← België

Arrest 138580 - - 16/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.580 Rolnummer: A. 120583/XIV-9856 Zaak: Arrest 138580 - - 16/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 16:46 Fiche Arrest nr 138.580 van 16 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.580 van 16 december 2004 in de zaak A. 120.583/XIV-

  1. A In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, A Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 april 1980 en van Marokkaanse nationaliteit, op 29 april 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing tot verwerping van een verzoek tot herziening van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2002, op 29 maart 2002 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; XIV-9856-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op 3 december 1998 is verzoekster België binnengekomen met een visum voor gezinshereniging (adm. doss., stuk 96). Op 14 december 1998 diende verzoekster te Antwerpen - Hoboken een aanvraag tot verblijf in en verzocht er om haar inschrijving (adm. doss., stuk 103). 1.
  4. Op 8 september 1999 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten (adm. doss., stuk 110). Op 18 oktober 1999 diende verzoekster tegen deze beslissing een verzoek tot herziening in (adm. doss., stuk 125). 1.
  5. Op 3 november 1999 werd verzoekster, na intrekking van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in het bezit gesteld van een bijzonder verblijfs- document (bijlage 35), geldig drie maanden vanaf de datum van afgifte. Dit document werd van maand tot maand verlengd totdat op het verzoek tot herziening werd beschikt (adm. doss., stuk 128). 1.
  6. Op 31 oktober 2001 werd door de Commissie van Advies voor Vreemdelingen beslist dat het verzoek diende te worden afgewezen. (adm. doss., stuk 171). 1.
  7. Op 6 maart 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot verwerping van het verzoek tot herziening. Dit is de thans bestreden beslissing. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “(...) VERWERPING VAN EEN VERZOEK TOT HERZIENING Gelet op de artikelen 66 en 67 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-9856-2/5 Gelet op artikel 113, lid 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Gelet op de beslissing tot weigering van verblijf met een bevel om het grondgebied te verlaten, getroffen op 8 september 1999 ten laste vanXXX geboren te Ait-Taa Beni-Bouayach op 08/04/1980 van Marokkaanse nationaliteit, haar betekend op 8 oktober
  8. Gelet op het verzoek tot herziening ingediend op 18 oktober 1999 door betrokkene. Gelet op het advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen van 31 oktober 2001 die besluit dat het verzoek tot herziening ongegrond is : Bespreking “Het debat voor de Commissie heeft aangetoond dat alhier nooit enige effectieve samenwoonst is geweest tussen partijen. Toen XXX in België toekwam (03 december 1998) was haar man reeds opgesloten in de gevangenis sinds 27 mei 1998 wegens ernstige veroordelingen, wat zij minstens had dienen te weten. Pas op 19 februari 2000 gaat zij haar man bezoeken in de gevangenis, dit is eerst 4 maand(en) nadat zij bevel kreeg het land te verlaten (08 oktober 1999). Het bezoek herhaalde zich slechts op 11 maart en 6 mei
  9. Enige betrachting tot werkelijk familieleven is er niet". Besluit: "Het verzoek dient afgewezen te worden. De erkenning van het recht op verblijf werd terecht geweigerd aangezien verzoekster niet voldoet en nooit voldaan heeft aan de voorwaarde van effectieve samenwoonst sinds haar aankomst in België (03 december 1998)." Overwegende dat artikel 10 van bovengenoemde wet de vreemdeling, die wenst beroep te doen op gezinshereniging, oplegt niet alleen de intentie te hebben te komen samenwonen met hun (zijn) echtgenoot, maar effectief en blijvend samen te wonen. Overwegende dat betrokkene's echtgenoot in de gevangenis verbleef, en er aldus niet voldaan werd aan de voorwaarde van samenwoonst. Het verzoek tot herziening is verworpen. In toepassing van artikel 7, al. 1-2/ van voormelde wet, wordt aan de betrokkene bevel gegeven de grondgebieden van België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Spanje, Portugal, Duitsland, Oostenrijk, Griekenland, Italië, Zweden, Denemarken, Finland, Noorwegen en Ijsland te verlaten binnen 15 (vijftien) dagen. (...).”. 2.
  10. Overwegende dat de verzoekster een eerste middel afleidt uit de “schending van het redelijkheidsbeginsel”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster België is binnengekomen met een visum voor gezinshereniging (adm. doss., stuk 96); Overwegende dat op 8 september 1999 de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf neemt, met het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de rechtsgrond van deze beslissing als volgt luidt: “ (...) Gezien de echtgenoot in de gevangenis verblijft, kan er niet voldaan worden aan de voorwaarde van samenwoonst. (...).”; Overwegende dat verzoekster op 18 oktober 1999 tegen deze beslissing een verzoek tot herziening indient, dat op 31 oktober 2001 uitmondt in een negatief advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen; dat op 6 maart 2002 de bevoegde Minister de thans bestreden beslissing neemt; Overwegende dat verzoekster de tijd kreeg om haar situatie eventueel te regulariseren en om daadwerkelijk en effectief samen te leven en te wonen met haar echtgenoot, ook al was de samenwoonst op een bepaald ogenblik problematisch; dat de duur van de procedure in casu het redelijkheidsbeginsel niet schendt en niet kan leiden tot de XIV-9856-3/5 nietigverklaring van de bestreden beslissing, vermits verzoekster inmiddels de kans kreeg om de gezinshereniging effectief te realiseren; dat niet wordt betwist dat zij niet samenleeft met haar echtgenoot; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  11. Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991) en van de artikelen 10, alinea 1,4/, 23 en 62 van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen).”; Overwegende dat, in tegenstelling met wat verzoekster beweert in de verzoekschriften, zij nooit effectief heeft samengewoond, laat staan samengeleefd met haar echtgenoot die voor verschillende zware misdrijven gevangenisstraffen uitzit; dat al mocht verzoekster bij haar binnenkomst in het Rijk de bedoeling hebben gehad om met haar echtgenoot samen te wonen, het samenwonen met haar echtgenoot nooit werd vastgesteld, zodat niet werd voldaan aan de voorwaarde van een verblijf van meer dan drie maanden; dat dit aspect nauwkeurig werd onderzocht door het Auditoraat aan de hand van de stukken van het administratief dossier; dat hiertoe wordt verwezen naar bladzijde tien van het Auditoraatsverslag, die bij deze als uitdrukkelijk herhaald wordt beschouwd; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 2.
  12. Overwegende dat verzoekster een derde middel afleidt uit de schending van “art. 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.).”; Overwegende dat artikel 8 van het E.V.R.M. in casu niet toepasselijk is, vermits verzoekster nooit effectief heeft samengewoond met haar echtgenoot; dat dit middel bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9856-4/5 BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-9856-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.