← België

Arrest 138587 - - 17/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.587 Rolnummer: A. 78098/X-8072 Zaak: Arrest 138587 - - 17/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 16:48 Fiche Arrest nr 138.587 van 17 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.587 van 17 december

  1. in de zaak A. 78.098/X-
  2. In zake : de n.v. ALUBIS, die woonplaats kiest bij Advocaat N. WEINSTOCK, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, De Roodebeeklaan 45 tegen : het Vlaams Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Frans Halsvest 33, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ALUBIS op 1 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 januari 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen de registratie in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten van een gebouw gelegen te Zaventem, H. Henneaulaan 12, kadastraal bekend Sectie C, nr. 202b2; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd DE WOLF; Gelet op de beschikking van 22 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-8072-1/5 Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. WEINSTOCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat G. BERVOETS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Audi- teur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat het beroep niet ontvankelijk is, dat immers de bestreden beslissing een voorbereidende handeling is, dewelke geen directe rechtsgevolgen heeft en niet noodzakelijk tot een belasting leidt; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de registratie wel degelijk rechtsgevolgen heeft, aangezien de eerste registratie een voorwaarde voor belastingheffing is, dat het derhalve een complexe administratieve handeling betreft; dat zij in haar repliek in haar laatste memorie staande houdt dat het beroep een handeling tot voorwerp heeft die vatbaar is voor vernietiging, dat immers de registratie een beslissende fase van een doorlopende procedure is en gevolgen sorteert ten aanzien van de heffingsplichtige, vermits het beroep dat de belastingplichtige heeft aangetekend tegen de voormelde registratie de vestiging en inning van de belasting niet verhindert; Overwegende dat om ontvankelijk te zijn een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben; dat onder rechtshandeling in de zin van voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijziging te beletten; dat X-8072-2/5 om ontvankelijk te zijn het beroep een handeling tot voorwerp moet hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij; dat aldus enerzijds handelingen die in de loop van een administra- tieve procedure door de overheid worden gesteld met het oog op de totstandkoming van een administratieve rechtshandeling maar die zelf geen rechtsgevolgen hebben, niet voor vernietiging vatbaar zijn -de mogelijke onregelmatigheden waarmee zij zouden zijn aangetast, kunnen wel ontvankelijk worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing- terwijl anderzijds handelingen ter voorberei- ding van een administratieve eindbeslissing die zelf rechtsgevolgen hebben doordat zij onmiddellijk en beslissend de inhoud van de eindbeslissing voor een deel of geheel bepalen en dus een direct en definitief nadeel aan de verzoekende partij berokkenen, wel afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden bestreden; Overwegende dat in casu de nietigverklaring wordt gevorderd van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de verzoekende partij wordt verworpen tegen de registratie van een bedrijfsruimte in de inventaris van leegstaande en/of verwaar- loosde bedrijfsruimten zoals bedoeld in het decreet van de Vlaamse Raad van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van dit decreet blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever is geweest door een geheel van bepalingen de eigenaars van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten ertoe aan te zetten om deze bedrijfsruimten "te recupereren of ze opnieuw op de markt te brengen met eerbied voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied" (Parl. St. Vl. R., 1993-94, 591-1, 2); dat het decreet daartoe onder meer voorziet in een heffing die aan de eigenaars van verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten wordt opgelegd, en waarvan de opbrengst wordt gestort in een zgn. "Vernieuwings- fonds" (art. 15) dat wordt aangewend om nieuwe eigenaars van verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten te financieren (art. 42); dat de Vlaamse regering eveneens machtiging kan verlenen om leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten te onteigenen (art. 50), maatregel die is bedoeld als "ultiem pressiemiddel (...) indien ondanks de heffing niet tot vernieuwing wordt overgegaan" (Parl. St. Vl. R., 1993- 94, nr. 591-1, 23); X-8072-3/5 Overwegende dat de registratie van een onroerend goed in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten een stap is in de bij het decreet vastgelegde administratieve procedure die de voormelde maatregelen (heffing, financiële steun en machtiging tot onteigening) mogelijk maakt; dat de kennisgeving van het registratieattest een verwittiging en een aansporing is voor de betrokkenen om iets te ondernemen; dat de registratie in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg heeft dat een heffing of belasting verschuldigd is en evenmin dat het betrokken goed zal worden onteigend; Overwegende dat krachtens artikel 15, § 1, van het decreet van 19 april 1995 "de heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten en/of verwaarloosde bedrijfsruimten", en dat de heffing betrekking heeft "op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de heffing wordt betekend."; dat zelfs na een tweede opeenvolgende registratie niet automatisch een heffing is verschuldigd, vermits deze krachtens de artikelen 26 juncto 33 van voornoemd decreet pas is verschuldigd nadat ze op naam van een persoon is ingecohierd en nadat de kennisgeving die de grondslag van de heffing bevat en het te betalen bedrag aan diegenen die eraan onderworpen zijn met een aangetekende brief is betekend; Overwegende dat artikel 50 van hetzelfde decreet bepaalt dat "op initiatief van een publiekrechtelijk rechtspersoon of van een lokale overheid die onteigeningsbevoegdheid bezit" de Vlaamse regering machtiging kan verlenen om onroerende goederen die in de inventaris zijn geregistreerd ten algemene nutte te onteigenen, en dat deze onteigening geschiedt overeenkomstig de spoedprocedure bepaald in de "wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigening ten algemene nutte"; dat om tot onteigening te kunnen overgaan aldus een initiatief van een publiekrech- telijk rechtspersoon of van een lokale overheid die onteigeningsbevoegdheid bezit, is vereist, evenals een machtiging van de Vlaamse regering; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de registratie in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten een louter voorbereidende handeling is zonder onmiddellijke nadelige gevolgen; dat zij niet afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden; dat de exceptie van niet ontvankelijkheid van de verwerende partij wordt aangenomen; dat het beroep niet ontvankelijk is; X-8072-4/5 Overwegende dat de verwerende partij bij de betekening van de bestreden beslissing melding heeft gemaakt van "de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State"; dat het in de gegeven omstandigheden past dat de kosten ten laste van de verwerende partij worden gelegd, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien december 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8072-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.