden samengevat; Dat voor het beperken van het flikkereffect de windturbines met een matte grijze verf worden bedekt; Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, een vertegenwoordiger van het College van Burgemeester en Schepenen en de klager gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden : - College van Burgemeester en Schepenen : Zoals het project nu voorligt zullen veel mensen hinder ondervinden, hoewel de windmolens zijn gelocaliseerd in industriezone. In de kantoren bevinden zich ook mensen die er last van zullen hebben (cfr. slagschaduw). Men VII-32.799-5/20 minimaliseert o.a. relatie met gevaarlijke stoffen. De autonomie van de gemeente wordt aangetast indien de vergunning wordt toegekend'. - klagers: (vertegenwoordigen 84 huizen ten noorden van de site); 50 werknemers samen en er zijn de weggebruikers en de bezoekers aan het containerpark. Voor wat het indirect risico betreft, gaat men ervan uit dat er geen gevaarlijke stoffen vrij komen. De firma Danis is nog in testfase. We zouden niet graag de pasmunt zijn van groene energie'. - Electrabel : Er kan inderdaad visuele hinder zijn, maar daarom is de inplanting voorzien in een industriezone, waar er onmiskenbaar reeds een verstoring (

  1. is)van het landschap. Als de vergunning nu zomaar een bepaald type oplegt, is het nadien moeilijk om nog een goede prijs te bekomen. De voorwaarden van de milieuvergunning worden opgenomen in alle internationale standaarden, zodat dit het uitgangspunt moet zijn'. - klagers : Indien de molens er komen, wie zal dit controleren? Kunnen er nog aanpassingen gebeuren?'. - exploitant : - College van Burgemeester en Schepenen : Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen; Overwegende dat de exploitatie van het toelaatbare deel van de inrichting verenigbaar moet gemaakt worden met de omgeving, zowel wat betreft de risico’s voor de externe veiligheid als wat betreft de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting; Dat het daarom noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die technisch haalbaar zijn en voldoen aan de vereiste van best beschikbare schone technologie zonder overmatig hoge kosten; dat de technische criteria en de van toepassing zijnde normen vanuit dit uitgangspunt gehanteerd worden; dat deze voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in bijlage; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering/exploitatie, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat bijgevolg het beroep gegrond is"; 3. Beoordeling Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan VII-32.799-6/20 worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat een eerste middel wordt geput uit de "schending van artikel 2 van het decreet van 22 oktober 1996 op de ruimtelijke ordening, schending van het gewestplan Roeselare-Tielt goedgekeurd bij KB van 17.12.1979, iuncto schending van artikel 7.2.0 en 8.2.1.2 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen doordat windturbines als zone-eigen worden beschouwd in zone voor milieubelastende industrie terwijl windturbines gemeenschapsvoorzieningen en algemene nutsvoor- zieningen zijn die niet (zonder meer) in industriegebied kunnen worden vergund"; dat het middel als volgt wordt toegelicht : "16. Het gewestplan ROESELARE-TIELT situeert de windturbines in zone voor milieubelastende industrie. Art. 2 van het decreet van 22 oktober 1996 bepaalt dat de voorschriften van de plannen van aanleg verordenende kracht hebben. Art. 7.2.0 van het inrichtingenbesluit van 28 december 1972 bepaalt aangaande industriegebieden : Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten, namelijk : bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van de goederen bestemd voor nationale of internationale verkopen'. Art. 8.2.1.2 bepaalt aangaande het milieubelastend karakter van sommige industriegebieden : 2.1.2 De gebieden voor milieubelastende industrie. Deze zijn bestemd voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd'. De bestreden beslissing beschouwt de windturbines als zone-eigen installaties in industriegebied. De beslissing stelt : Er werd dus bij het verlenen van de vergunning geen toepassing gemaakt van artikel 43 § 6 en 7 van het gecoördineerd stedenbouwdecreet van 22 oktober VII-32.799-7/20 1996 dat de zonevreemde milieuvergunning regelt. (Trouwens voorziet artikel 43 van het decreet bij zonevreemde milieuvergunningen in een uitdrukkelijk gemotiveerd gunstig advies van de gemachtigd ambtenaar en in casu heeft de gemachtigd ambtenaar stilzwijgend advies uitgebracht). 17. Verzoekers betwisten ten zeerste dat windmolens zone-eigen industriële installaties zouden zijn. - Het is niet omdat windmolens voor sommigen misschien industrieel len' dat zij ook voor het stedenbouwrecht in industrie zouden thuishoren. Het KB van 28 december 1972 definieert niet wat onder industriële of ambachtelijke bedrijven dient verstaan. Bij gebreke aan eigen definitie dienen de betrokken inrichtingsvoorschriften in hun spraakgebruikelijke en taalkundige betekenis te worden begrepen. In VANDAELE, Groot woordenboek der Nederlandse taal, 13de herziene uitgave leest men onder het lemma 2 (g.mv.) (fig.) fabrieksmatige productie (b.v. van verhalen, prenten) 3 (-ën) bepaald fabrieksbedrijf, bepaalde industrietak (...) 4 (bij uitbr.) in toepassing op bedrijven en bedrijfstakken die geen grondstoffen verwerken, maar zich bezighouden met dienstverlening enz. : de witte industrie, het toerisme; dat is een heel industrie geworden, dat is zo grootschalig en winstgevend mogelijk gemaakt (gezegd van iets dat uit ideële motieven was opgezet); - ook als tweede lid in samenst. als de volgende, waarin het eerste lid de geleverde dienst enz. noemt: beveiligingsindustrie, bewakingsindustrie, reclame-industrie'. - De vierde betekenis volgens VANDAELE - - Voor de eerste betekenis van industrie (waarvan de tweede en de derde betekenis afgeleiden zijn) is het essentieel dat bij industrie grondstoffen worden verwerkt tot producten. Dit is bij een windmolen niet het geval. Een windmolen is geen industrie : - wind is geen grondstof (in tegenstelling tot vlas, klei, steenkool ...); - de wind wordt ook niet verwerkt tot een product : - op de wind worden niet -zoals wel bij grondstoffen het geval is- handelingen gesteld waarbij de grondstof passief is; bij windenergie is het daarentegen de wind die aktief is en de molen drijft; - de wind ondergaat ook geen transformatie van grondstof naar product : vóór en na contact met de turbine blijven vorm en de materie van de wind dezelfde. 18. Tevergeefs zou men opwerpen dat een windmolen wel als industrie is te aanzien omdat ook een waterzuiveringsstation volgens de Raad van State industrie is. Een waterzuiveringsstation en een windmolen zijn niet vergelijkbaar. In een waterzuiveringsstation worden wel handelingen gesteld op het afvalwater. Er grijpt een industrieel proces plaats waarbij het afvalwater wordt gezuiverd, dit wil zeggen dat het water als afvalstof wordt verwerkt, zodat aan het einde van de cyclus er ander, zuiver, water resteert. Bij een windmolen is er van verwerking van een (afval)stof geen sprake. VII-32.799-8/20 19. Even tevergeefs zou men opwerpen dat een windmolen wel als industrie is te aanzien omdat electriciteit het product kan zijn van een industrieel proces. Dit kan misschien zo zijn wanneer fossiele brandstoffen en splijtstof worden verwerkt en omgezet in warmte en zo in electriciteit, maar niet bij het winnen van electriciteit uit windenergie. De materiële wetgever onderkent trouwens zelf dit onderscheid in electriciteitsproductie. In het besluit van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning leest men welke werken onderworpen zijn aan een dossiersamenstelling voor technische werken. Onder hoofdstuk III - enerzijds ... - anderzijds ... Hieruit blijkt dat bij een windmolen van verwerking van een stof (industrie) geen sprake is. Een windmolen verwerkt geen grondstoffen maar verwekt energie, wat wezenlijk iets anders is. 20. De overheid weet zelf maar al te goed dat een windmolen in principe niet thuishoort in industriegebied maar in een andere gebied, met name in gebied voor gemeenschapsvoorziening of een nutsvoorziening. a. In de omzendbrief EME/2000.01 bevoorrading van woningen en bedrijven)' ... b. De omzendbrief inzake windmolens van het Waalse gewest, vrij vertaald : Aard van voorziening van openbaar nut of gemeenschapsvoorziening van de windmolens. Windmolens vormen, zoals is aangetoond in bijlage, voorzieningen van openbaar nut op gemeenschapsvoorzieningen. Immers, de productie van groene stroom afkomstig van windenergie beoogt een sociale behoefte te voldoen en draagt bij tot de vermindering van broeikas- effecten en zo aan het algemeen belang, nagestreefd zowel op europees vlak als op het vlak van het Waalse gewest. Deze kwalificatie is van bijzonder belang voor de regels inzake zonering die de inplanting van windmolens op Waalse bodem beheersen. De voorkeurzones voor de inplanting van windturbines in het Waals gewest zijn de volgende : zones voor openbaar nut en gemeenschapsvoorziening : zone bij uitstek in de mate de inplanting verenigbaar is met de activiteiten van openbaar nut die aanwezig zijn in de betrokken zone. 21. In een recente stedenbouwkundige vergunning afgeleverd op18 maart 2004 aan de c.v. BEAVENT worden twee windturbines vergund in ontginningsgebied VII-32.799-9/20 met nabestemming zone voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen. In de beslissing stelt de minister van ruimtelijke ordening : zieningen en voor openbare nutsvoorzieningen, net omdat ze zo'n openbare nutsvoorziening zijn'. 22. Tevergeefs zou men opwerpen dat volgens de omzendbrief EME//2000.01 windmolens ook in andere gebieden, waaronder industriegebieden, kunnen worden ingeplant. a. Vooreerst is het niet omdat de omzendbrief van oordeel zou zijn dat wind- molens wel kunnen in industriegebied dat dit ook wettelijk is. Een omzendbrief is niet normatief en kan het inrichtingenbesluit van 28 december 1972 niet herschrijven. Het valt niet uit te sluiten dat de omzendbrief onwettige richtlijnen meegeeft aan de ambtenaren. b. Bovendien zegt de omzendbrief niet hoe windmolens in industriegebied kunnen worden opgericht. Dit zou zonevreemd enkel kunnen mits naleving van artikel 43 van het gecoördineerd stedenbouwdecreet, dat in casu niet werd toegepast. Besluit. Het middel is ernstig"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daar tegenover het volgende stelt : "In een eerste middel werpen verzoekers de schending op van artikel 2 van het decreet van 22 oktober 1996 op de ruimtelijke ordening. Daarnaast beweren verzoekers ook nog dat het bestreden besluit het gewestplan Roeselare-Tielt (KB 17 december 1979) en de artikelen 7.2.0 en 8.2.1.2 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen schendt. De percelen waarop de twee windturbines zijn voorzien, zijn gesitueerd in een zone voor milieu-belastende industrie. Aangezien er geen specifieke zone is aangeduid voor het plaatsen van windturbines moet er een afweging gemaakt worden aan de hand van de verschillende specifieke elementen van de aanvraag. In casu heeft de Bestendige Deputatie deze afweging gemaakt en is zij tot de conclusie gekomen dat de aanvraag, meer bepaald het plaatsen van 2 windturbines in het industriegebied voor milieubelastende industrie, verenigbaar is met de bestemming van dit gebied. Bovendien wordt in de omzendbrief EME/2000.01 gingskader te voorzien inzake windturbines. Aangezien de vraag naar windener- gie stijgt, is de overheid verplicht om een oordeel te vellen over de inplanting van windturbines. In afwachting van een specifiek wettelijk kader biedt deze omzendbrief een oplossing met een aantal richtlijnen. Volgens verzoekers zijn de windturbines niet zone-eigen en horen ze thuis in een zone voor gemeenschaps- en algemene nutsvoorzieningen. De Bestendige Deputatie kan zich niet vinden in die redenering. Het is namelijk niet omdat een bepaalde activiteit een zeker openbaar nut heeft dat dit niet zou thuishoren op VII-32.799-10/20 industrieterrein. Zowat alle grootschalige RWZI’s van Aquafin staan op industrieterrein en er is de Bestendige Deputatie geen enkel arrest van de Raad van State bekend waarin gesteld wordt dat dergelijke installaties (die onmiskenbaar openbaar nut vertonen) niet zouden thuishoren op een industrieterrein. Verzoekende partij werpt op dat dergelijke inrichtingen niet vergelijkbaar zijn. De Bestendige Deputatie beweert echter niet dat het dezelfde inrichtingen betreft, ze wenst er wel op te wijzen dat het, net als bij windmolens, milieuvergunningsplichtige inrichtingen betreft die omwille van hun intrinsieke aard zeker thuishoren in industrieterreinen. Dit staat ook expliciet zo vermeld in de toepasselijke omzendbrief. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat de milieuvergunningsaanvraag wel degelijk stedenbouwkundig kan verantwoord worden. De Bestendige Deputatie wijst er ook nog op dat op 09/08/2004 Arohm de corresponderende stedenbouwkundige vergunning heeft verleend. De Bestendige Deputatie schaart zich achter de daarin aangevoerde stedenbouwkundige motivatie. Verzoekers maken er in hun verzoekschrift melding van dat zij tegen deze stedenbouwkundige vergunning een schorsings- en annulatieberoep zullen aantekenen. De Bestendige Deputatie vindt het dan ook logisch dat voor wat betreft de beoordeling van de stedenbouwkundige aspecten in de eerste plaats moet gekeken worden naar de procedure inzake die stedenbouwkundige vergunning. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat dit middel niet ernstig te noemen is"; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij het volgende uiteenzet : "(...) 1. De percelen waarop de twee windturbines zullen worden geplaatst zijn gelegen in een zone voor milieubelastende industrie. Derhalve dient beoordeeld te worden of de vestiging van de betrokken windturbines verenigbaar is met artikel 7.2.0. en artikel 8.2.1.2. van het K.B. van 28 december 1972. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de betrokken windturbines niet als zone-eigen zouden kunnen worden opgericht in voormelde zone. Aangezien er geen grondstoffen worden verwerkt tot producten kan er volgens de verzoekende partijen geen sprake van zijn dat windturbines als een industrieel bedrijf zou worden beschouwd in de zin van artikel 7.2.0. van voormeld K.B. 2. In een omzendbrief van 8 juli 1997 m.b.t. de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen werd er toelichting gegeven bij het koninklijk besluit van 28 december 1972 dat in casu dient toegepast te worden. Met betrekking tot artikel 7.2.0. kan er in voormelde omzendbrief het volgende worden gelezen : lijke bedrijven in het algemeen. In het bijzonder moeten die industrieën en ambachtelijke bedrijven in het industriegebied worden ondergebracht, die moeten worden afgezonderd van de andere bestemmingen wegens hun aard of wegens economische en sociale redenen, of omdat deze bedrijven niet behoren tot de normale uitrusting van andere gebieden. Wat onder het begrip kundig niet nader bepaald, zodat het begrip in zijn spraakgebruikelijke betekenis dient te worden begrepen, met name bedrijven waar grondstoffen worden verwerkt, of nog productief-technische bedrijven, (...)'. VII-32.799-11/20 In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren in hun verzoekschrift tot schorsing dekt de term Welnu, er kan niet worden betwist dat een windturbine een productief-technisch bedrijf is waar elektriciteit wordt geproduceerd. 3. Ook de bevoegde stedenbouwkundige overheid is die mening toegedaan, aangezien in de stedenbouwkundige vergunning van 9 augustus 2004 het volgende kan worden gelezen : teit te beschouwen en zijn derhalve in overeenstemming met de planologi- sche bestemming'. 4. Ook uit de Immers onder punt 5. van de betrokken omzendbrief waarin voor een overgangsperiode een aantal niet-bindende richtlijnen worden gegeven, blijkt dat een aantal gebieden in principe in aanmerking komen voor windturbines. Onder de bestemmingsgebieden zoals opgesomd in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen komen aldus industriegebieden, gebieden voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine- en middelgrote onderne- mingen in aanmerking voor het plaatsen van windturbines. Meer in het bijzonder vermeldt punt 5.1. : - industriële bestemmingen (industriegebied, KMO-gebied, zeehaven- en havengebied. (locaal of regionaal) bedrijventerrein,...). (...) - gebieden voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen; 5.2. Individuele windturbines of clusters tot 3 windturbines 5.2.1. Locatie in bestemmingsgebieden opgesomd in 5.1. (...)'. Ook uit voormelde omzendbrief kan derhalve evenmin worden afgeleid dat een windturbine in industriezone als een zonevreemde constructie zou dienen beschouwd te worden. 5. Ook uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat windturbines wel degelijk in industriezone kunnen worden opgericht omdat zij industriële constructies zijn. Zo kan in de arresten 125.229, 125.230 en 125.231 van 7 november 2003 het volgende worden gelezen : De Raad van State aanvaardt deze stelling door de verwerende partij gedaan in voormelde zaken en herneemt ze in het dispositief van de betrokken arresten. Verzoekende partij in tussenkomst doet in aansluiting bij voormelde rechtspraak van de Raad van State gelden dat er in de praktijk een groot aantal windturbines werden vergund en opgericht in industriezones. VII-32.799-12/20 Bij wege van voorbeeld kunnen vermeld worden : Pathoekeweg Dudzele (windturbines Electrabel); Gotevlietstraat Dudzele (windturbines Electrawinds); Zedelgem (windturbines Electrawinds);Wondelgem (windturbines Electrabel) Rodenhuize (windturbines Electrabel); Schelle (windturbines Electrabel); Zandvlietsluis (windturbines VLEMO), etc... Derhalve kan worden aangenomen dat ook in onderhavige zaak dient aanvaard te worden dat windturbines als industriële constructies te beschouwen zijn die verenigbaar zijn met de zone waarin zij worden opgericht en aldus als zone-eigen dienen te worden beschouwd. 6. Het feit dat in een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd op 18 maart 2004 windturbines ook worden beschouwd als zijnde openbare nutsvoorzieningen die ook kunnen worden opgericht in een zone voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen, betekent nog niet dat windturbines uitsluitend in die zones zouden kunnen worden opgericht. Uit de omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen van 8 juli 1997 wordt overigens met betrekking tot voormelde voorzieningen gesteld dat daaronder dient begrepen te worden In onderhavige zaak is zulks geenszins het geval aangezien verzoekende partij in tussenkomst wel degelijk winst nastreeft met het exploiteren van voormelde windturbines. Met de verzoekende partijen kan dan ook geenszins aangenomen worden dat de betrokken windturbines uitsluitend in een zone voor gemeenschapsvoorzie- ningen zouden kunnen opgericht worden. Uit al hetgeen voorafgaat blijkt dat de windturbines in een industriegebied weldegelijk in zone-eigen gebied worden opgericht. Het eerste middel is dan ook niet ernstig"; 3.1.4. Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen na een stilzwijgend -en dus verondersteld gunstig- advies van de afdeling ROHM; dat op 9 augustus 2004 de stedenbouwkundige vergunning werd verleend; dat het vermoeden van wettigheid van deze vergunning nog niet werd ontkracht; dat het op het eerste gezicht niet evident is dat de bestreden beslissing het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen zou hebben geschonden; dat overigens niet blijkt dat de aanvraag kennelijk onverenigbaar is met de stedenbouwkundige planologische bepalingen, zelfs indien het gaat om constructies die om reden van de evolutie van de technologie verschillend kunnen zijn van wat in het verleden doorging als typisch industriële constructies; dat artikel 20 van het voornoemd koninklijk besluit van 28 december 1972 bepaalt dat bouwwerken voor gemeenschapsvoorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden kunnen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; dat naar VII-32.799-13/20 luid van artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de overheden die moeten beslissen over milieuvergunningsaanvragen bij het verlenen van de milieuvergunningen onder bepaalde voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan; dat de verzoekende partijen niet aanvoeren dat die voorwaarden te dezen niet zouden zijn vervuld, noch dat de bestreden beslissing op dit vlak door een motiveringsgebrek is aangetast; dat het middel, waarin artikel 43, § 7, van het voornoemde gecoördineerde decreet niet uitdrukkelijk geschonden wordt genoemd, niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van wet betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, van het materiële motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel, "eerste onderdeel: onjuiste motivering doordat de bestreden vergunning de inrichting op het vlak van de slagschaduw vergunbaar acht omdat de inrichting een sensor en meetsysteem zou bevatten die de turbine in pause schakelt als deze meer dan 50 seconden hinderlijk zonlicht constateert ter voorkoming van slagschaduw terwijl dit feitelijk niet het geval is zodat de vergunning van de verkeerde premissen is uitgegaan, derhalve onjuist is gemotiveerd en daardoor ook onzorgvuldig is tot stand gekomen; terwijl de formele en materiële motivering juist moet zijn en de bestreden beslissing zorgvuldig moet zijn tweede onderdeel: onduidelijke motivering doordat de bestreden beslissing stelt dat volgens 30 uur slagschaduw/jaar een (te tolereren) limiet zou zijn maar nergens de bron of vindplaats van deze norm wordt meegedeeld terwijl de formele en materiële motiveringsplicht vereisten dat de elementen die bij de beoordeling van de zaak van doorslaggevend belang zijn voor de bestuurde kenbaar en verifieerbaar zijn"; dat het middel als volgt wordt toegelicht : "Eerste onderdeel 23. De bestreden beslissing stelt : dat het detectiesysteem voor slagschaduw een signaal doorstuurt naar de controller van de turbine onder volgende condities: - in de periode van het jaar en dag en uur waar hinder kan optreden voor een bepaalde woning -als de felheid van de zon dermate is dat het verschil in lichtsterkte door slagschaduw als hinderlijk wordt ervaren. Dat het meetsysteem de windturbine in pause schakelt als deze condities meer dan 50 seconden aanhouden; dat de turbine weer zal opstarten als het meetsysteem gedurende 50 seconden geen hinderlijk zonlicht meer VII-32.799-14/20 constateert; dat al deze meldingen worden opgeslagen in de log van de turbine'. De bestreden beslissing gaat er aldus van uit dat er effectief een detectiesysteem en een sensor tot de vergunde inrichting zou behoren en dat indien de 30 uur slagschaduw op jaarbasis wordt overschreden, de windmolens effectief in pause zouden schakelen. Dit is nochtans niet zo. In het aanvraagdossier leest men in bijlage 18 slagschaduwstudie : Met andere woorden, de vergunde windmolens omvatten momenteel geen sensor voor slagschaduw noch een systeem dat automatisch in pause schakelt. Ook in het advies van de provinciale milieuvergunningscommissie leest men dat de exploitant slechts De vergunning stelt dat de van 30 uur per jaar wordt overschreden. Wie zal oordelen Verzoekers zijn met de huidige vergunning volledig aangewezen op de goede wil van de exploitant. De motivering is onjuist en de beslissing onzorgvuldig genomen. Het eerste onderdeel van (het) tweede middel is ernstig. Tweede onderdeel 24. De bestreden beslissing stelt : - voor woningen in woongebied de slagschaduw op jaarbasis max. 11 uur bedraagt - voor woningen in industriegebied de slagschaduw op jaarbasis max. 53 uur bedraagt. Dat internationale normen een limiet van 30 uur slagschaduw/jaar voorstelt'. Gevolg aan deze vaststelling (sic) wordt volgende bijzondere voorwaarde opgelegd : eerste exploitatiejaren de effectieve tijd en periodes, dat de windturbines worden stilgelegd ter voorkoming van slagschaduw, worden samengevat. Dit geldt voor alle woningen en bureelgebouwen waarbij zonder monitoring een overschrijding van 30 uur slagschaduw op jaarbasis zou zijn. Dit rapport moet worden opgestuurd naar de milieuvergunnende overheid en de Afdeling Milieuvergunningen, buitendienst West-Vlaanderen'. Vermits de limiet van 30 uur slagschaduw/jaar in een bijzonder(
  2. e)voorwaarde wordt verwerkt, spreekt het voor zich dat (...) deze norm van groot belang is. Verzoekers hebben er echter het raden naar waarom zij 30 uur slagschaduw per jaar zouden moeten tolereren? Zij kennen geen enkele en de bestreden beslissing vermeldt noch de bron noch de vindplaats van deze zogenaamde norm. De motieven van de bestreden beslissing zijn aldus niet kenbaar. De zogenaamde norm van 30 uur kan evengoed willekeur zijn. VII-32.799-15/20 Het tweede onderdeel van het middel is ernstig"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : In een eerste onderdeel stellen verzoekers dat de motivering onjuist is. Verzoekende partij gaat ervan uit dat de windturbines niet zullen voorzien worden van een sensor voor slagschaduw. Deze veronderstelling halen ze uit het aanvraagdossier, nochtans is tijdens de procedure duidelijk gebleken dat de aanvrager wel degelijk bereid is om een sensor te plaatsen. Dit is bovendien vereist wil de exploitant aan de zevende bijzondere voorwaarde kunnen voldoen. Daarin wordt namelijk opgelegd dat er gedurende de 2 eerste exploitatiejaren een rapport moet opgesteld worden waarin duidelijk wordt opgenomen wat de effectieve tijd en de periodes zijn dat de windturbines worden stilgelegd ter voorkoming van slagschaduw. Dit geldt bovendien voor alle woningen en bureelgebouwen waarbij zonder monitoring een overschrijding van 30 uur slagschaduw op jaarbasis zou zijn. Wil de aanvrager gebruik maken van de bestreden beslissing dan moeten de windturbines voorzien zijn van een sensor en moet gedurende de 2 eerste exploitatiejaren een rapport opgesteld worden. De bewering dat de motivering van het bestreden besluit onjuist zou zijn gaat dus niet op. Het tweede onderdeel stelt dat de motivering onduidelijk is. Verzoekers beweren dat zij 30 uur slagschaduw per jaar moeten verdragen en stellen dat dit evengoed willekeur kan zijn. Eerst en vooral wil de Bestendige Deputatie toch de opmerking maken dat de bovengenoemde omzendbrief inzake slagschaduw stelt dat de partijen zich op meer dan 250m van de windturbines verwijderd. Bijgevolg is het bestreden besluit een stuk strenger dan de omzendbrief, aangezien er een maximaal aantal uren slagschaduw van 30 uur per jaar wordt opgelegd. Bovendien werd het aspect van de slagschaduw wel degelijk bestudeerd en dit leidde tot de volgende conclusies, die trouwens expliciet weergegeven werden in de bestreden beslissing : - in de periode van het jaar en dag en uur waar hinder kan optreden voor een bepaalde woning - als de felheid van de zon dermate is dat het verschil in lichtsterkte door slagschaduw als hinderlijk wordt ervaren. Dat het meetsysteem de windturbine in pause schakelt als deze condities meer dan 50 seconden aanhouden; dat de turbine weer zal opstarten als het meetsysteem gedurende 50 seconden geen hinderlijk zonlicht meer constateert; dat al deze meldingen worden opgeslagen in de log van de turbine; Overwegende dat een simulatie leert dat : VII-32.799-16/20 - voor woningen in woongebied de slagschaduw op jaarbasis max. 11 uur bedraagt - voor woningen in industriegebied de slagschaduw op jaarbasis max. 53 uur bedraagt. Dat internationale normen een limiet van 30 uur slagschaduw/jaar voorstelt; Overwegende dat er zonder monitoring 2 woningen zijn waarbij er een overschrijding is van deze limiet; dat bureelgebouwen niet zijn opgenomen in de studie; dat de exploitant bereid is om sensoren te plaatsen; dat ook de bureelgebouwen dienen in rekening te worden gebracht; Dat het aangewezen is dat de exploitant een rapport opstelt, waarbij gedurende de 2 eerste jaren, de effectieve tijd en periodes, dat de windturbines worden stilgelegd ter voorkoming van slagschaduw, worden samengevat; Dat voor het beperken van het flikkereffect de windturbines met een matte grijze verf worden bedekt'; De Bestendige Deputatie was dan ook gerechtigd om uit bovenstaande af te leiden dat slagschaduw geen weigeringsmotief is. Er is de Bestendige Deputatie geen uitspraak van de Raad van State bekend waarin de Bestendige Deputatie verplicht wordt om studies van experten en adviezen van technisch bevoegde administraties zelf nog eens na te pluizen, louter en alleen omdat bepaalde omwonenden principiële bezwaren hebben geuit. Het weigeringsbesluit in eerste aanleg bevatte op dit punt ook geen concrete argumenten. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat slagschaduw geen dwingend weigeringsmotief is. De Bestendige Deputatie wil verder blijven erop toezien dat zowel qua veiligheid als qua slagschaduw de effectieve uitbating binnen de vooropgestelde normen en studies gebeurt. Daarom heeft de Bestendige Deputatie een systeem van monitoring voorzien. Dit wil helemaal niet zeggen dat de Bestendige Deputatie pas dan bepaalde conclusies zal nemen; die heeft de Bestendige Deputatie immers nu al genomen, en de Bestendige Deputatie wil het hier nogmaals herhalen : de exploitant kan aantonen dat windmolens veilig en op een aanvaardbare manier kunnen uitgebaat worden. Met haar monitoring wil de Bestendige Deputatie de exploitant dwingen om als De Bestendige Deputatie ziet niet in wat hier verkeerd aan is. Ook dit tweede onderdeel is niet ernstig. De Bestendige Deputatie is dan ook van oordeel dat dit middel evenmin ernstig te noemen is"; 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij het middel als volgt weerlegt : "1. De in het middel opgeworpen artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de formele motiveringsplicht zijn in casu niet toepasselijk. Art. 6 van voormelde wet luidt immers : De artikelen 50, 3/ en 52, 3/ van VLAREM I bepalen duidelijk dat de uitspraak over een beroep tegen een beslissing over een VII-32.799-17/20 milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing moet omvatten over de aanspraken of de bezwaren die door de indieners van het beroep werden geformuleerd. In de rechtspraak van de Raad van State wordt deze specifieke motiveringsplicht strenger geacht dan de algemene formele motiveringsplicht (R.v.St., DEBUS en DUCHATELET, nr. 48.136, 23 juni 1994; R.v St., nv UNION MINIERE, nr. 49.650, 13 oktober 1994; R.v.St., CLAESSENS, nr. 57.585, 18 januari 1996; R.v.St. bvba IVR, nr. 66.076, 24 april 1997; R.v.St., COENE, nr. 73.379, 13 april 1998; R.v.St., CLAESSENS, nr. 63.326, 28 november 1996; R.v.St., VAN ESCH, nr. 75.668, 3 september 1998 ; R.v.St., vzw WIJKCOMITE GEUZEN VELDEN, nr. 57.816, 25 januari 1996; R.v.St. cv INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN, nr. 70.168,11 december 1997). Aangezien de ingeroepen bepalingen van voormelde wet derhalve niet toepasselijk zijn, gelet op de strengere eisen gesteld door de artikelen 50 en 52 van VLAREM I, kan het middel bezwaarlijk als ernstig worden beschouwd. 2. Ten overvloede dient nog vastgesteld te worden dat de motivering in de beslissing wel degelijk juist en duidelijk is. De verzoekende partijen gaan er ten onrechte van uit dat de sensor voor slagschaduw niet zal worden aangebracht. De 7de bijzondere voorwaarde zoals vermeld in de bestreden beslissing vermeldt nochtans ondubbelzinnig dat de exploitant een rapport moet opstellen, waarbij gedurende de twee eerste exploitatiejaren, de effectieve tijd en periodes, dat de windturbines worden stilgelegd ter voorkoming van slagschaduw worden samengevat. Dit geldt voor alle woningen en bureelgebouwen waarbij zonder monitoring een overschrijding van 30 uur slagschaduw op jaarbasis zou zijn. Dit rapport moet worden opgestuurd naar de milieuvergunnende overheid en afdeling milieuvergunningen, buitendienst West-Vlaanderen. Gelet op het bestaan van deze bijzondere voorwaarde zal de exploitant alleszins een sensor dienen aan te brengen wil hij aan die bijzondere voorwaarde kunnen beantwoorden. Verzoekende partij in tussenkomst zal deze sensor dan ook moeten aanbrengen. Het middel dat geput is uit de afwezigheid van die sensor berust dan ook op een beoordelingsvergissing in feite. Tenslotte verwijten de verzoekende partijen de bestreden rechtshandeling eveneens de limiet van 30 uur slagschaduw per jaar niet te verduidelijken, althans niet wat de vermelding van de internationale norm betreft die daaraan ten grondslag zou liggen. In het kader van de beoordeling van dit onderdeel van het middel dient er vooreerst te worden vastgesteld dat de omzendbrief EME/2000.1 Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines m.b.t. slagschaduw stelt dat : Aangezien in onderhavige zaak de minimale afstand tot de verzoekende partijen meer dan 250 m van de windturbines bedraagt, hoefde de betrokken beslissing eigenlijk geen rekening te houden met de betrokken slagschaduw. Door dit in de beslissing toch te doen, heeft zij aldus meer gedaan dan hetgeen de omzendbrief terzake oplegde. Daarnaast dient vastgesteld te worden dat de motiveringsplicht slechts de verplichting inhoudt tot het vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De Raad van State heeft evenwel geoordeeld dat uit de betrokken wetgeving niet kan worden afgeleid dat de verwijzing in een bestuurshandeling naar een wet VII-32.799-18/20 of reglement altijd gepaard moet gaan met het vermelden van de precieze artikelen of het opschrift van de regelgeving (R.v.St., BRUYNEEL, nr. 44.948 van 18 november 1993; R.v.St., BOLS, nr. 48.539 van 12 juli1994). Het volstaat dat uit de terminologie van de beslissing met zekerheid kan worden afgeleid om welke maatregelen het gaat. Aangezien in casu duidelijk wordt verwezen naar de inhoud van de betrokken normering zelf met name dat er uitgegaan wordt van een maximum van 30 uur slagschaduw per jaar, weten de betrokkenen van de kwestieuze beslissing, in casu de verzoekende partijen, perfect welk motief er in rechte ten grondslag heeft gelegen aan het nemen van de betrokken beslissing om een bijzondere voorwaarde in de aangevochten akte op te nemen. In de optiek van voormeld aspect van de slagschaduw heeft de verwerende partij een grondige studie van de problematiek verricht hetgeen heeft geleid tot een aantal conclusies die expliciet worden weergegeven in de bestreden beslissing. (zie pagina 4 van de nota van de verwerende partij) Terecht stelt de verwerende partij dan ook dat uit voormelde motivering kon worden afgeleid dat slagschaduw geen weigeringsmotief is in onderhavig geval. Ook het tweede middel is derhalve niet ernstig"; 3.2.4. Overwegende dat in artikel 5 van de bestreden beslissing volgende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd : "7. De exploitant moet een rapport opstellen, waarbij gedurende de 2 eerste exploitatiejaren, de effectieve tijd en periodes, dat de windturbines worden stilgelegd ter voorkoming van slagschaduw, worden samengevat. Dit geldt voor alle woningen en bureelgebouwen waarbij zonder monitoring een overschrijding van 30 uur slagschaduw op jaarbasis zou zijn. Dit rapport moet worden opgestuurd naar de milieuvergunnende overheid en de Afdeling Milieuvergunningen, buitendienst West-Vlaanderen"; dat deze bijzondere voorwaarde noodzakelijkerwijze impliceert dat de windturbines moeten voorzien zijn van een detectiesysteem, opdat de opgelegde monitoring en rapportering zou kunnen worden uitgevoerd; dat uit de omzendbrief EME/2000.01 "Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines", die als toetsingskader kan gelden voor de beoordeling van vergunningsaanvragen inzake windturbines, blijkt dat de invloed van slagschaduw op de menselijke omgeving vanaf een afstand van 150 meter verwaarloosbaar is, terwijl de verzoekende partijen allen op 250 meter of meer wonen of werken; dat voor de beoordeling van de invloed van de slagschaduw op de woningen of werkomgeving van de verzoekende partijen de internationale 30 uren-norm geen rol blijkt te hebben gespeeld zodat niet kan aangenomen worden dat de verzoekende partijen voldoende persoonlijk belang hebben om de bestreden beslissing te laten schorsen op grond van het niet vermelden van de bron of vindplaats van de internationale norm van 30 uur slagschaduw per jaar; dat het middel niet ernstig is; VII-32.799-19/20 4. Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde voorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de c.v.b.a. ELECTRABEL GREEN PROJECT FLANDERS in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december tweeduizend en vier, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-32.799-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.540 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.