id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.579 Rolnummer: A. 133683/XIV-14049 Zaak: Arrest 138579 - - 16/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 16:46 Fiche Arrest nr 138.579 van 16 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.579 van 16 december 2004 in de zaak A. 133.683/XIV-14.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 maart 1962, en XXX, geboren op 29 augustus 1971, beiden van XXX nationaliteit, op 3 maart 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 31 januari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-14.049-1/7 Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 18 oktober 1999 en verklaren zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 16 februari 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 21 juni 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Bij arrest nr. 96.489 van de XIde kamer van de Raad van State van 14 juni 2001 worden de beroepen tegen deze bevestigende beslissingen verworpen. 1.
- Op 18 juli 2001 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 10 oktober 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 18 oktober
- 1.
- Op 21 november 2002 dienen de verzoekende partijen een nieuwe aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. XIV-14.049-2/7 1.
- Op 22 januari 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 31 januari
- Dit is de thans bestreden beslissing waarvan de motieven als volgt luiden: “(...) In toepassing van art. 9, alinea drie, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik u mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): De eerste aanvraag tot regularisatie op basis van art. 9, 3/ van de wet van 15/12/1980 werd reeds onontvankelijk verklaard op 10/10/
- Bij de tweede aanvraag dd. 21/11/2002 werden geen nieuwe elementen aangebracht, bijgevolg blijft de beslissing dd. 10/10/2002 gehand- haafd. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat de vordering tot schorsing geen voldoende uiteenzetting van de feiten bevat die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen; Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; 3.
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 9 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingen- wet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoeren dat zij in hun tweede aanvraag dd. 21 november 2002 wel degelijk nieuwe elementen hebben aangebracht: dat er verklaringen van enkele schepenen en gemeenteraadsleden van H. werden bijgevoegd, dat er verklaringen van leerkrachten, de schooldirecteur en van een vriendje van de kinderen werden neergelegd, waaruit blijkt dat verzoekers en hun kinderen goed geïnte- greerd zijn; dat zij betogen dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom deze stukken niet als nieuwe elementen worden beschouwd die aantonen dat verzoekers hun aanvraag niet in het buitenland kunnen indienen en dat hen een machtiging tot voorlopig verblijf dient te worden toegekend; 3.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te XIV-14.049-3/7 verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 3.
- Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om verzoekers een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of hun aanvraag wel XIV-14.049-4/7 regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die verzoekers hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in hun land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat verzoekers de volgende omstandigheden aanvoeren: - verzoekers zijn geïntegreerd in de Belgische samenleving; - verzoekers zijn van A. origine en hebben angst om naar hun land (K.) terug te keren. Ze hebben er geen woning en bezittingen meer; - verzoekers vrezen voor vervolging en discriminatie door de S. bij het reizen naar de Belgische Ambassade te B. (S.) en hun verblijf aldaar; Overwegende dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hierop het volgende antwoordt : “De eerste aanvraag tot regularisatie op basis van art. 9, 3/ van de wet van 15/12/1980 werd reeds onontvankelijk verklaard op 10/10/
- Bij de tweede aanvraag dd. 21/11/2002 werden geen nieuwe elementen aangebracht, bijgevolg blijft de beslissing dd. 10/10/2002 gehandhaafd.”; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat zij nieuwe elementen hebben aangebracht naar aanleiding van deze tweede aanvraag en dat deze aanvraag dus niet zonder meer opnieuw onontvankelijk kon worden verklaard; Overwegende dat uit een vergelijking van de stukken die werden gevoegd bij beide aanvragen om machtiging tot voorlopig verblijf, die zich in het administratief dossier bevinden, blijkt dat een aantal van de bijgevoegde stukken identiek zijn (brieven van buren en buurtbewoners), en dat de stukken waarvan sprake, met name de verklaring van enkele schepenen en gemeenteraadsleden van H. dd. 12 juli 2001 en een verklaring van een vriendje van de kinderen van dezelfde datum, ook reeds bij de eerste aanvraag werden gevoegd; dat er nieuwe stukken van meer recente datum bij de tweede aanvraag werden gevoegd; dat deze stukken schoolresultaten van de kinderen betreffen en verklaringen van de leerkrachten en de schooldirecteur; dat deze stukken de integratie van verzoekers en hun kinderen betreffen; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken reeds op de hoogte werd gebracht van dit gegeven naar aanleiding van de eerste aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf en dit element heeft beoordeeld in de beslissing tot onontvankelijkheid van 10 oktober 2002, waartegen door verzoekers geen beroep werd ingesteld; dat deze beslissing bijgevolg definitief is; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken bijgevolg in redelijkheid heeft geoordeeld dat bij de tweede aanvraag geen nieuwe elementen werden aangebracht, zodat de XIV-14.049-5/7 beslissing inzake de eerste aanvraag tot regularisatie gehandhaafd blijft; dat de bestreden beslissing gesteund is op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat verzoekers niet uiteenzetten op welke wijze het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden; dat dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-14.049-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-14.049-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.579 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.