← België

Arrest 138582 - - 16/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.582 Rolnummer: A. 158228/XII-4321 Zaak: Arrest 138582 - - 16/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 16:46 Fiche Arrest nr 138.582 van 16 december 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.582 van 16 december 2004 in de zaak A. 158.228/XII-

  1. In zake : Wilhelmus KETELAARS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Wendrickx, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18 A tegen :
  2. de BURGEMEESTER VAN DE STAD ANTWERPEN,
  3. de STAD ANTWERPEN, die woonplaats kiezen bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wilhelmus Ketelaars op 8 december 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 22 november 2004 van de burgemeester van Antwerpen waarbij wordt verboden in het handelspand “Savannah”, De Coninckplein 16 te Antwerpen, enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen gedurende een termijn van 90 dagen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 december 2004, om 10.30 uur, op welke datum de zaak in voortzetting is uitgesteld tot de terechtzitting van 16 december 2004 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Wendrickx, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Deridder, die loco advocaat Chr. Coen verschijnt voor de verwerende partijen; XII-4321-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in een “administratieve akte” van 22 september 2004 de politie aan de burgemeester van de stad Antwerpen voorstelt “om in het kader van artikel 134 Quater van de Nieuwe Gemeentewet over te gaan tot de sluiting van de instelling Savannah, gelegen De Coninckplein 16 te 2060 Antwerpen, voor een periode van 3 maanden teneinde de openbare orde en rust te vrijwaren”; dat daartoe inzonderheid wordt verwezen naar een rist processen-verbaal en bestuurlijke verslagen, waarvan de inhoud kort wordt aangegeven; dat verzoeker, uitbater van het bedoelde café Savanne, met brief van 21 oktober 2004 wordt uitgenodigd om zijn “standpunt over de zaak” kenbaar te maken; dat hij dat mondeling doet op 28 oktober 2004 en schriftelijk bij brief van 9 november 2004; dat op 22 november 2004 de burgemeester op grond van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet de bestreden beslissing neemt; Overwegende dat verwerende partijen de ontvankelijkheid van de vordering betwisten omdat het verzoekschrift geen melding maakt van het ondernemingsnummer van verzoeker; Overwegende dat verzoeker, binnen de termijn die hem daartoe overeenkomstig artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen door de Raad van State is verleend, het bewijs heeft bijgebracht van de inschrijving van zijn onderneming, op de datum van de inleiding van zijn vordering, in de kruispuntbank van ondernemingen; dat de exceptie verworpen wordt; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te XII-4321-2/7 herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aang- evoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden; Overwegende, met betrekking tot de eerste en tweede voorwaarde, dat verzoeker uiteenzet dat zijn handelsuitbating zijn enige vorm van inkomsten is, dat hij geconfronteerd wordt met vaste maandelijkse kosten die hij niet zal kunnen betalen, dat het voortbestaan van de uitbating in het gedrang zal komen, dat hij een blijvend cliëntenverlies riskeert en ook een moreel nadeel ondergaat ten gevolge van reputatieschade; Overwegende dat verwerende partijen aangaande de uiterst dringende noodzakelijkheid in de nota repliceren dat verzoeker meer dan vijftien dagen heeft laten verstrijken alvorens zijn verzoekschrift in te dienen, dat dit te lang is en dat op geen enkele wijze wordt aangegeven waarom een gewone schorsings- procedure niet tot het beoogde resultaat kan leiden; dat zij aangaande het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betogen dat de vaste kosten van verzoeker “eerder bescheiden” zijn, dat niet blijkt dat de handelsactiviteit na de opgelegde sluitings- periode onmogelijk kan worden hervat, dat een verspreiding van het bestaande cliënteel over andere cafés weinig waarschijnlijk is, en dat de beweerde reputatie- schade niet wezenlijk op de aangevochten beslissing teruggaat; Overwegende dat verzoeker in een precaire financiële situatie verkeert; dat hem precies om die reden door het bureau voor juridische bijstand een raadsman is toegewezen; dat in die omstandigheden aannemelijk is dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing gedurende drie maanden niet in staat zal zijn de vaste maandelijkse kosten te betalen; dat dit het voortbestaan van zijn handelsonderneming kan bedreigen; dat verzoeker riskeert een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden; dat een schorsing volgens de gewone procedure normaal gezien niet tijdig genoeg zou zijn om hem voldoende adequaat voor de verwezenlijking van dat nadeel te behoeden; Overwegende dat het bestaan van de uiterst dringende noodzake- lijkheid en van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet wordt tegengesproken door de houding van verzoeker; dat verzoeker geen nodeloos getalm kan worden verweten; dat de bestreden beslissing op 23 november 2004 aan hem werd betekend; dat hij zich niet zonder spoed tot het bureau voor juridische bijstand heeft gewend; dat het bureau de aangewezen raadsman met brief van 2 december 2004 van de XII-4321-3/7 aanstelling op de hoogte heeft gebracht; dat de betrokken advocaat de vordering heeft ingediend de derde dag nadat zij van het schrijven kennis nam; Overwegende dat aan de eerste en tweede voorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is; Overwegende, met betrekking tot de derde voorwaarde, dat verzoeker twee middelen aanvoert; dat een eerste middel is afgeleid uit de schending van de formele motiveringsverplichting en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij de bestreden beslissing in een eerste onderdeel verwijt op “irrelevante en onbekende verwijzingsstukken” te steunen, namelijk op klachten en klachtbrieven “waarin verzoekende partij niet eens voorkomt”, en op vaststellingen door de politie die verzoeker niet ter kennis zijn gebracht; dat in een tweede onderdeel wordt aangeklaagd dat de burgemeester zich van stijlformules heeft bediend, aangezien de “afweging van de belangen” en de “verantwoording van de maatregel” in de bestreden beslissing nagenoeg identiek zijn aan de “afweging van de belangen” en de “verantwoording van de maatregel” in de beslissing van 1 augustus 2003 tot sluiting van het handelspand “In de soete naem Jesus”; Overwegende dat de bestreden sluiting wezenlijk lijkt te berusten op de processen-verbaal en bestuurlijke verslagen waarvan sprake in de administratieve akte van 22 september 2004; dat verzoeker niet betwist dat tenminste die processen-verbaal en verslagen relevant zijn; dat hun inhoud kort, maar op het eerste gezicht voldoende begrijpelijk is omschreven in de voormelde administratieve akte; dat verzoeker van deze administratieve akte een afschrift heeft gekregen; dat hem zodoende op het eerste gezicht ook de inhoud van de processen-verbaal en bestuurlijke verslagen is meegedeeld; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende dat het tweede onderdeel van het middel hierop steunt dat een gedeelte van de motivering van de bestreden beslissing zo goed als letterlijk terug te vinden is in een eerdere beslissing van de burgemeester ten opzichte van een ander handelspand; dat verwerende partijen dat niet verwonderlijk vinden; dat zij er op wijzen dat de beslissingen gelijkaardige gevallen betreffen van openbare overlast en inbreuken op de openbare orde, rust en veiligheid om reden van gedragingen in en rond een horeca-inrichting; dat zij daar aan toevoegen: “Wanneer de feiten geen pertinente verschillen vertonen, en de rechtsgrond en plicht tot XII-4321-4/7 optreden van tweede verwerende partij dezelfde zijn (artikel 134quater van de Nieuwe Gemeentewet), zou het integendeel merkwaardig zijn wanneer voor hetzelfde noodzakelijke ingrijpen, telkens een volstrekt andere motivering zou worden gegeven”; dat dit verweer overtuigingskracht heeft; dat het in de huidige stand van de procedure niet lijkt op te gaan om uit de besproken gelijkenis ipso facto tot de schending van de formele-motiveringseis en het zorgvuldigheidsbeginsel te besluiten; dat het tweede onderdeel van het middel eveneens niet ernstig is; Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt aangevoerd van “het beginsel van de proportionaliteit en redelijkheid en formele motivering”; dat verzoeker toelicht dat de opgelegde maatregel de eerste is die wordt uitgesproken wegens de beweerde overlast die reeds zou dateren van 2002, dat nooit eerder tegen hem een dergelijke of een lichtere maatregel is getroffen, dat de motivering een nietszeggende typeformulering is, dat er niet uit af te leiden is dat een deugdelijke afweging van de betrokken belangen heeft plaatsgehad, noch dat “zelfs maar een afweging werd gemaakt van minder zwaarwichtige maatregelen”; Overwegende dat verwerende partijen in de nota tegenwerpen dat verzoeker slecht gekomen is om zich er over te beklagen dat geen minder drastische maatregelen zijn genomen, dat, onder meer bij gebrek aan medewerking van verzoeker, een tijdelijke sluiting de enige mogelijkheid was, dat dit ook omstandig is gemotiveerd, dat de duur van de sluiting tot de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester behoort en dat de opgelegde duur niet kennelijk onredelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing de zwaarte van de opgelegde maatregel aldus motiveert: “• het komt de burgemeester toe uit te maken welke maatregel de meest geëigende is om in dit geval de openbare orde te herstellen en te voorkomen dat ze in de toekomst nog kan worden verstoord; • om dat doel te bereiken is het noodzakelijk om een volledige sluiting voor een bepaalde termijn na te streven om effectief de ordeverstoring te doen ophouden; • het café heeft een jarenlange bekendheid en aantrekkingskracht die laat vermoeden dat bij een sluiting voor een korte termijn de situatie zich weer zal voordoen; dit kan de indruk geven dat de handhaving niet krachtdadig genoeg is om te voorzien in een goede politie; de sluiting voor een lange termijn is aldus aangewezen; • in overweging genomen dat betrokkene reeds verschillende malen door de lokale politie werd verwittigd, dat desondanks de overlast komende van de instelling blijft aanhouden waardoor de openbare orde en rust in en rond de instelling niet kan gewaarborgd worden; XII-4321-5/7 • de verstoring van de openbare rust en orde is van die aard dat het op elke dag en nacht van de week en het weekend plaatsvindt, is het aangewezen dat een sluiting van maximum 90 dagen genoodzaakt is”; Overwegende dat de aangehaalde “verantwoording van de maatregel” maar gedeeltelijk overtuigt; dat, meer bepaald, zij dat niet doet in zoverre beslist wordt tot een volledige sluiting voor de maximaal toegelaten termijn; dat tegen de aangevoerde ordeverstoring -al sinds 2002- ten gevolge van de uitbating van café Savanne, nog niet eerder met een effectieve politiemaatregel is opgetreden; dat, voorts, de specifieke motivering van de lange duur van de sluiting er toe beperkt is te verwijzen naar de jarenlange bekendheid en aantrekkingskracht van het café en de daar uit afgeleide vrees dat in geval van een korte sluiting de ordeverstoring zich opnieuw zal voordoen en de burgemeester zich dan niet krachtdadig genoeg zal hebben betoond; dat bijgevolg de burgemeester, staande voor een ruime keuzemoge- lijkheid wat de duur van de sluiting betreft, blijkbaar meteen voor de langste duur heeft gekozen om te vermijden dat hij, naderhand beschouwd, niet krachtdadig genoeg blijkt te zijn geweest; dat alsdan nochtans, wanneer een eerste sluiting niet het gewenste effect mocht sorteren, niets hem zou beletten onverwijld tot een nieuwe sluiting over te gaan; dat in dit licht de bestreden sluiting van drie maanden, die zoals gezien van aard is het voortbestaan van verzoekers uitbating in het gedrang te brengen, niet geacht kan worden op een voldoende evenwichtige afweging te steunen van alle betrokken belangen, inbegrepen dat van verzoeker; dat zij op het eerste gezicht de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat; dat het middel in de aangege- ven mate ernstig is; Overwegende dat ook aan de derde voorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan, BESLUIT: Artikel
  4. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 november 2004 van de burgemeester van Antwerpen, op 26 november 2004 door het college van burgemeester en schepenen bevestigd, waarbij wordt verboden in het handelspand “Savannah”, De Coninckplein 16 te Antwerpen, enige vorm van uitbating of activiteit uit te oefenen gedurende een termijn van 90 dagen. XII-4321-6/7 Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december 2004, door : de H. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-4321-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.582 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.898 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.