id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.685 Rolnummer: A. 80048/IX-1443 Zaak: Arrest 138685 - - 20/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-04 17:00 Fiche Arrest nr 138.685 van 20 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.685 van 20 december 2004 in de zaak A. 80.048/IX-1443. In zake : Luc VAN BOGAERT, die woonplaats kiest bij advocaten E. VAN DER MUSSELE en Y. VANDEN BOSCH, kantoor houdende te ANTWERPEN, Justitiestraat 18A tegen : 1. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1, 2. de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN, 3. het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van ZWIJNDRECHT, dat woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VAN BOGAERT op 28 augustus 1998 heeft ingediend om “in hoofdorde” de nietigverklaring te vorderen van : 1. de beslissing van 27 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Zwijndrecht waarbij hij bij tuchtmaatregel van ambtswege wordt ontslagen; IX-1443-1/55 2. de beslissing van 5 februari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de voormelde beslissing wordt goedgekeurd; 3. de beslissing van 8 juli 1998 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij eensdeels het beroep van verzoeker tegen de voormelde beslissing van 5 februari 1998 wordt verworpen en anderdeels de voormelde beslissing van 27 november 1997 wordt goedgekeurd; en "ondergeschikt": de niet-goedkeuring te vorderen van de maximumstraf die aan verzoeker bij tuchtmaatregel is opgelegd; Gelet op het arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 27 mei 1999 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2004; IX-1443-2/55 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat E. VAN DER MUSSELE, die eveneens verschijnt voor verzoeker, van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de eerste verwerende partij, van adjunct van de directeur J. VERHULST, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is sinds 1983 als secretaris in dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn - hierna: OCMW- van Zwijndrecht. 1.2. Op 8 september 1997 stelt het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn een tuchtverslag betreffende verzoeker op. Dat tuchtverslag maakt melding van veertien tekortkomingen die ten laste van verzoeker worden gelegd : " 1. het uiten van onterechte beschuldigingen, beledigingen, onterechte woedeuitbarstingen, intimidaties en gebruik van schuttingtaal t.a.v. het personeel en de persoon van de voorzitter van het O.C.M.W. op diverse tijdstippen 2. het verhinderen en opzettelijk saboteren van de goede werking van het O.C.M.W./desorganisatie van de werking IX-1443-3/55 3. agressief gedrag in strijd met de waardigheid van het ambt 4. onwettige afwezigheid op 20 maart 1997 5. nemen van vakantie zonder toestemming, noch medeweten van de voorzitter 6. foutieve notulering van een beslissing van het Vast Bureau/ het niet-uitvoeren van de werkelijk genomen beslissing van het Vast Bureau/ poging om verbintenissen aan te gaan namens het O.C.M.W. zonder dat hiertoe opdracht werd gegeven 7. het bedreigen van Eliane BUYLE ten einde de ondertekening van een gewijzigde personeelsevaluatie te bekomen op 9 april 1997 8. het verplichten van de Heer Etienne THIELENS (gestopt met roken) om 7 sigaretten te roken om de rookdetectoren te testen in het Rusthuis Herleving op 17 april 1997 9. weigering om de agenda's van de vergaderingen van het Vast Bureau van 6 mei en 20 mei 1997 voor te bereiden en voor te leggen aan de Voorzitter 10. weigering om een door de Voorzitter gevraagd schriftelijk voorstel, nl. de doelstelling 1997 van het Sociaal Impulsfonds, op te maken 11. het aanzetten op 16 mei 1997 van de personeelsleden Linda DE POORTERE en Hilde D'HOLLANDER om slechts de taken uit te voeren waartoe de wet hen verplicht en met de heer Luk VAN BOGAERT aan één kant te staan t.o.v. het O.C.M.W.-bestuur 12. niet behoorlijk uitvoeren van de opdracht gegeven door de voorzitter op 15/5/97 m.b.t. een dienstnota inzake het openen van briefwisseling, weigering gevolg te geven aan diverse herinneringen en aanmaningen van de voorzitter desbetreffend en schending van het briefgeheim 13. Op 17/06/97 heeft de heer VAN BOGAERT zonder vooraf de voorzitter van het O.C.M.W. te verwittigen, ondanks duidelijke instructie daartoe dd. 18/03/97, een gesprek gehad met de heren CATRY en VANDENBERGHE van Electrabel vermoedelijk over de aankoop van een personenoproepsysteem. Daarenboven heeft hij hiervoor versnaperingen besteld op kosten van het O.C.M.W. zonder dat bestelbon is getekend noch door voorzitter, noch door VB en uiteraard ook zonder dat dit was goedgekeurd 14. weigering dienstnota's vanwege de voorzitter in ontvangst te nemen". Elk van deze tekortkomingen wordt in het tuchtverslag gepreciseerd door de beschrijving van concrete voorbeelden of van de concrete situatie die aan de tenlastelegging ten grondslag ligt. Luidens het tuchtverslag kunnen de ten laste gelegde feiten worden gekwalificeerd als tekortkomingen aan de plicht die op de secretaris rust om zijn ambt op een loyale en integere wijze uit te oefenen, aan zijn plicht om te IX-1443-4/55 gehoorzamen aan zijn hiërarchische meerdere, alsook als handelingen die de waardigheid van het ambt van OCMW-secretaris in het gedrang brengen. Het tuchtverslag besluit dat de ten laste gelegde feiten voldoende talrijk en ernstig zijn om verzoeker daarover te laten horen door de raad voor maatschappelijk welzijn, het bevoegde tuchtorgaan. Het stelt bovendien voor dat, indien voor de raad die feiten als tuchtfeiten bewezen blijken, verzoeker bij tuchtmaatregel van ambtswege zou worden ontslagen. 1.3. Op 15 september 1997 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn kennis van het tuchtverslag. De raad besluit verzoeker op 9 oktober 1997 over de desbetreffende feiten te horen. 1.4. Met een aangetekende brief van 16 september 1997 wordt verzoeker door de voorzitter en door de waarnemend secretaris van het OCMW opgeroepen voor het tuchtverhoor. De oproepingsbrief maakt melding van de veertien tekortkomingen die ten laste van verzoeker worden gelegd en verwijst voor de nadere omschrijving ervan naar het tuchtverslag, waarvan de integrale tekst is bijgevoegd. 1.5. Op vraag van de raadsman van verzoeker wordt, om reden van verzoekers afwezigheid wegens ziekte, het verhoor uitgesteld tot 3 november 1997. 1.6. Op 3 november 1997 worden verzoeker en zijn raadsman gehoord door de raad voor maatschappelijk welzijn. De raadsman dient bij die gelegenheid een memorie en een aantal bijhorende stukken in. Er wordt een proces-verbaal opgesteld van het verhoor. Verzoekers raadsman vraagt "de zaak uit te stellen alvorens een beslissing te nemen ten einde de medische toestand van de Secretaris te onderzoeken en ten einde hem toe te laten nog een aantal stukken voor te leggen". 1.7. Op 4 november 1997 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn dat de bijkomende hoorzitting plaats zal hebben op 17 november 1997. Met een op IX-1443-5/55 5 november 1997 ter post aangetekend verzonden brief worden verzoeker en zijn raadsman hiervan in kennis gesteld. 1.8. Op 17 november 1997 worden verzoeker en zijn raadsman andermaal door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. De raadsman van verzoeker dient een addendum in bij zijn oorspronkelijke memorie, als commentaar op het proces-verbaal van verhoor. Er wordt een proces-verbaal opgesteld van het bijkomend verhoor. 1.9. Op 27 november 1997 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om verzoeker bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. De beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen : “Aangaande de eerste tuchtbetichting. In het tuchtverslag wordt de eerste tuchtbetichting als volgt omschreven : 1. het uiten van onterechte beschuldigingen, beledigingen, onterechte woede- uitbarstingen, intimidaties en gebruik van schuttingtaal t.a.v. het personeel en de persoon van de voorzitter van het O.C.M.W. op diverse tijdstippen. Op diverse hierna bepaalde tijdstippen heeft de heer Van Bogaert zich schuldig gemaakt aan een gedrag dat absoluut niet verenigbaar is met de waardigheid van zijn ambt als O.C.M.W.-secretaris en dit door zowel ten aanzien van diverse personeelsleden als ten aanzien van de voorzitter van het O.C.M.W. schuttingtaal te gebruiken, hen uit te schelden, te intimideren, ten onrechte te beschuldigen, te beledigen en te kwetsen en daarbij vaak in woede uit te barsten en dit zonder dat er daar aanvaardbare redenen voor bestaan. De secretaris voert zo als het ware een schrikbewind ten aanzien van het personeel, wat de efficiëntie van de werking van het personeel niet bevordert, wel integendeel. Dit schrikbewind van de secretaris neemt zelfs zodanige proporties aan dat een groot deel van het personeel heeft gevraagd om te worden ontvangen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwijndrecht aangaande deze problematiek en dat ze ter voorbereiding daarvan een uitvoerige nota hebben opgesteld met een lijst van voorbeelden als bijlage. Meer in het bijzonder kunnen de volgende feiten worden weerhouden. - Op 27/03/97 heeft de heer Luk Van Bogaert mevrouw Hilde D’Hollander en mevrouw Linda De Poortere in zijn bureau uitgescholden voor respectievelijk ‘saboteur’ en ‘medeplichtige’. Beiden werd verweten ‘met de politiekers mee te lopen’. Dit gebeurde in bijzijn van mevrouw Eliane Buyle, maatschappelijke assistente. Aanleiding van deze onterechte beschuldigingen was een fout bij de verdeling van een door de heer Luk Van Bogaert opgestelde dienstnota inzake verlof. IX-1443-6/55 - Op 27/03/97 wordt mevrouw Eliane Buyle uitgescholden voor ‘trut’ bij binnenkomen in het bureau door de heer Luk Van Bogaert en dit zonder aanwijsbare reden. Naar zijn secretaresse roept hij dat ze ‘ook naar de kloten kon lopen’. Vervolgens gaf hij kleinerende commentaar bij een ontwerp dat ze had opgesteld en begon hij personeelsleden en raadsleden zwart te maken en trachtte hij mevrouw Buyle te manipuleren. - Op 03/04/97 werd mevrouw Hilde D’Hollander samen met Mevrouw Linda De Poortere in het bureau van de heer Luk Van Bogaert geroepen. De heer Luk Van Bogaert maakte op brutale manier duidelijk dat hij het gedrag van eerstgenoemde beu was en verweet haar telkens haar woorden te verdraaien, echter zonder enige toelichting wat hij precies bedoelde. Daarop volgden diverse scheldwoorden zoals ‘kust mijn kloten’, ‘’t zijn hier allemaal klootzakken’, ‘ge zijt echte wijven’, e.a. waarop mevrouw D’Hollander het bureau moest verlaten. - Op 05/04/97 werd mevrouw Hilde D’Hollander er ten onrechte door de heer Luk Van Bogaert van beschuldigd tegen hem te hebben gelogen op 2 april 1997 inzake de afwezigheid van de O.C.M.W.-ontvanger. Op 2 april 1997 had mevrouw D’Hollander gezegd dat ze niet wist waar de O.C.M.W.-ontvanger was, doch na meermaals dezelfde vraag van de heer Luk Van Bogaert te hebben gekregen antwoordde ze dat hij misschien geen opvang voor zijn kinderen had. Op 5 april 1997 zei de heer Luk Van Bogaert zonder verdere motivering dat mevrouw D’Hollander had gelogen en dat haar verklaring ‘misschien had hij geen opvang voor zijn kinderen’ zeer misplaatst was. Aan mevrouw D’Hollander heeft de heer Luk Van Bogaert vervolgens duidelijk gemaakt dat zij niemand iets van het voorval mocht vertellen, zeker de Voorzitter van het O.C.M.W. niet. - Op 25/04/97 richt de heer Luk Van Bogaert een brief in ronduit onbeleefde stijl aan de Voorzitter van het O.C.M.W. - Op 05/05/97 worden de personeelsleden Ludo Marreel, Rita Saelen, Berenice De Gendt, Agnes Aps, Danny Smet en Hilde D’Hollander allen samen in het bureau van de heer Luk Van Bogaert geroepen. Zij moeten één voor één in aanwezigheid van de anderen antwoorden op de volgende vragen : 1. ‘Vindt U dat de samenwerking met de secretaris stroef verloopt? Zo ja, waar situeren zich volgens U de problemen?’ 2. ‘Denkt U dat de secretaris ‘persoonlijk revanche’ wil nemen op U?’ De heer Luk Van Bogaert liet een verslag van dit ‘verhoor’ opmaken waarbij hij eenzijdig bepaalde welke punten in het verslag mochten worden opgenomen. Toen de dames Agnes Aps en Berenice De Gendt werden gevraagd dit verslag te ondertekenen en zij dit weigerden, werden talrijke intimidaties en bedreigingen geuit aan het adres van voormelde dames door de heer Van Bogaert. - Op 20/05/97 worden mevrouw Linda De Poortere en mevrouw Hilde D’Hollander in het bureau van de heer Luk Van Bogaert geroepen aangaande de beslissing van de O.C.M.W.-raad van 15 mei 1997 tot aanstelling van een waarnemend secretaris. In de loop van het gesprek zegt de heer Luk Van Bogaert op een bepaald ogenblik ‘Denkt ge nu echt dat ik een ‘stijve’ krijg van macht?’ - Aan Hilde D’Hollander wordt door de heer Luk Van Bogaert verschillende keren in de periode maart-begin juni gemeld dat de arrondissementscommissaris IX-1443-7/55 zou gezegd hebben op een vergadering van 7 maart 1997 dat zij onbekwaam was. Bij navraag bij de arrondissementscommissaris lijkt dit niet waar te zijn. - Op 10/06/97 gaat mevrouw Eliane Buyle naar (het) secretariaat in (het) administratief gebouw om post te halen en zaken te bespreken. De heer Van Bogaert zegt haar te verdwijnen en zegt dat ze niet zal blijven lachen (hoewel ze helemaal niet lachte) en dat hij haar wel zou krijgen. - Op 17/06/97 vraagt mevrouw Inge Sonck in opdracht van de heer Van Bogaert aan mevrouw Eliane Buyle om een poetsvrouw naar Rustoord Herleving te sturen. Mevrouw Buyle antwoordde dat dit wegens personeelsgebrek niet mogelijk was en ze naar (een) andere oplossing wou zoeken. Het gevolg hiervan was dat de heer Van Bogaert haar bureau binnen stormde in een woede uitval dat hij alleen de baas is, stampvoetend en schreeuwend, waarna hij de deur met (een) klap dicht heeft getrokken. - Op 19/06/97 zegt de heer Van Bogaert in aanwezigheid van mevrouw Hilde D’Hollander tegen mevrouw Linda De Poortere dat ze serieus aan het verdikken is, vooral haar borsten (waarbij hij haar borsten ‘tetten’ noemt). - Op 27/06/97 noemt de Heer Van Bogaert, tegenover mevrouw Agnes Aps, mevrouw Eliane Buyle (buiten haar aanwezigheid) tweemaal een ‘kieken en een trut’, omdat zij zou weigeren in opdracht van de secretaris enkel positieve beoordelingen van het personeel te maken. - Op 27/06/97 zet de heer Van Bogaert in een gesprek met mevrouw Aps ongevraagd de persoonlijke situatie van de ontvanger uiteen. Hij zei ‘dat het verstand van de ontvanger momenteel tussen zijn benen zat en hij nu niet meer verantwoordelijkheidsbesef had dan een puber’. De feiten en gebeurtenissen zoals hierboven weergegeven werden door de Heer L. Van Bogaert niet ontkent, noch in zijn memorie, noch mondeling op de hoorzitting. Integendeel, de Heer Van Bogaert heeft uitdrukkelijk zijn spijt betuigd. Bovendien worden de feiten (zoals hierboven weergegeven) gestaafd door de volgende stukken uit het tuchtdossier : deze genummerd van 1 tot en met 13 en van 15 tot en met 27. Het betreft diverse verklaringen van personeelsleden die getuige of het slachtoffer waren van de feiten vermeld onder de eerste tuchtbetichting. Gelet op het aantal verklaringen kunnen ze niet ‘gering’ worden genoemd, zoals de Heer Van Bogaert doet. Van de ongeveer 120 OCMW- personeelsleden zijn er velen die buiten het administratief centrum zijn tewerk- gesteld (zijnde de plaats waar het kantoor van de secretaris is gevestigd), zodat zij veel minder of niet in aanraking komen met de secretaris. Het spreekt voor zich dat vooral de personeelsleden tewerkgesteld in de onmiddellijke omgeving van de secretaris het slachtoffer worden van zijn woede-uitbarstingen, gebruik van schuttingtaal, kortom het gedrag zoals hierboven omschreven als een eerste tuchtbetichting. Dat de getuigenissen zouden zijn geronseld is een loze bewering die nergens op gesteund is. Deze bewering wordt overigens tegengesproken door het spontane karakter van de verklaringen. Daarenboven zijn er de niet onbelangrijke stukken 1, 2 en 3 van het tuchtdossier : het betreft twee brieven en een nota ten behoeve van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente, elk ondertekend door een twintigtal personeelsleden. Uit deze stukken blijkt duidelijk het gedrag en de houding van de Heer Van Bogaert IX-1443-8/55 tegenover zijn personeel, waarvan de hierboven omschreven feiten slechts enkele voorbeelden zijn. In zoverre uit deze stukken ook andere gelijkaardige feiten blijken, doch die niet in het tuchtverslag zijn weergegeven, worden deze stukken buiten beschouwing gelaten. Deze stukken worden enkel beschouwd als een bewijs van de feiten zoals omschreven in de eerste tuchtbetichting. Uit de stukken van het tuchtdossier blijkt ook dat er vroeger feiten zouden kunnen zijn gebeurd, doch die worden, om reden van verjaring, niet onderzocht en worden bijgevolg ook niet als tuchtfeiten in aanmerking genomen. Dit is meteen ook een antwoord op de opmerking van de Heer Van Bogaert dat slechts feiten van ongeveer de voorbije zes maanden in aanmerking zijn genomen en hij daarvoor blijkbaar nooit iets verkeerd heeft gedaan. Het is overigens niet zo dat momenteel tuchtrechtelijk niet zou kunnen worden opgetreden tegen bepaalde niet-verjaarde feiten, omdat in het verleden nooit zou zijn opgetreden, indien daartoe aanleiding mocht hebben bestaan. Gelet op het voorgaande meent de raad voor maatschappelijk welzijn dan ook dat de feiten voor bewezen kunnen worden geacht. De Heer Van Bogaert meent echter dat er een verschoningsgrond voorhanden is die tot gevolg heeft dat de feiten niet tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd, of ondergeschikt, niet met een ontslag van ambtswege kunnen worden gestraft. Deze verschoningsgrond is volgens de Heer Van Bogaert zijn medische toestand, zoals naar zijn zeggen vastgesteld door zijn huisarts en de controle-arts van het bestuur. Hij zou in een zodanige stresstoestand zijn verzeild geraakt, dat de feiten hierdoor worden verschoond. Daarenboven moet volgens de Heer Van Bogaert rekening worden gehouden met zijn werkdruk en de steeds moeilijkere omstandigheden waarin moet worden gewerkt, meer gepreciseerd in zijn memorie. Zo zou de Heer Van Bogaert in een diepe depressie zijn terechtgekomen naar aanleiding van gebeurtenissen op 6 december 1996. De Raad gaat ervan uit dat met de gebeurtenissen van 6 december 1996 hij het volgende bedoelt : op die dag, het feest van Sint-Niklaas, werd bij de eerste steenlegging van OCMW-bejaardenflats, door de Sint-Niklaas van dienst, een brief voorgelezen met daarin de noden en klachten van het personeel aangaande de secretaris, zijn gedrag e.d.m. In antwoord hierop wenst de Raad voor Maatschappelijk Welzijn er vooreerst op te wijzen dat een hoge werkdruk en moeilijkere werkomstandigheden door een druk takenpakket, groei de vorige jaren, enz. geen medische redenen zijn die een verschoning zouden kunnen vormen. Daarenboven zijn werkdruk en niet altijd even gemakkelijke werkomstandigheden inherent aan een ambt met een aanzienlijke verantwoordelijkheid zoals dat van O.C.M.W.-secretaris. Zij kunnen dan ook niet als verschoning of rechtvaardiging in aanmerking worden genomen voor de gepleegde feiten, temeer daar het niet om één feit gaat (waar men nog zou kunnen aanvaarden dat het om een uitschuiver, een eenmalig feit gaat), maar om veelvuldige feiten gespreid over de volledige periode die, gelet op de dwingende bepalingen inzake verjaring, in aanmerking kunnen worden genomen. Daarenboven blijkt uit stuk 3 van het tuchtdossier dat volgens het personeel alles via de secretaris moet verlopen en hij bijna niets delegeert aan ondergeschikt IX-1443-9/55 personeel, zodat de Heer Van Bogaert minstens voor een deel zelf verantwoordelijk is voor de werkbelasting. Zo rest er enkel nog het argument dat de Heer Van Bogaert aan een depressie lijdt en dat hij onder zware stress staat. Ten einde zijn stelling over de depressie en de stress te ondersteunen legt de Heer Van Bogaert een medisch attest voor van dokter Van de Leest die verklaart : ‘Ondergetekende verklaart dat de aandoeningen waarvoor Dh. Van Bogaert Luc in behandeling is, uitsluitend te wijten zijn aan de uitgesproken stress-situatie waarin hij, vooral de laatste zes maanden verkeert’. Verder wordt verwezen naar de vaststellingen van de controle-arts, doch hiervan wordt geen attest of stuk neergelegd. Tenslotte zou het tuchtverslag het beste bewijs zijn van het medisch probleem. In het attest van dokter Van de Leest wordt met geen woord gerept over een depressie, hoewel men hiervoor nochtans meestal in behandeling gaat bij een geneesheer die dat bijgevolg ook kan attesteren. De Heer Van Bogaert zou voor het eerst in december 1996 en begin 1997 afwezig zijn geweest wegens ziekte ingevolge een depressie. Nochtans is nooit een medisch attest voorgelegd dat staaft dat in die periode de Heer Van Bogaert aan een depressie leed. In het medisch attest dat nu wordt voorgelegd, wordt gesproken over ‘aandoeningen’ zonder te preciseren welke. Het is niet aan de Raad voor Maatschappelijk Welzijn om de betrokken geneesheer te ondervragen over de aard van de ‘aandoeningen’ daar deze uiteraard is gebonden door zijn medisch beroepsgeheim. Hetzelfde geldt voor de controle-arts van het bestuur die overigens enkel bevestigt of een afwezigheid wegens ziekte gerechtvaardigd is of niet, zonder de reden of aard van de ziekte op te geven of te mogen opgeven. Nog om dezelfde reden kan de Raad voor Maatschappelijk Welzijn geen geneesheer aanstellen met de taak de Heer Van Bogaert te onderzoeken en ten behoeve van de Raad een omstandig rapport op te maken over zijn medische toestand. Hoewel men zich kan afvragen hoe een geneesheer persoonlijk (i.t.t. op aangeven van de patiënt) kan vaststellen dat de voorbije zes maanden (en dus retro-actief) een patiënt in een stress-situatie verkeerde, gaat de Raad niet zover te stellen dat de werksituatie van de secretaris volledig stress-vrij is. Het ambt van O.C.M.W.-secretaris is immers het hoogste ambt binnen het O.C.M.W. waaraan veel verantwoordelijkheden zijn verbonden, waarvan de leiding van de personeelsleden niet de minste is. Dat dit stress met zich brengt, is volgens de Raad niet uit te sluiten. De Raad kan echter niet aanvaarden dat dergelijke stress een verschoning zou zijn voor het gedrag van de Heer Van Bogaert zoals omschreven in de eerste tuchtbetichting. Zoals reeds opgemerkt is de stress ook voor een deel te wijten aan de Heer Van Bogaert zelf door onvoldoende te delegeren. Het aanvaarden van een depressie of stress-toestand als verschoningsgrond post factum zou ook tot gevolg hebben dat elke tuchtrechtelijke vervolging onmogelijk zou worden ten aanzien van het personeel. Het zou volstaan dat men zich achteraf beroept op de stresstoestand of de depressie om te vermijden dat feiten die men heeft gepleegd zouden worden bestraft als tuchtfeiten. Indien de secretaris werkelijk ziek was op het ogenblik van het plegen van de feiten, dan had hij in ziekteverlof moeten gaan. Hij kan in alle redelijkheid toch IX-1443-10/55 niet beweren dat (...) hij zich niet bewust was van de dingen die hij zei tegen het personeel, noch van de dingen die hij deed. De in de eerste tuchtbetichting vermelde feiten zijn daarom wel degelijk als tuchtfeiten te kwalificeren. Ze worden (...) bovendien door de Raad als zeer ernstige tuchtfeiten beschouwd en dit om een aantal redenen. Ten eerste staat het buiten kijf dat ze de waardigheid van het ambt van secretaris ernstig in het gedrang brengen. Ten tweede wordt de goede werking van de dienst in het gedrang gebracht, zowel t.a.v. het personeel, als t.a.v. de cliënten. Ten aanzien van het personeel zijn de houding en het taalgebruik, zoals deze blijken uit het tuchtdossier, bijzonder laakbaar. Het personeel wordt daardoor bang, wat hun efficiëntie en de goede werking van de dienst allesbehalve bevordert. De feiten worden bovendien gepleegd door de hoogste ambtenaar van het O.C.M.W. die het personeel moet leiden en t.o.v. hen een voorbeeldfunctie te vervullen heeft. Maar ook de goede werking van de dienst t.a.v. de cliënten is in het gedrang gebracht. De Heer Van Bogaert heeft zich blijkbaar niet gestoord aan de aanwezigheid van cliënten in het gebouw tijdens zijn woede-uitbarstingen of scheldpartijen. Dit maakt dat de cliënten verbaasd, angstig en verontrust reageren (zie de stukken 10 en 23 van het tuchtdossier). Het aanzien van het O.C.M.W. wordt zo naar buiten toe ook in het gedrang gebracht. Ten derde is er ook de veelvuldigheid van de feiten. Dit wijst er op dat het niet om een eenmalig voorbijgaand feit gaat, maar bijna op een regelmatig weerkerend gedrag. Dit alles maakt dat de eerste tuchtbetichting alleen al een maximumstraf zoals het ontslag van ambtswege rechtvaardigt. Aangaande de tweede tuchtbetichting : In het tuchtverslag wordt de tweede tuchtbetichting als volgt omschreven : 2. het verhinderen en opzettelijk saboteren van de goede werking van het O.C.M.W./desorganisatie van de werking. - Op 28 maart 1997 vraagt de Voorzitter aan Mevrouw Eliane Buyle een kopie van de inschrijvingslijst voor bejaardenflats. Zij antwoordt op 2 april 1997 dat zij hierop niet kan ingaan daar de heer Luk Van Bogaert heeft verboden de lijst mee te delen aan de Voorzitter van het O.C.M.W. en anderen. De secretaris verhindert zo dat het personeel opdrachten van de Voorzitter van het O.C.M.W. uitvoert. - In de periode april-mei 1997 weigert de heer Van Bogaert om de uitbreiding van het personeel van de poetsdienst als agendapunt voor de raad op te nemen ondanks uitdrukkelijk verzoek van verantwoordelijke, mevrouw Eliane Buyle. - In de periode van 29 april tot 27 mei 1997 weigert de heer Van Bogaert antwoord te geven aan de verantwoordelijke van het dienstencentrum Houtmere, mevrouw Berenice De Gendt, ondanks herinneringen, op haar vragen inzake de gevraagde goedkeuring van de prijzen voor de verkoop van snacks op de bingonamiddag op 28/05/97. Tot de dag vóór de bingonamiddag werd tijdens een persoonlijk gesprek het antwoord geweigerd : de heer Van Bogaert zei dat hij niets meer kon/mocht beslissen ... - Op 1 juli 1997 stelt de heer Van Bogaert mevrouw Sylvia Oste (het op dat ogenblik jongst in dienst zijnde personeelslid van het rustoord) als vervangster IX-1443-11/55 voor mevrouw Rita Saelen als verantwoordelijke (aan), voor het Rustoord Herleving, voor de duur van de vakantie van laatstgenoemde van 14/7/97 tot 28/7/97. Zo stelt hij dus iemand aan voor een belangrijke en verantwoordelijke functie die pas sinds 28 maart 1997 in dienst is, terwijl er verschillende personeelsleden met heel wat meer anciënniteit en dus ervaring met de gang van zaken hiervoor in aanmerking kwamen. De beslissing inzake de vakantie van mevrouw Saelen werd overigens genomen met overschrijding van zijn bevoegdheden : de vakantieregeling van het personeel van het rustoord behoort tot (
- de)bevoegdheid (van het) bijzonder comité rustoord. - Aangaande het eerste onderdeel : de feiten dd. 28 maart 1997 : De Heer Van Bogaert voert zijn verweer ter zake naast de kwestie. Hij zet immers uiteen, en zijn raadsman onderstreept dit op de hoorzitting zeer duidelijk, dat hij enkel weigerde het origineel af te geven onder meer omdat hij beheerder is van het archief, wat ook correct is. De Heer Van Bogaert verliest blijkbaar uit het oog dat hem niet wordt verweten het origineel niet te hebben overhandigd, maar wel geen kopie te hebben overhandigd. Meer nog, het personeelslid dat in opdracht van de voorzitter om een kopie moest vragen kreeg als antwoord het uitdrukkelijke verbod om de lijst of een kopie te bezorgen aan de voorzitter of anderen. Ondanks het uitdrukkelijk verzoek van de voorzitter (stuk 35 van het tuchtdossier), weigerde het betrokken personeelslid hieraan gevolg te geven en verontschuldigde ze zich hiervoor aan de voorzitter, verwijzende naar het verbod van de secretaris (stuk 36 van het tuchtdossier). Er valt niet in te zien waarom het betrokken personeelslid zich zo zou gedragen, mocht haar verklaring niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Ook de Heer Van Bogaert voert niet aan dat de nota van het personeelslid vals is (stuk 36 van het tuchtdossier), noch waarom deze nota in strijd met de werkelijkheid zou zijn. Dit onderdeel van de tuchtbetichting kan dan ook wel degelijk als bewezen worden geacht, en maakt tevens een tuchtfeit uit, nl. een tekortkoming aan de beroepsverplichting het ambt uit te oefenen op een loyale en integere wijze. - Aangaande het tweede onderdeel : weigering uitbreiding personeel poetsdienst als agendapunt op te nemen voor de raad. Uit stuk 37 van het tuchtdossier blijkt dat het personeelstekort binnen de poetsdienst reeds herhaaldelijk onder de aandacht van de Heer Van Bogaert was gebracht door de verantwoordelijke, mevrouw Buyle. Uit het relaas in stuk 37 blijkt dat de secretaris herhaaldelijk was gevraagd dit onder de aandacht van de raad te brengen door het als agendapunt te laten opnemen. De Heer Van Bogaert heeft noch in zijn memorie, noch op de hoorzitting, het relaas van mevrouw Buyle (stuk 37) tegengesproken, noch ontkend. Hij roept wel in dat hijzelf geen punten op de dagorde van de raad voor maatschappelijk welzijn kan plaatsen, dit is de taak van de voorzitter en de raadsleden. Hoewel dit laatste uiteraard juist is, belet dit niet dat de secretaris bepaalde noden en mogelijke agendapunten onder de aandacht van de raad brengt. Wanneer dit bovendien uitdrukkelijk en meermaals door een personeelslid wordt gevraagd, getuigt het van overdreven formalisme om op dit verzoek niet in te gaan. Temeer daar de secretaris het hoofd is van het personeel, is het logisch dat personeelsproblemen (zoals in casu) hem ter kennis worden gebracht. Het behoort dan ook tot de normale beroepsplichten van de secretaris dergelijke problemen op zijn beurt IX-1443-12/55 onder de aandacht van de raad te brengen. De gepaste manier om dit te doen is precies het probleem als agendapunt voor de raad naar voor te schuiven, zeker als dit expliciet werd voorgesteld door het betrokken personeelslid. Het feit dat de voorzitter op 16 mei 1997 in kennis is gesteld van het probleem (en dan nog niet door de secretaris) en dat het dan nog een maand heeft geduurd vooraleer een beslissing werd genomen, doet hieraan geen afbreuk. Het aangevoerde feit kan dan ook als bewezen worden verklaard en als tuchtfeit worden omschreven : het is een tekortkoming aan de beroepsplichten, meer bepaald een tekortkoming aan de plicht zijn ambt uit te oefenen op een loyale en integere wijze. - Aangaande het derde onderdeel : weigering vaststellen prijzen voor bingonamiddag. De Heer Van Bogaert werpt op dat het vaststellen van prijzen verkocht in dienstencentra een beleidsbeslissing is waarvoor niet hij bevoegd is, maar wel de voorzitter of de raad voor maatschappelijk welzijn. Daar dit in se correct is en het verzoek door het betrokken personeelslid tegelijk aan de secretaris en aan de voorzitter werd gericht, kan dit onderdeel van de tweede tuchtbetichting niet als een tuchtfeit in hoofde van de secretaris worden beschouwd. - Aangaande het vierde onderdeel : de aanstelling van mevrouw Osté ter vervanging van mevrouw Saelen als verantwoordelijke van Rustoord Herleving. De Heer Van Bogaert roept ter verantwoording van de aanstelling van mevrouw Osté in dat het bijzonder comité tot op datum van zijn beslissing (1 juli 1997 - zie stuk 41 van het tuchtdossier) geen vervanger had aangeduid, zodat hij die verantwoordelijkheid dan maar op zich heeft genomen. Hij gaf daarbij de voorkeur aan mevrouw Osté omdat zij de enige gebrevetteerde verpleegkundige was die zonder onderbreking aanwezig was gedurende de vakantieperiode van mevrouw Saelen. De secretaris meende dus de voorrang te moeten geven aan een personeelslid dat nog niet lang in dienst was, maar gediplomeerd verpleegster is, boven personeelsleden die langer in dienst waren, maar slechts een brevet gezins- en sanitaire hulp hadden of ook enkele verlofdagen hadden in de periode van de vakantie van mevrouw Saelen. Hoewel het voor de raad toch niet evident lijkt om een personeelslid dat nog niet lang in dienst was een belangrijke verantwoordelijkheid te geven zoals deze over het rustoord, had de secretaris blijkbaar niet veel keuze en heeft hij dan gemeend een verpleegster die de volle periode aanwezig was te moeten aanstellen. Daar uit de stukken van het tuchtdossier geen kwade trouw in hoofde van de secretaris blijkt, moet hem het voordeel van de twijfel worden gegund. Dit onderdeel van de tweede tuchtbetichting kan dan ook niet als een tuchtfeit in hoofde van de secretaris worden aangehouden. Aangaande de derde tuchtbetichting : De derde tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : '3. agressief gedrag in strijd met de waardigheid van het ambt. Op 25/03/97 roept de heer Luk Van Bogaert de personeelsleden Linda De Poortere en Hilde D'Hollander in zijn bureau, waarna hij zonder aanwijsbare reden begint te schoppen tegen zijn kast en zijn bureaustoel door zijn bureau heeft gegooid, zodat mevrouw De Poortere bang is weggevlucht uit zijn bureau’. IX-1443-13/55 Ter zake werpt de Heer Van Bogaert in zijn memorie op dat deze feiten enerzijds overdreven zijn, maar anderzijds begrijpelijk en verschoonbaar in de stresstoestand waarin hij verkeerde. Hij noemt dit het beste bewijs van zijn ziektetoestand. Mondeling voegde de raadsman van de Heer Van Bogaert er aan toe dat een rugletsel hem verhinderde met zijn stoel te gooien. Stuk 33 van het tuchtdossier houdt een verklaring in van twee personeelsleden dat zij op 25 maart 1997 in het bureau van de secretaris waren en dat hij zonder aanleiding op een gegeven moment wel degelijk met zijn stoel heeft gegooid. Aangezien twee personeelsleden dit bevestigen, er geen reden is om de geloofwaardigheid van hun verklaring in twijfel te trekken en de Heer Van Bogaert zelf ook geen redenen daartoe aanvoert, kan dit feit als bewezen worden geacht. De Heer Van Bogaert legt overigens geen enkel stuk voor, laat staan een medisch attest, dat aannemelijk zou maken dat hij om medische reden onmogelijk met zijn stoel kon hebben gegooid. Een dergelijk feit maakt tevens een tuchtfeit uit, daar het onverenigbaar is met de waardigheid van het ambt als secretaris. Zijn ingeroepen medische toestand kan niet worden aanvaard als verschoningsgrond om dezelfde redenen als uiteengezet naar aanleiding van de eerste tuchtbetichting. Aangaande de vierde tuchtbetichting: De vierde tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt: ‘4. onwettige afwezigheid op 20 maart 1997. Op 20 maart 1997 was de heer Luk Van Bogaert onwettig afwezig op de werfvergadering van de bouw van bejaardenflats gehouden van 9 u tot ongeveer 11 u 30. Uit latere inlichtingen en later ingediende stukken blijkt dat de heer Luk Van Bogaert was vertrokken met mevrouw Rita Saelen, verantwoordelijke van het Rustoord Herleving, met de dienstwagen van het O.C.M.W. om een bezoek te brengen aan de beurs ‘Medica 97' te Utrecht. Niemand was in kennis gesteld van de afwezigheid van de heer Luk Van Bogaert, noch van de reden van zijn afwezigheid, noch van het feit dat hij met mevrouw Saelen was vertrokken. De heer Luk Van Bogaert had aan niemand de toelating hiervoor gevraagd.' De Heer Van Bogaert verweert zich tegen de vierde tuchtbetichting met de stelling dat hij onmogelijk onwettig afwezig kan zijn als hij op dienstreis is voor het O.C.M.W. De vraag is of zijn afwezigheid op voorhand is gemeld. De Heer Van Bogaert beweert van wel en voegt er aan toe dat de secretaresses ook op de hoogte waren, dat de uitstap in zijn agenda stond die op het O.C.M.W. ter inzage ligt en dat hij via G.S.M. permanent bereikbaar was. Het tuchtdossier laat niet toe te oordelen dat deze beweringen van de Heer Van Bogaert in strijd zijn met de waarheid. Wat betreft de voorafgaande mededeling van zijn afwezigheid is het het woord van de voorzitter tegen het woord van de secretaris, zodat ook hier de secretaris het voordeel van de twijfel moet genieten. De vierde tuchtbetichting wordt bijgevolg niet aangehouden. Aangaande de vijfde tuchtbetichting : De vijfde tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : ‘5. nemen van vakantie zonder toestemming, noch medeweten van de voorzitter. IX-1443-14/55 Op 28/03/97 en 01/04/97 was de heer Luk Van Bogaert afwezig. Hij had dit echter niet zoals gebruikelijk op voorhand gemeld aan de Voorzitter, de heer François Van Kerckhove, ondanks het feit dat laatstgenoemde de dagen voor de genomen vakantie wel degelijk aanwezig en beschikbaar was.’ De Heer Van Bogaert roept ter zake de afwezigheid in van een reglementering die het aanvragen van vakantie door de secretaris regelt. Hij legt een stuk voor dat inhoudt dat pas op 22 mei 1997 een regeling door de voorzitter zou zijn uitgewerkt, zodat op het moment van de beweerde feiten vakantie nog niet schriftelijk moest worden aangevraagd. Daar de uiteenzetting van de Heer Van Bogaert op dit punt overtuigend is, en het ter zake het woord van de voorzitter is tegen dit van de secretaris, wordt deze vijfde tuchtbetichting niet aangehouden. Aangaande de zesde tuchtbetichting : De zesde tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt: ‘6. foutieve notulering van een beslissing van het Vast Bureau / het niet-uitvoeren van de werkelijk genomen beslissing van het Vast Bureau / poging om verbintenissen aan te gaan namens het O.C.M.W. zonder dat hiertoe opdracht werd gegeven. Op 8 april 1997 besloot het Vast Bureau tot de aankoop van 15 zonneparasols ten behoeve van het dienstencentrum Houtmere. Op basis van een nota van mevrouw D'Hollander in het dossier werd besloten de bestelling te plaatsen bij ‘bierhandel Carpentier’ tegen de prijs van 1.089 fr./stuk BTW inbegrepen. In de notulen van het Vast Bureau werd echter door de heer Luk Van Bogaert genotuleerd dat werd besloten tot de aankoop van 16 parasols bij de firma Van Den Heuvel tegen de prijs van 2.200 fr./stuk BTW inbegrepen. Op 18 april 1997 bestelt de heer Luk Van Bogaert 16 parasols bij de firma Van Den Heuvel, waarvan 10 voor het dienstencentrum Houtmere en 6 voor het Rustoord Herleving, terwijl hij hiertoe geenszins de opdracht had gekregen. De voorzitter van het O.C.M.W. heeft dit echter tijdig vastgesteld en de bestelling tegen gehouden.’ De feiten zoals weergegeven in de tuchtbetichting blijken uit de stukken 45, 46, 46bis, 47 en 48 van het tuchtdossier. Ze worden niet ontkend door de Heer Van Bogaert. Hij verantwoordt zijn houding door te stellen dat de parasols waarvan men had beslist ze aan te kopen van slechte kwaliteit waren en in principe gratis moesten kunnen worden verkregen, zoals ook eerder het geval was geweest. Hij stelt verder dat hij op de volgende vergadering van het vast bureau was vergeten dit te melden, alsook dat hij intussen had gezocht naar betere parasols. Om tijd te winnen had de Heer Van Bogaert deze parasols ook maar meteen besteld. De voorzitter heeft deze bestelbon echter tijdig kunnen tegenhouden. Het verweer van de Heer Van Bogaert doet geen afbreuk aan het feit dat de aangehaalde feiten bewezen zijn en vormt evenmin een verontschuldiging of verschoning. De Raad acht het een ernstig feit dat de secretaris op eigen houtje, zonder de voorzitter, noch de raad op voorhand in te lichten, weigert een beslissing van het vast bureau uit te voeren, zelf een andere ( en duurdere) bestelling plaatst en daarenboven in de notulen van het vast bureau niet de IX-1443-15/55 werkelijk genomen beslissing opneemt, maar wel zijn eigen achteraf genomen beslissing! Een dergelijke handelwijze kan niet worden geduld van een secretaris die stipt de beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en het vast bureau moet uitvoeren en die met het oog daarop een zeker vertrouwen vanwege de raad en het vast bureau geniet. Indien de secretaris meent dat een foute beslissing wordt genomen, kan hij dit nog steeds onder de aandacht van de raad brengen. Hij heeft wettelijk echter niet de bevoegdheid om op eigen houtje deze beweerde 'fout’ recht te zetten. Door deze feiten is de secretaris duidelijk aan zijn beroepsplichten tekort gekomen. Hij moet de beslissing van het vast bureau uitvoeren en dit op correcte wijze. Aangaande de zevende tuchtbetichting : De zevende tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : ‘7. het bedreigen van Eliane Buyle ten einde de ondertekening van een gewijzigde personeelsevaluatie te bekomen op 9 april 1997. De heer Luk Van Bogaert wijzigde de schriftelijke ongunstige evaluatie van Nicole Claassen door Mevrouw Eliane Buyle in een gunstige evaluatie. Daar Mevrouw Buyle dit onterecht vond, weigerde zij de gewijzigde evaluatie te tekenen voor akkoord, waarop de heer Luk Van Bogaert dreigde haar persoonlijke evaluatie te zullen wijzigen.’ De Heer Van Bogaert betwist niet dat hij de evaluatie heeft gewijzigd. Dit blijkt overigens ook genoegzaam uit stuk 50 van het tuchtdossier. Het is niet het feit dat hij de evaluatie heeft gewijzigd dat hem wordt verweten, maar wel de manier waarop hij mevrouw Buyle heeft aangepakt naar aanleiding van haar weigering de beoordeling zoals gewijzigd door de Heer Van Bogaert te tekenen voor akkoord. De Heer Van Bogaert betwist dat er sprake was van een ‘bedreiging’, doch ontkent anderzijds niet dat het voormelde feit tot een discussie met mevrouw Buyle heeft geleid, daar hij in zijn memorie schrijft: ‘Mocht de discussie zijn opgelopen, dan is dit enkel te wijten aan de stress-toestand ...’. Mondeling heeft zijn raadsman op de hoorzitting van 3 november 1997 ook verklaard dat dit gebeurde midden in de periode dat hij zich recht trachtte te houden en dat hij door dit euvel volledig over zijn toeren raakte. Hij ontkent dit feit m.a.w. niet formeel, doch roept opnieuw zijn medische toestand als verschoning in. Gelet op de formele verklaring van Mevrouw Buyle en het feit dat de Heer Van Bogaert niet ontkent dat er misplaatste dingen kunnen zijn gezegd, kan dit feit als bewezen worden geacht. Het dient eveneens als tuchtfeit te worden beschouwd omdat een dergelijk gedrag de waardigheid van het ambt als secretaris in het gedrang brengt. Om dezelfde redenen als vermeld naar aanleiding van de eerste tuchtbetichting kan met de ingeroepen medische toestand geen rekening worden gehouden als verschoningsgrond. Aangaande de achtste tuchtbetichting : De achtste tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : ‘8. het verplichten van de Heer Etienne Thielens (gestopt met roken) om 7 sigaretten te roken om de rookdetectoren te testen in het Rusthuis Herleving op 17 april 1997. IX-1443-16/55 Op 17 april 1997 werd de Heer Etienne Thielens, klusjesman, naar het Rustoord Herleving geroepen waar hij van de heer Luk Van Bogaert de opdracht kreeg een 7-tal sigaretten te roken, hoewel hij sinds enige tijd was gestopt met roken en hoewel Mevrouw Rita Saelen, verantwoordelijke van het rustoord, eveneens aanwezig was en zij wel degelijk rookster is.’ De Heer Van Bogaert ontkent niet dat hij de Heer Thielens heeft laten roken, doch zet in zijn memorie en vooral mondeling op de hoorzitting (via zijn raadsman) uiteen in welke context dit moet worden gesitueerd. Hieruit blijkt dat de Heer Thielens noch op voorhand, noch achteraf enig bezwaar heeft geuit tegen het feit dat hij sigaretten moest aansteken en roken om de rookdetectoren te testen. Uit het tuchtdossier blijkt niet ontegensprekelijk het tegendeel, zodat moet worden besloten dat deze tuchtbetichting niet kan worden aangehouden. Aangaande de negende tuchtbetichting : De negende tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : ‘9. weigering om de agenda's van de vergaderingen van het Vast Bureau van 6 mei en 20 mei 1997 voor te bereiden en voor te leggen aan de Voorzitter. Ondanks een uitdrukkelijke opdracht van de voorzitter van het O.C.M.W. om het nodige te doen opdat de uitnodigingen voor o.m. het vast bureau tijdig zouden kunnen worden verzonden en de opdracht ten minste vier werkdagen voor de verzending een ontwerpagenda met de voorzitter te bespreken, weigerde de heer Van Bogaert dit.’ Deze tuchtbetichting wordt door de Heer Van Bogaert met klem betwist in zijn memorie en op de hoorzitting. Hij stelt nooit te hebben geweigerd de dagorde voor te bereiden inzake agendapunten door de voorzitter aangebracht. Daar de verklaringen van de voorzitter (stuk 54 van het tuchtdossier) en deze van de secretaris regelrecht tegenover elkaar staan, en het voor de raad niet duidelijk is om uit te maken wie in deze gelijk heeft, kan deze tuchtbetichting niet worden aangehouden. Aangaande de tiende tuchtbetichting : De tiende tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt: '10. weigering om een door de Voorzitter gevraagd schriftelijk voorstel, nl. de doelstelling 1997 van het Sociaal Impulsfonds, op te maken. Deze opdracht werd schriftelijk door de Voorzitter gegeven op 16 mei 1997 waarbij hij duidelijk preciseerde dat hij het gevraagde voorstel uiterlijk op 21 mei 1997 wenste te ontvangen. Op 27 mei 1997 schreef de heer Luk Van Bogaert aan de Voorzitter dat hij meende aan het voorstel te hebben voldaan, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was.’ Het verweer van de Heer Van Bogaert slaat hoofdzakelijk op de periode voor 16 mei 1997 en is bijgevolg niet ter zake. Er wordt immers niet betwist dat hij grotendeels de opsteller is van het SIF-document dat eind 1996 tot stand kwam. De secretaris wordt evenmin verweten dat de vergadering op 22 april 1997 niet kon doorgaan wegens een arbeidsongeval. Wat hem wél wordt verweten is het geen gevolg geven aan een opdracht van de voorzitter (stuk 56 van het tuchtdossier). Op 27 mei 1997 antwoordt de Heer Van Bogaert aan de voorzitter dat hij aan het verzoek geformuleerd in de nota van 16 mei 1997 meent te hebben voldaan (stuk 57 van het tuchtdossier). Op 30 mei 1997 antwoordde de voorzitter opnieuw dat de gevraagde opdracht niet is IX-1443-17/55 uitgevoerd, in tegenstelling tot wat de secretaris liet uitschijnen (stuk 58 van het tuchtdossier). In zijn memorie stelt de Heer Van Bogaert dat later wel een algemene antwoordnota werd opgesteld door Mevrouw De Poortere die aan de voorzitter is overhandigd op 21 mei 1997. Verder verwijst hij naar stukken die hij heeft neergelegd, doch voormelde 'antwoordnota’ dd. 21 mei 1997 bevindt zich hier niet bij. Hoewel het bestaan van een dergelijke antwoordnota op het eerste gezicht niet is aangetoond, kan de raad gelet op het tuchtdossier en de op dit ogenblik gekende elementen evenmin besluiten dat deze antwoordnota niet bestaat. De feiten kunnen bijgevolg niet bewezen worden geacht. Aangaande de elfde tuchtbetichting : De elfde tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : '11. het aanzetten op 16 mei 1997 van de personeelsleden Linda De Poortere en Hilde D'Hollander om slechts de taken uit te voeren waartoe de wet hen verplicht en met de heer Luk Van Bogaert aan één kant te staan t.o.v. het O.C.M.W.-bestuur. Op 16 mei 1997 werden mevrouw Linda De Poortere en mevrouw Hilde D'Hollander in het bureau van de heer Luk Van Bogaert geroepen, waar de heer Luk Van Bogaert hen trachtte te overtuigen met hem aan één kant te staan en slechts de wettelijk verplichte taken uit te voeren. Zo niet, zouden zij zich enkel in de knoei werken ... Zij kregen drie dagen de tijd om hierover na te denken.’ Het verweer van de Heer Van Bogaert ter zake kan de raad niet overtuigen, zeker niet waar wordt gesteld dat hem niets is aan te wrijven en hij enkel de goede werking van de administratie voor ogen heeft. De verklaring van de twee betrokken personeelsleden (stuk 59 van het tuchtdossier) is zeer duidelijk. De raad kan niet dulden dat de secretaris personeelsleden aanzet om met hem aan één kant te staan en slechts de taken uit te voeren waartoe ze zijn verplicht. De stijl waarop de secretaris hen trachtte te overtuigen, zo niet zouden zij zich immers enkel in de knoei werken, kan evenmin worden geduld. Dit geldt zoveel te meer voor een secretaris die als hoofd van het personeel eerder zijn personeel zo veel mogelijk moet motiveren en hen toch zeker niet mag verwijten dat ze te veel doen, waar dit feit wel sterk op lijkt. Door dit feit, dat op verklaring van twee personeelsleden wel degelijk bewezen kan worden geacht, is de secretaris tekort geschoten aan zijn beroepsplicht zijn ambt uit te oefenen op loyale en integere wijze, zodat dit feit als tuchtfeit kan worden aangehouden. Aangaande de twaalfde tuchtbetichting : De twaalfde tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : '12. niet behoorlijk uitvoeren van de opdracht gegeven door de voorzitter op 15/5/97 m.b.t. een dienstnota inzake het openen van briefwisseling, weigering gevolg te geven aan diverse herinneringen en aanmaningen van de voorzitter desbetreffend en schending van het briefgeheim. De feiten deden zich voor als volgt : 17/04/97: de ontvanger van het O.C.M.W. doet zijn beklag over geopende privépost bij de voorzitter van het O.C.M.W. IX-1443-18/55 24/04/97: de heer Van Bogaert geeft opdracht aan mevrouw Linda De Backer om alle post te openen, ook deze op naam 15/05/97: de voorzitter geeft de heer Van Bogaert de opdracht om een dienstnota te maken dat brieven op naam van de voorzitter en de ontvanger ongeopend aan hen moeten worden overgemaakt 20/05/97 : de heer Van Bogaert stuurt een brief aan alle raadsleden op briefpapier van het O.C.M.W. met zijn idee over de voormelde nota van de voorzitter 27/05/97: de heer Van Bogaert verspreid een dienstnota met de melding dat de brieven op naam van de voorzitter, de secretaris en de ontvanger ongeopend rechtstreeks aan hen moet worden bezorgd en dat deze brieven niet moeten worden ingeschreven bij de inkomende stukken. De heer Van Bogaert geeft verder de mondelinge instructie brieven aan de voorzitter, de secretaris en de ontvanger gericht, doch niet op naam, eveneens niet te openen 02/06/97: nota van de voorzitter aan de secretaris om via een dienstnota te wijzigen dat de niet te openen stukken wel degelijk moeten worden ingeschreven 06/06/97: nota van de voorzitter aan de secretaris om te laten recht zetten via een dienstnota dat briefwisseling aan de voorzitter, de secretaris en de ontvanger gericht, doch niet op naam, wél moet worden geopend 09/06/97: mevrouw Hilde D'Hollander moet het register van de inkomende post naar de secretaris brengen omdat geen enkel stuk nog moest worden ingeschreven... 19/06/97: nieuwe instructie van de voorzitter aan de secretaris inzake de inschrijving van de briefwisseling’. Het verweer van de Heer Van Bogaert doet de objectieve gegevens zoals ze blijken uit het dossier geweld aan (stukken 60 tot en met 70 van het tuchtdossier). Op 15 mei 1997 geeft de voorzitter enkel de instructie dat een dienstnota moet worden opgesteld zeggende dat het niet meer toegelaten is briefwisseling op naam van de voorzitter of de ontvanger te openen en deze post ongeopend aan de betrokkene te overhandigen. Het gaat duidelijk enkel over post 'op naam' en nergens wordt gelezen dat moet worden gestopt met het inschrijven van deze persoonlijke brieven op naam, een gebruik waaraan de voorzitter met zijn nota dus geenszins afbreuk wenste te doen. In de bewuste dienstnota die de secretaris vervolgens op 27 mei 1997 opstelde voegt de secretaris er zelf aan toe ‘stopzetting van de inschrijving van deze stukken’. De voorzitter reageert hier uiteraard op daar dit laatste niet tot zijn instructie behoorde. Omdat de voorzitter vaststelt dat zijn instructies nog steeds niet behoorlijk worden uitgevoerd, wijst hij er in een nota van 6 juni 1997 nogmaals op dat hij enkel had gevraagd brieven op naam niet te openen. Op 19 juni 1997 moet de voorzitter een nieuwe nota opstellen, niet omdat hij zelf van mening was veranderd, maar wel omdat hij moest vaststellen dat de secretaris de opdracht had gegeven geen enkel inkomend stuk meer in te schrijven. Dit laatste blijkt duidelijk uit de verklaringen van twee personeelsleden. Het is duidelijk dat de secretaris de opdracht van de voorzitter niet behoorlijk heeft uitgevoerd en dat de feiten, zoals weergegeven in de tuchtbetichting IX-1443-19/55 bewezen zijn. Het is evenzeer duidelijk dat de secretaris de instructie van de voorzitter niet wenste uit te voeren omdat hij het er niet mee eens was. De bezwaren van de secretaris doen echter geen afbreuk aan zijn verplichting de hem opgedragen opdracht te vervullen en dit correct te doen. Het feit uiteindelijk geen enkel stuk meer te laten inschrijven getuigt van slechte wil en is volkomen onverantwoord. Het argument van de secretaris dat ook in brieven gericht op naam van voorzitter, secretaris of ontvanger, vaak belangrijke documenten zijn vervat met het oog op de volledigheid van dossiers van het O.C.M.W., die termijnen doen lopen, enz. onderstreept juist het belang om wel alle briefwisseling in te schrijven met datum van binnenkomst. Dat dit voor brieven op naam dan slechts kan met vermelding van de afzender en de melding ‘persoonlijk’, belet niet dat andere brieven wel degelijk worden ingeschreven. De feiten zijn bijgevolg wel degelijk bewezen en het staat ook vast dat de secretaris hierdoor tekort is gekomen aan zijn beroepsplichten, door de opdracht van de voorzitter niet behoorlijk en op loyale wijze uit te voeren. Aangaande de dertiende tuchtbetichting : De dertiende tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt: '13. Op 17/06/97 heeft de heer Van Bogaert zonder vooraf de voorzitter van het O.C.M.W. te verwittigen, ondanks duidelijke instructie daartoe dd. 18/03/97, een gesprek gehad met de heren Catry en Vandenberghe van Electrabel vermoedelijk over de aankoop van een personenoproepsysteem. Daarenboven heeft hij hiervoor versnaperingen besteld op kosten van het O.C.M.W. zonder dat (een) bestelbon is getekend noch door voorzitter, noch door VB en uiteraard ook zonder dat dit was goedgekeurd.’ Uit het tuchtdossier en meer bepaald uit stuk 73 blijkt dat de bestelling van versnaperingen voor de ontmoeting met afgevaardigden met Electrabel niet gebeurde op 17 juni 1997, zoals ten onrechte in het tuchtverslag vermeld, maar op 19 juni 1997. Omdat de Heer Van Bogaert niet werd uitgenodigd zijn verweer te laten gelden aangaande dergelijke feiten gepleegd op 19 juni 1997, kan deze tuchtbetichting niet worden aangehouden. Aangaande de veertiende tuchtbetichting : De veertiende tuchtbetichting wordt in het tuchtverslag omschreven als volgt : '14. weigering dienstnota's vanwege de voorzitter in ontvangst te nemen. In de periode van 04/08/97 tot 08/08/97 weigerde de heer Van Bogaert verschillende keren dienstnota's vanwege de voorzitter in ontvangst te nemen. Nadat de enveloppe met dienstnota's op het bureau van de secretaris was gelegd, gaf hij die terug aan een personeelslid met de melding slaande op de voorzitter 'dat hij het in zijn gat steekt'.' Deze feiten worden bewezen door de stukken 74 tot en met 79 van het tuchtdossier. De Heer Van Bogaert erkent trouwens zelf dat hij niet kalm kon reageren en over zijn toeren was en inderdaad de geciteerde uitspraak heeft gedaan. De verschoning hiervoor zou moeten worden gevonden in het feit dat de dienstnota's en het feit ze te krijgen kleinerend, beledigend en een uiting van wantrouwen is. Nochtans blijkt dit geenszins uit de inhoud van de dienstnota's, zodat dit verweer niet kan worden aanvaard. Ook het stress-element kan niet als IX-1443-20/55 verschoning of rechtvaardiging worden aanvaard om de redenen aangehaald in het raam van de eerste tuchtbetichting. Deze bewezen feiten vormen dus wel degelijk tuchtfeiten wegens een tekortkoming aan de beroepsplicht de dienstnota's in ontvangst te nemen en daar de uitspraak van de secretaris geenszins strookt met de waardigheid van zijn ambt. Aangaande de strafmaat De Heer Van Bogaert verzoekt, ondergeschikt, om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met zijn toestand, zijn blanco tuchtstrafregister en zijn goede staat van dienen. Om de redenen uiteengezet naar aanleiding van de eerste tuchtbetichting kan de ingeroepen ‘medische en stress-toestand’ niet als verschoningsgrond worden aanvaard. Om dezelfde redenen kan dit ook niet aanleiding geven tot strafvermindering. De raad voor maatschappelijk welzijn tilt zeer zwaar aan de tuchtfeiten. De feiten vermeld onder de eerste tuchtbetichting alleen al, rechtvaardigen volgens de Raad reeds een maximumstraf. Daarnaast werden ook nog een aantal andere feiten in deze beslissing als tuchtfeiten gekwalificeerd. De tuchtfeiten die bewezen worden geacht rechtvaardigen wel degelijk een maximumstraf. - Het gaat niet om één enkel feit, maar wel degelijk om meerdere. De feiten zoals omschreven in de eerste tuchtbetichting tonen het repetitief karakter wel degelijk aan. - Zoals hoger reeds aangehaald belet het gedrag van de secretaris de goede werking van de dienst: personeelsleden zijn bang wat uiteraard hun goede werking zal beïnvloeden. Daarenboven zijn de tuchtfeiten van aard om het vertrouwen dat de raad in zijn secretaris heeft te beschamen. - Verder is er ook de nefaste invloed op het imago van het O.C.M.W. naar buiten toe, zoals eveneens hoger reeds werd aangehaald. - Tenslotte mag niet uit het oog worden verloren dat de Heer Van Bogaert O.C.M.W.-secretaris is, en in die hoedanigheid de eerste ambtenaar die o.m. het personeel moet leiden en tot voorbeeld dienen. Bepaalde feiten door hem gepleegd, wegen daarom zwaarder. Dit is hoger steeds aangehaald bij de specifieke tuchtbetichtingen. De Raad voor Maatschappelijk Welzijn kan dan ook niet anders dan concluderen dat gelet op al het bovenstaande en ondanks het blanco-tuchtverleden aan de Heer Van Bogaert een maximumstraf moet worden opgelegd die zijn verwijdering uit de dienst tot gevolg heeft. Bij de keuze die de Raad dan heeft, wenst hij inderdaad rekening te houden met het feit dat de Heer Van Bogaert nooit eerder een tuchtsanctie door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn werd opgelegd en dat hij reeds sinds 1983 in dienst is. Om deze redenen acht de Raad voor Maatschappelijk Welzijn het niet nodig om de zwaarste straf op te leggen, maar wel het ontslag van ambtswege". Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-1443-21/55 1.10. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwijndrecht brengt op 2 december 1997 gunstig advies uit over de tuchtbeslissing. 1.11. Op 5 februari 1998 besluit de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de tuchtbeslissing goed te keuren. Dat is de tweede bestreden beslissing. 1.12. Met een aangetekende brief van 3 maart 1998 dient verzoeker bij de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn beroep in tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie. 1.13. Op 8 juli 1998 besluit de minister, na verzoeker en het OCMW en hun respectieve raadslieden te hebben gehoord, het beroep van verzoeker te verwerpen en de tuchtbeslissing van 27 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn goed te keuren. Deze beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen : “Overwegende dat de raadsbeslissing van 27 november 1997 een uitvoerige beschrijving van konkrete gebeurtenissen en feiten inhoudt die deze tenlasteleggingen staven; Overwegende dat de heer Van Bogaert medische redenen als verschoningsgrond aanvoert en stelt dat de ten laste gelegde feiten niet tuchtrechtelijk bestraft kunnen worden daar zij het gevolg zijn van zijn gezondheidstoestand; Overwegende dat de heer Van Bogaert aan de OCMW-raad twee medische getuigschriften voorlegde, gedateerd van 24 september 1997, waarin de behandelende geneesheer het volgende attesteert : ‘dat de aandoeningen waarvoor betrokkene in behandeling is uitsluitend te wijten zijn aan een uitgesproken stresstoestand waarin hij vooral de laatste zes maanden verkeert’; Overwegende dat de raad voor maatschappelijk welzijn deze argumentatie onderzoekt; dat de raad stelt dat hoge werkdruk en moeilijke werkomstandigheden geen medische redenen zijn die een verschoning voor de feiten kunnen vormen; dat daarenboven deze factoren inherent aan het ambt van secretaris zijn; dat zij niet als rechtvaardiging kunnen worden ingeroepen, temeer daar het niet om één feit maar om veelvuldige feiten gaat; dat daarenboven, zo IX-1443-22/55 blijkt uit het tuchtdossier, (...) de secretaris bijna niets delegeert zodat hij zelf minstens voor een deel verantwoordelijk is voor de grote werkbelasting; Overwegende dat de raad tevens stelt dat in de voorgelegde attesten met geen woord over een depressie gerept wordt; dat het de raad niet toekomt de behandelende geneesheer over ‘de aandoeningen’ te ondervragen; dat hetzelfde geldt voor de controle-arts die enkel bevestigt of een afwezigheid wegens ziekte gerechtvaardigd is of niet; Overwegende dat de raad verder stelt dat het aanvaarden van een depressie of stresstoestand als verschoningsgrond post factum voor gevolg zou hebben dat iedere tuchtrechtelijke vervolging onmogelijk zou worden; dat het immers zou volstaan zich achteraf op stress of op een depressie te beroepen om te vermijden dat feiten die men gepleegd heeft als tuchtfeiten bestraft kunnen worden; Overwegende dat de heer Van Bogaert bijkomende attesten heeft voorgelegd aan de bestendige deputatie; dat de voorgelegde stukken een verzoek tot onderzoek van de huisarts aan de specialist en een verslag van deze neuro- psychiater zijn; dat deze dokter-specialist evenwel stelt geen uitspraak te kunnen doen over de psychische toestand waarin de heer Van Bogaert in de periode 1996-1997 verkeerde vermits hij hem toen niet heeft onderzocht; dat ook deze attesten niets bewijzen over de ziekte van de heer Van Bogaert op het ogenblik van de feiten; Overwegende dat de verdediging in beroep een getuigschrift van 30 maart 1998 voorlegt waarin dezelfde huisarts in naam van de controlerende arts van de RVA spreekt; dat evenwel ook hieruit niet blijkt dat de feiten door de heer Luk Van Bogaert in 1997 gepleegd, het gevolg van ziekte en dus verschoonbaar zijn; Overwegende dat de bewijslast van de medische verschoningsgrond op het personeelslid rust dat moet aantonen dat de ten laste gelegde feiten te verklaren zijn door zijn gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten; dat de door de heer Van Bogaert voorgelegde attesten dit bewijs niet leveren; dat de raad voor maatschappelijk welzijn geen onzorgvuldigheid in de feitenvinding kan worden verweten; dat de raad terecht de feiten als tuchtfeiten heeft gekwalificeerd; Overwegende dat de verdediging verder aanvoert dat de raad voor maatschappelijk welzijn voor zijn beslissing van 27 november 1997 ongeldig samengesteld was doordat vier raadsleden onder druk gezet werden om niet aan de raadszitting deel te nemen; Overwegende dat het OCMW hierop antwoordt dat aan de drie leden van het vast bureau die het tuchtverslag ten laste van de heer (Van) Bogaert vaststelden gevraagd werd van deelname aan de beraadslaging over de tuchtstraf af te zien omwille van het onpartijdigheidsbeginsel; Overwegende dat de Raad van State in het arrest Calmeyn, nr. 58.447 van 4 maart 1996 bevestigd heeft dat zelfs een vermoeden van partijdigheid voldoende is om het onpartijdigheidsbeginsel te schenden; Overwegende dat de leden van het vast bureau door op 8 september 1997 het tuchtverslag ten laste van de OCMW-secretaris vast te stellen, minstens de schijn van partijdigheid hebben gewekt; dat de raad, ter vrijwaring van de wettigheid van zijn beslissing, terecht aan deze raadsleden gevraagd heeft niet bij de besluitvorming aanwezig te zijn; IX-1443-23/55 Overwegende dat naast deze drie raadsleden ook aan raadslid G. Vinck gevraagd werd niet aan de beraadslaging van 27.11.97 deel te nemen; Overwegende dat artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet voorschrijft dat de leden van het tuchtorgaan die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, niet aan de beraadslaging noch aan de stemming mogen deelnemen; Overwegende dat raadslid G. Vinck laattijdig op de hoorzitting van 17 november 1997 toekwam; dat de hoorzitting niet volledig opnieuw werd overgedaan; dat raadslid Vinck terecht werd verzocht niet aan de raadszitting van 27 november 1997 deel te nemen; Overwegende dat de OCMW-raad zijn beslissing van 27 november 1997 conform artikel 32 van de organieke wet heeft getroffen in aanwezigheid van de meerderheid van de zitting hebbende leden; dat deze beslissing geldig werd genomen; Overwegende dat de heer Van Bogaert aanvoert dat de straf niet in verhouding tot de gepleegde feiten staat en de raad met verzachtende omstandigheden onvoldoende rekening heeft gehouden; Overwegende dat de strafmaat tot de discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid behoort; dat het de toeziende overheid niet toekomt zich in de plaats van het lokale bestuur te stellen; dat enkel dient te worden nagegaan of de straf in een redelijke verhouding staat tot de feiten; Overwegende dat het gaat om feiten die door het hoofd van het personeel werden gepleegd; dat deze feiten een ernstige tekortkoming aan de beroepsplichten betekenen; dat deze feiten de goede werking van het bestuur in het gedrang brengen en het imago van dat bestuur schaden; dat de raad de keuze van de straf bijzonder motiveert; dat deze straf niet kennelijk onredelijk is; Overwegende dat de argumentatie die de verdediging haalt uit verwijzingen naar de zaak van de ontvanger van het OCMW in de voorliggende aangelegenheid niet dienend zijn; dat conform de rechtspraak van de Raad van State, arrest nr. 48.296, Geboes, van 28 juni 1994, noch de tuchtoverheid noch de toeziende overheid alle argumenten van de verdediging moet beantwoorden;”. Dat is de derde bestreden beslissing. 2. Over de ontvankelijkheid. IX-1443-24/55 2.1.1. Overwegende dat in fine van zijn verzoekschrift verzoeker de Raad van State in ondergeschikte orde vraagt de hem bij tuchtmaatregel opgelegde maximumstraf "niet goed te keuren"; 2.1.2. Overwegende dat de Raad van State uit geen enkele wetsbepaling de bevoegdheid put om administratieve beslissingen "niet goed te keuren"; dat het beroep in zoverre niet ontvankelijk is; 2.2.1. Overwegende dat in fine van zijn memorie van wederantwoord verzoeker “ondergeschikt” aan de Raad van State vraagt “de beslissing te vernietigen wegens oplegging van een maximumstraf”; 2.2.2. Overwegende dat niet duidelijk is wat verzoeker hiermee precies bedoelt; dat hij vermoedelijk de mening is toegedaan dat een gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden tuchtbesluit en van de goedkeuring ervan mogelijk is, namelijk “voorzover” hem de maximumstraf wordt opgelegd en “voorzover” die maximumstraf is goedgekeurd; dat hij ervan uit lijkt te gaan dat indien de Raad van State tot het besluit zou komen dat er geen gegronde middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van het tuchtbesluit en van de goedkeuring daarvan kunnen verantwoorden, dan toch op zijn minst de opgelegde maximumstraf en de goedkeuring daarvan zouden moeten worden nietigverklaard; dat hij aldus lijkt te refereren aan het vierde middel, waarin hij de onevenredigheid van de opgelegde tuchtstraf aanvoert; dat het bestreden tuchtbesluit en de goedkeuring ervan te dezen echter elk ondeelbaar zijn en, indien de opgelegde tuchtsanctie wegens onevenredigheid onwettig zou worden bevonden, zulks leidt tot de gehele nietigverklaring van zowel het tuchtbesluit als het goedkeuringsbesluit; dat verzoekers zogenaamde “ondergeschikte vordering” dan ook niet te onderscheiden is van zijn hoofdvordering; 2.3. Overwegende, ambtshalve, dat het besluit van 5 februari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de tuchtbeslissing van 27 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn IX-1443-25/55 houdende het ontslag van ambtswege van verzoeker wordt goedgekeurd, geen rechtsgevolgen meer heeft; dat, immers, het beroep dat verzoeker met toepassing van artikel 53, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tegen dat goedkeuringsbesluit heeft ingesteld, een devolutief karakter heeft; dat de vordering dus niet ontvankelijk is in zoverre ze tegen het besluit van de bestendige deputatie is gericht; 2.4.1. Overwegende dat de Vlaamse Regering opwerpt dat het verzoekschrift niet met nauwkeurigheid aantoont welke precieze rechtsregels of rechtsprincipes de bestreden beslissingen geschonden zouden hebben en dat de wijze waarop verzoeker zijn middelen uiteenzet breedsprakig, dikwijls onduidelijk, niet precies is; dat zulks naar haar mening niet enkel onbestaanbaar is met de summaria cognitio die het administratief kort geding kenmerkt, maar ook ten gronde enkel aanvaardbaar is in zoverre zij in staat is gebleken om de wezenlijke argumenten van verzoeker te beantwoorden; 2.4.2. Overwegende dat, of het nu een annulatieberoep dan wel een vordering tot schorsing betreft, onduidelijke annulatiemiddelen met het oog op het recht van verdediging van de tegenpartijen maar ontvankelijk zijn voorzover en in zoverre ze voor die tegenpartijen beantwoordbaar zijn; dat in dezen de aangevoerde middelen in het verzoekschrift weliswaar niet altijd even duidelijk worden uiteengezet, doch het voor een welwillend verstaander niet onmogelijk is om een afdoend inzicht te verwerven in de essentie van de wettigheidsbezwaren die verzoeker tegen de bestreden besluiten laat gelden, zodanig dat op een gepaste wijze op die bezwaren kan worden gerepliceerd; dat de Vlaamse Regering overigens in staat is gebleken om de wezenlijke argumenten van verzoeker tegen te spreken; dat in die mate verzoekers uiteenzetting van annulatiemiddelen ontvankelijk is; dat hierna die uiteenzetting in die mate zal worden behandeld; 3. Over de grond van de zaak. IX-1443-26/55 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel "schending van het principe dat de tuchtoverheid het bewijs van schuld moet aanbrengen: tuchtfeiten zijn niet bewezen" aanvoert; dat hij ter staving daarvan stelt dat de tuchtfeiten die hem door de tuchtoverheid ten laste gelegd zijn en die aan de grondslag liggen van het bestreden tuchtbesluit, niet bewezen zijn; dat hij dienaangaande met betrekking tot elk van de feiten die in het tuchtbesluit in aanmerking zijn genomen ter staving van de opgelegde tuchtmaatregel de volgende argumentatie ontwikkelt:
- a)betreffende het uiten van onterechte beschuldigingen, beledigingen, onterechte woedeuitbarstingen, intimidaties en gebruik van schuttingtaal ten aanzien van het personeel en de persoon van de voorzitter van het OCMW op diverse tijdstippen: verzoeker heeft spijt over een aantal feiten, maar andere feiten werden opgeschroefd en ingevolge toegenomen werkdruk, moeilijker werkomstandigheden en een voorval dat zich op 6 december 1996 heeft voorgedaan, is hij in een stresstoestand verzeild geraakt waardoor die feiten “geheel verklaarbaar en verschoonbaar zijn”; verzoeker wijst er voorts op dat de getuigenissen die door de raad voor maatschappelijk welzijn zijn aangenomen als bewijs van de ten laste gelegde feiten, gering in aantal zijn, gelet op het totaal van honderd twintig personeelsleden die bij het OCMW van Zwijndrecht in dienst zijn en met de meerderheid waarvan hij een goede verstandhouding heeft; tevens stelt verzoeker dat zijn “korzelige en zelfs met momenten agressieve houding” dient te worden begrepen in het licht van de toenemende financiële mistoestand waaraan de ontvanger van het OCMW schuld had;
- b)betreffende het verhinderen en opzettelijk saboteren van de goede werking van het OCMW/desorganisatie van de werking: deze tenlastelegging wordt in het bestreden tuchtbesluit gestaafd door een verwijzing naar twee concrete situaties, vooreerst zou verzoeker een personeelslid hebben verboden aan de voorzitter van het OCMW een kopie te bezorgen van de lijst van inschrijvingen voor de bejaardenflats; bovendien zou verzoeker geen gevolg hebben gegeven aan de herhaalde vraag van het verantwoordelijke personeelslid om de uitbreiding van de personeelsformatie van de poetsdienst op de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn te plaatsen; wat de eerste situatie betreft, laat verzoeker gelden dat er alleen een bezwaar bestaat tegen het meedelen van de volledige originele lijst van de inschrijvingen, met inbegrip van de eventueel daarop voorkomende persoonlijke medische informatie, voorts IX-1443-27/55 betoogt hij dat hij toentertijd met vakantie was, zodat “het vreemd is dat wordt gesteld dat de secretaris zou hebben verboden om de lijst met namen te bezorgen”; met betrekking tot de tweede situatie roept verzoeker in dat het niet tot zijn bevoegdheid behoort de agenda van de raad voor maatschappelijk welzijn op te stellen;
- c)agressief gedrag in strijd met de waardigheid van het ambt: verzoeker betoogt dat de ten laste gelegde feiten “geheel overdreven, maar in hun werkelijke context begrijpelijk en verschoonbaar [zijn] in de stresstoestand waarin betrokkene verkeerde";
- d)foutieve notulering van een beslissing van het vast bureau/ het niet-uitvoeren van de werkelijk genomen beslissing van het vast bureau/ poging om verbintenissen aan te gaan namens het OCMW zonder dat hiertoe opdracht werd gegeven: verzoeker beweert dat hij op de desbetreffende vergadering van het vast bureau niet aanwezig was, zodat hij de genomen besluiten niet foutief kan hebben genotuleerd; voorts wijst hij erop dat het werkelijk genomen besluit niet wettelijk was en dan ook nooit is uitgevoerd, maar naderhand vervangen door “een betere en wettelijke oplossing”;
- e)bedreiging van Eliane BUYLE met het oog op ondertekening van een gewijzigde personeelsevaluatie: verzoeker ontkent dat er van een bedreiging sprake is geweest; indien de discussie zou zijn opgelopen, dan is dat volgens hem uitsluitend te wijten geweest aan “de stresstoestand die werd geschapen sedert einde 1996”;
- f)het aanzetten op 16 mei 1997 van de personeelsleden Linda DE POORTERE en Hilde D’HOLLANDER om slechts de taken uit te voeren waartoe de wet hen verplicht en met de heer Luk VAN BOGAERT aan één kant te staan ten opzichte van het OCMW-bestuur: verzoeker betoogt dat de betrokken personeelsleden de graad hebben van administratief medewerker (niveau C) en dat er geen wettelijke omschrijving bestaat van de taken die zij dienen uit te voeren; hij laat gelden dat hij slechts de bedoeling had door de afbakening van de opdrachten van het secretariaatspersoneel de goede werking van het secretariaat te bevorderen en de overbevraging van het secretariaatspersoneel door andere diensten van het OCMW een halt toe te roepen, tevens beoogde hij te voorkomen dat personeelsleden betrokken zouden geraken bij de moeilijkheden met de ontvanger of dat zij zouden worden belast met taken die hun capaciteiten overstijgen; de desbetreffende situatie IX-1443-28/55 wordt naar zijn oordeel dan ook “in een verkeerd daglicht gesteld, en uit zijn werkelijke context gelicht”;
- g)niet behoorlijk uitvoeren van de opdracht gegeven door de voorzitter op 15 mei 1997 met betrekking tot een dienstnota inzake het openen van briefwisseling, weigering gevolg te geven aan diverse herinneringen en aanmaningen van de voorzitter desbetreffend en schending van het briefgeheim: verzoeker situeert het geschil in het kader van de moeilijkheden die zich met de OCMW-ontvanger hebben voorgedaan in verband met de behandeling van gelden: de klacht ging uit van de ontvanger die voor de bescherming van zijn privé-post de secretaris als pottenkijker wenste uit te schakelen; verzoeker verklaart zijn handelwijze in dezen door zijn opdrachten als hoofd van het archief en als bewaker van de procedures en termijnen ten laste van het OCMW; hij zag zich door de “niet doordachte” instructies van de voorzitter in de uitvoering van die opdrachten gedwarsboomd;
- h)weigering dienstnota’s vanwege de voorzitter in ontvangst te nemen: verzoeker voert aan dat de desbetreffende dienstnota “een zoveelste uiting was van wantrouwen” tegenover de secretaris en dat hij, vermits hij “geheel onder stress stond”, hierop niet kalm kon reageren; 3.1.2. Overwegende dat het OCMW van Zwijndrecht in zijn memorie van antwoord telkens de overeenstemmende overwegingen van het bestreden tuchtbesluit aanhaalt waaruit naar zijn oordeel blijkt dat de ten laste gelegde feiten die in aanmerking zijn genomen als tuchtfeiten, afdoende bewezen zijn; dat voor wat de bespreking van de door verzoeker ingeroepen verschoningsgronden betreft, het verwijst naar zijn uiteenzetting over het tweede middel; dat met betrekking tot het eerste tuchtvergrijp dat aan verzoeker ten laste wordt gelegd, het laat gelden dat verzoeker de concrete feiten die hem worden verweten nooit heeft betwist voor de tuchtoverheid en dit ook niet doet in zijn verzoekschrift; dat de vraag naar het bewezen zijn van die feiten naar zijn oordeel derhalve niet rijst en dat bovendien in het bestreden tuchtbesluit aangenomen wordt dat het eerste tuchtvergrijp op zich ernstig genoeg is om de maximumstraf van het ontslag van ambtswege te verantwoorden, zodat de vraag of de andere tuchtvergrijpen bewezen zijn eigenlijk niet relevant is; dat met betrekking tot sommige andere tuchtvergrijpen het OCMW IX-1443-29/55 van Zwijndrecht vaststelt dat verzoeker een aantal feiten die hem ten laste worden gelegd, tracht te verantwoorden door ze te betrekken op de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan met de OCMW-ontvanger, doch dat niet alleen verzoeker daarvan nooit gewag heeft gemaakt voor de tuchtoverheid, bovendien de aanwijzingen van fraude die aan de kant van de ontvanger werden geconstateerd, niet relevant zijn bij de beoordeling van de wettigheid van de tuchtstraf opgelegd aan verzoeker; dat het OCMW van Zwijndrecht ten slotte betoogt dat verzoeker in zijn argumentatie ter weerlegging van het bewezen zijn van een aantal tuchtvergrijpen, nog andere omstandigheden inroept waarvan hij voorheen geen gewag heeft gemaakt voor de tuchtoverheid en waarmee deze dan ook geen rekening heeft kunnen houden; dat het OCMW van Zwijndrecht telkenmale uiteenzet waarom naar zijn oordeel ook die nieuw ingeroepen gegevens geen afbreuk kunnen doen aan de bewijskrachtige stukken welke zijn opgenomen in het administratief dossier; 3.1.3. Overwegende dat volgens de Vlaamse Regering verzoekers argumentatie, die vaak vaag en onduidelijk is, geen afbreuk vermag te doen aan de overwegingen van het tuchtbesluit die op een overtuigende manier, onder verwijzing naar de relevante en bewijskrachtige stukken van het administratief dossier, uiteenzetten waarom de aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijpen geacht mogen worden bewezen te zijn; dat verzoeker niet meer doet dan de ten laste gelegde feiten minimaliseren, maar er aldus niet in slaagt de stukken van het administratief dossier te ontkrachten; dat de medische redenen die door verzoeker worden ingeroepen, - zoals het tuchtbesluit terecht overweegt - niet bij machte zijn de ten laste gelegde tuchtfeiten te verschonen; 3.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord letterlijk herhaalt wat hij met betrekking tot het middel reeds in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat hij in zijn laatste memorie verklaart niet anders te kunnen handelen omdat de verwerende partijen zijn argumenten niet beantwoorden en hij aan zijn uiteenzetting omtrent het middel niets wezenlijks toevoegt; IX-1443-30/55 3.1.5. Overwegende dat de Vlaamse Regering in haar laatste memorie opmerkt -en dat geldt ook ten aanzien van de andere middelen - dat de memorie van wederantwoord en de laatste memorie van verzoeker grotendeels de herhaling zijn van het verzoekschrift en dat hij niets inbrengt tegen de overwegingen van het tussenarrest waarbij de vordering tot schorsing verworpen werd; 3.1.6.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel betwist dat de feiten die door het bestreden tuchtbesluit van 27 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn als tuchtvergrijpen worden gekwalificeerd, werkelijk bewezen zijn; dat hij zodoende de vraag stelt naar de rechtens vereiste feitelijke grondslag van het voormelde besluit; dat in het arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 over de vordering tot schorsing het middel op grond van de volgende overwegingen niet ernstig werd bevonden : “[...] 5.1. Overwegende dat verzoeker sommige hem ten laste gelegde feiten wil verklaren door de stresstoestand waarin hij verkeerde; dat hij dat argument als een apart annulatiemiddel, het tweede, aanwendt; dat het dus geen zin heeft er hier aandacht aan te besteden; Overwegende dat wat verzoeker voor het overige ter ondersteuning van zijn eerste middel aanbrengt, hij grotendeels reeds heeft voorgelegd aan de derde of aan de eerste verwerende partij, die deze argumentatie van hun respectieve beslissingen weersproken hebben; dat de Raad zich bij die tegenspraak kan aansluiten; Overwegende dat dan nog resten de nieuwe argumenten van verzoeker, dat wil zeggen argumenten die hij bij zijn verweer niet aan de derde verwerende partij heeft voorgelegd; dat hij geen excuus aanvoert waarom hij dat niet heeft gedaan; dat de derde verwerende partij dus moet worden bijgevallen waar ze vraagt het middel niet ernstig te bevinden omdat de tuchtbeslissing werd gemotiveerd ‘gelet op o.m. het verweer zoals gevoerd vóór de tuchtoverheid’ en omdat zij slechts op dat verweer kon antwoorden; 5.2. Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is”; 3.1.6.2. Overwegende dat, zoals gezegd, verzoeker met betrekking tot het eerste middel in zijn memorie van wederantwoord niets toevoegt aan zijn verzoekschrift en hij dat evenmin doet in zijn laatste memorie; dat op grond van die uiteenzetting het middel door de hiervoor aangehaalde overwegingen van het IX-1443-31/55 voormelde arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 niet ernstig werd bevonden; dat met andere woorden verzoeker tegen de hiervoor aangehaalde overwegingen van het voormelde arrest niets wezenlijks weet in te brengen en in zijn laatste memorie ook niet reageert tegen de vaststelling in het auditoraatsverslag dat dit zo is; dat derhalve niet kan worden ingezien wat de Raad van State aan het standpunt aangenomen in voormeld arrest nog zou moeten toevoegen; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in zijn tweede middel "schendingen van Art. 282 Gemeentewet" /"feiten zijn niet tuchtrechtelijk toerekenbaar" aanvoert; dat hij betoogt dat de feiten die in het tuchtverslag zijn opgenomen, hem tuchtrechtelijk niet kunnen worden aangerekend om drie redenen : "er is verschoning wegens medische redenen", "geen feitelijke tuchtrechtelijke verwijtbaarheid" en "tijdelijke beroepsongeschiktheid van karakteriële aard"; dat hij daarbij vooreerst laat gelden dat de feiten die in het tuchtbesluit in aanmerking zijn genomen, te verklaren zijn als gevolgen van zijn medisch probleem en dat het bewijs daarvan voorligt in de bijgevoegde medische attesten, te weten een attest van 24 september 1997 van de huisarts, een brief zonder datum van de huisarts aan een neuropsychiater, een “kaart van medisch onderzoek” van 4 februari 1997 van de arbeidsgeneesheer, een brief van 18 januari 1998 van de neuropsychiater aan de huisarts en een “attest” van 30 maart 1998 van de huisarts; dat hij uit die stukken de passages aanhaalt die naar zijn oordeel tot uiting brengen dat de feiten die hem worden verweten voortkwamen uit de toestand van zware depressie die hem heeft getroffen en die op haar beurt voortvloeide uit de uitgesproken stresssituatie waarin hij zich sinds december 1996 bevond; dat naar hij betoogt de rechtspraak van de Raad van State en de rechtsleer aannemen dat feiten die, zoals in zijn geval, een gevolg zijn van een ziektetoestand, niet tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd; dat hij voorts nog stelt dat zijn ziektetoestand heeft geleid tot zijn onvermogen tot inschatting van zijn persoonlijke psychische toestand en tot inschatting van de verwijtbaarheid van de betrokken feiten, waardoor hij nogmaals besluit tot de afwezigheid van feitelijke tuchtrechtelijke verwijtbaarheid; dat verzoeker zijn situatie tijdens de periode waarin de hem ten laste gelegde feiten werden vastgesteld, typeert als een tijdelijke beroepsongeschiktheid wegens karakteriële stoornissen waardoor, volgens hem, overeenkomstig wat wordt IX-1443-32/55 aangenomen in de rechtspraak, die feiten niet in aanmerking kunnen worden genomen als tuchtfeiten; 3.2.2. Overwegende dat het OCMW van Zwijndrecht antwoordt dat op het ogenblik dat de raad voor maatschappelijk welzijn het bestreden tuchtbesluit nam, verzoeker slechts de medische attesten van zijn huisarts had overgelegd, zodat de raad alleen daarmee rekening kon houden, niet met de attesten en verklaringen die verzoeker pas ter gelegenheid van de procedures voor de bestendige deputatie en voor de minister heeft overgelegd en die ook dateren van na het tuchtbesluit; dat volgens hem verzoeker tijdens de procedure voor de raad voor maatschappelijk welzijn er niet in geslaagd is het bestaan van een mogelijke verschoningsgrond te bewijzen en dat uit de overwegingen van het bestreden tuchtbesluit genoegzaam blijkt waarom met de aangevoerde ziektetoestand geen rekening kon worden gehouden; dat wat de stukken betreft die verzoeker voor de bestendige deputatie en voor de minister heeft aangebracht, het OCMW van Zwijndrecht inzonderheid laat gelden dat deze post factum werden opgesteld, op basis van verklaringen van verzoeker zelf, en dat ze geen uitspraak doen over verzoekers psychische gezondheidstoestand tijdens de periode dat de ten laste gelegde feiten zich hebben afgespeeld; dat het OCMW van Zwijndrecht voorts meent dat de rechtspraak van de Raad van State die door verzoeker wordt aangehaald, in de onderhavige zaak niet kan worden toegepast; dat het ten slotte opmerkt dat verzoekers stelling volgens welke de feiten bij gebrek aan inzicht van zijn kant niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn en bovendien kunnen worden verklaard door tijdelijke beroepsongeschiktheid van karakteriële aard, door betrokkene niet werd voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn en door de raad dan ook niet kon worden beantwoord; dat het ten slotte de mening is toegedaan dat verzoeker ter zake niet het minste geloofwaardige en dienende bewijs aanvoert; 3.2.3. Overwegende dat de Vlaamse Regering er vooreerst op wijst dat artikel 282 van de nieuwe gemeentewet niet dienstig is voor hetgeen verzoeker in het middel aanvoert; dat zij voorts beklemtoont dat wanneer verzoeker een medische verschoningsgrond inroept met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten, hij IX-1443-33/55 moet aantonen dat de ingeroepen ziektetoestand zich voordeed op het ogenblik van de feiten; dat uit de attesten van 24 september 1997 van de huisarts die verzoeker aan de raad voor maatschappelijk welzijn heeft overgelegd, echter geenszins blijkt dat verzoeker op het ogenblik van de feiten aan een depressie leed en dat bovendien de raad voor maatschappelijk welzijn terecht de vraag kon stellen hoe een geneesheer post factum kan vaststellen dat een patiënt zich de voorbije zes maanden in een stress- of depressieve toestand bevond; dat de Vlaamse Regering er voorts op wijst dat het verslag van 18 januari 1998 van de neuropsychiater geen uitspraak doet over de psychische toestand van verzoeker in 1996 en 1997 en dus geen enkele verschoningsgrond kan staven; dat zij ten slotte met betrekking tot de “merkwaardige verklaring” van 30 maart 1998 van verzoekers huisarts over de conclusies van de R.V.A.-geneesheer, tot de bevinding komt dat ook deze geen enkel bewijs inhoudt van een medische verschoningsgrond voor de ten laste gelegde feiten; 3.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord weer letterlijk herhaalt wat hij met betrekking tot het middel in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring heeft aangevoerd, waaraan hij ditmaal toevoegt dat van hem niet kan worden geëist dat hij medische attesten voorlegt die van meet af aan het bestaan van een depressie bewijzen; dat hij betoogt dat depressie een aandoening is waar men slechts post factum achter komt en dat hij van in het begin wel attesten heeft voorgelegd in verband met elementen die later met andere samen wijzen op depressie; dat hij in zijn laatste memorie, aan de hand van het geneeskundig attest van 24 september 2002 (sic), ontkent dat er enkel vanaf die datum sprake zou zijn van een aandoening (depressie) maar dat het attest die toestand wijt aan een reeds sinds maanden bestaande stresssituatie, welke ook een ziektetoestand uitmaakt; dat verzoeker er voorts op wijst dat na de “Sinterklaas grap”, “wegens de inzinking na de feiten van 10-12-1996" ziekteverlof werd toegekend met de aanbeveling het werk slechts deeltijds te hervatten en dat uit het op 24 september 1997 afgegeven tweede attest kan worden afgeleid dat de ziektetoestand reeds vroeger bestond; dat verzoeker ook stelt dat waar in de medische attesten sprake was van “karakteriële stoornissen of veranderingen”, die ook wijzen op een ziektetoestand, de IX-1443-34/55 tuchtoverheid daarmee rekening had moeten houden bij het beoordelen van feiten welke bestonden in een agressief, koppig en onberedeneerd reageren; 3.2.5.1. Overwegende dat in het arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 over de vordering tot schorsing het middel op grond van de volgende overwegingen niet ernstig werd bevonden : “6. Overwegende dat het tweede middel ‘schendingen van Art. 282 Gemeentewet’ / ‘feiten zijn niet tuchtrechtelijk toerekenbaar’ is; Overwegende dat verzoeker betoogt dat de feiten die in het tuchtverslag zijn opgenomen, hem tuchtrechtelijk niet kunnen worden aangerekend om drie redenen : ‘er is verschoning wegens medische redenen’, ‘geen feitelijke tuchtrechtelijke verwijtbaarheid’ en ‘tijdelijke beroeps- ongeschiktheid van karakteriële aard’; 6.1.1. Overwegende, ten aanzien van de eerste der bovenvermelde redenen, dat de stukken die verzoeker voorlegt ten hoogste aantonen dat hij ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten in een stresstoestand verkeerde; dat hij zeker tegenover de derde verwerende partij niet meer dan dat bewezen heeft; dat deze in de motivering van haar bestreden beslissing naar behoren het argument van de stresstoestand heeft weerlegd; Overwegende dat verzoeker geen enkel stuk voorlegt dat aantoont dat hij ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten in een toestand van depressie verkeerde; 6.1.2. Overwegende, ten aanzien van de tweede der bovenvermelde redenen, dat verzoeker het heeft over zijn ‘onvermogen tot inschatting van zijn persoonlijke psychische toestand’, ‘versterkt doordat het Bestuur via de Voorzitter totaal in gebreke bleef om corrigerend op te treden’; dat de derde verwerende partij hem terecht lijkt te kunnen verwijten dat hij ‘deze uiteenzetting niet heeft gehouden voor de tuchtoverheid zelf’; dat ook niet blijkt dat verzoeker een geldig excuus had om de derde verwerende partij niet met dat argument te confronteren; dat overigens de vraag is of, hoe hij die ook vermocht in te schatten, zijn ‘persoonlijke psychische toestand’ aan de feiten hun tuchtrechtelijke aard kon ontnemen; dat de Raad zulks in 6.1.1. als onbewezen heeft moeten beschouwen; 6.1.3. Overwegende, ten aanzien van de derde der bovenvermelde redenen, dat niet valt in te zien hoe verzoeker de derde verwerende partij kan verwijten op dit punt niet te zijn ingegaan; dat immers nergens uit blijkt dat verzoeker zijn ‘karakteriële stoornissen’ als wel te onderscheiden van zijn medische toestand ten overstaan van de tuchtoverheid heeft doen gelden ter verantwoording van de niet-tuchtrechtelijke aard van de hem ten laste gelegde feiten; dat de derde verwerende partij dan ook met reden kan tegenwerpen dat zij niet kon ingaan op wat haar nooit werd verteld; dat die vaststelling volstaat om, zeker vooralsnog, geen verdere aandacht aan de derde reden te besteden; 6.2. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is”; IX-1443-35/55 3.2.5.2. Overwegende dat wat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie nog aanvoert geen afbreuk doet aan de bovenstaande overwegingen van het arrest nr. 79.841; dat nog steeds moet worden vastgesteld dat verzoeker aan de eigenlijke tuchtoverheid, dat is de raad voor maatschappelijk welzijn, geen enkel stuk heeft voorgelegd waaruit blijkt dat de feiten die hem ten laste worden gelegd, moeten worden toegeschreven aan een toestand van depressie waarin hij zou hebben verkeerd; dat tijdens zijn verhoor voor de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeker reeds heeft aangevoerd dat de hem verweten feiten worden verklaard door zijn ziektetoestand, maar dat toentertijd hij daarvan geen afdoende bewijs kon overleggen; dat meer bepaald verzoekers argumentatie met betrekking tot de stelling dat depressie het gevolg is van stress en dat reeds zijn afwezigheid wegens medische redenen einde 1996-begin 1997 te wijten was aan een depressie, al uitgebreid besproken werd in het tuchtbesluit en daar werd verworpen; dat dit terecht was, zoals ten overvloede blijkt uit de chronologie van de feiten vergeleken met de medische attesten, als volgt : - na het “Sinterklaasincident” van 6 december 1996 is verzoeker met ziekteverlof tot 1 februari 1997, datum waarop hij zijn functie voltijds weer opneemt, ofschoon de controledienst verzoeker overplaatsing en aanvankelijk deeltijds werk had aangeraden, wat kan wijzen op stress; - verzoeker is aan het werk van 1 februari tot ongeveer 15 juli 1997, wanneer hij ingevolge een fietsongeval arbeidsongeschikt wordt; tijdens die periode doen zich de meeste gewraakte tuchtfeiten voor; - op 22 augustus 1997 -tijdens zijn ziekteverlof- ondergaat verzoeker een maag- en darmonderzoek hetwelk niets aantoont in verband met de beweerde stress en depressie; - naar aanleiding van zijn verschijnen voor de raad voor maatschappelijk welzijn op 3 en 17 november 1997 in het kader van de huidige tuchtzaak, legt verzoeker twee attesten voor van zijn huisarts, dr. VAN DER LEEST, gedateerd 24 september 1997, één volgens welk hij nog niet in staat is het werk te hervatten of gehoord te worden en één volgens welk verzoekers aandoeningen te wijten zijn aan de uitgesproken stresssituatie waarin hij de laatste maanden verkeerde; IX-1443-36/55 - pas na de uitspraak van de bestreden tuchtstraf op 27 november 1997 legt verzoeker de volgende medische attesten en verslagen voor : -- een verslag van 3 november 1997 van dr. KEERSMAEKERS (neurologie) waarin besloten wordt tot spanningshoofdpijn; -- een verslag van 18 januari 1998 van neuropsychiater dr. STEIN dat besluit tot “aanpassingsstoornis” met depressieve stemming, waarbij echter wordt gepreciseerd dat geen uitspraak kan worden gedaan over verzoekers psychische toestand in 1996 en 1997, terwijl vastgesteld wordt dat verzoeker tijdens het onderzoek een zeer normale indruk maakt; -- een ongedateerd schrijven van dr. VAN DER LEEST waarschijnlijk gericht aan dr. STEIN, waarin na consultatie half juli 1997 de diagnose gesteld wordt van “zware psychische” depressie en gevraagd wordt die diagnose te bevestigen; Overwegende dat de medische attesten die verzoeker voorlegt de mogelijkheid niet uitsluiten dat de, toen de feiten zich voorgedaan hebben reeds bestaande stresstoestand, later geleid kan hebben tot een depressie, maar niet aantonen dat deze reeds ten tijde van de ten laste gelegde feiten bestond en een verschoningsgrond opleverde; dat bovendien verzoeker ook al een gelijkaardig gedrag had vertoond vóór zijn afwezigheid na de feiten van 6 december 1996; dat de verwerende partijen dan ook niet onredelijk handelden door te oordelen dat een stresstoestand, zo deze bestond, geen afdoende verschoningsgrond uitmaakte; dat, overigens, verzoeker blijkbaar tegen het advies in van zijn behandelende arts na zijn ziekteverlof het werk voltijds heeft hervat zodat het OCMW moeilijk kwalijk kan worden genomen dat het zijn gedrag tijdens de daaropvolgende periode ontoelaatbaar vond; dat het middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht, doordat de tuchtoverheid voorbij is gegaan aan de medische attesten die hij ter verantwoording van zijn ziektetoestand heeft ingediend, zonder uitgebreid en voorafgaand onderzoek te laten verrichten, en doordat zij de problemen met verzoeker gedurende zes maanden heeft laten aanslepen IX-1443-37/55 zonder een oplossing te zoeken, waarin verzoeker ook een gebrek aan fair play jegens hem onderkent; 3.3.2. Overwegende dat het OCMW van Zwijndrecht verwijst naar zijn uiteenzetting over het tweede middel en voorts antwoordt dat de tuchtoverheid de stukken die verzoeker heeft ingediend, wel degelijk zorgvuldig heeft afgewogen, zoals blijkt uit de motivering van het bestreden tuchtbesluit; dat het hierbij betoogt dat de voorzitter verscheidene malen aan verzoeker duidelijk heeft gemaakt dat zijn gedrag niet langer kon worden geduld en dat de raad voor maatschappelijk welzijn uiteindelijk, precies omwille van het belang van de dienst, verzoeker van ambtswege heeft ontslagen, zodat hem dan ook geen gebrek aan fair play kan worden verweten; 3.3.3. Overwegende dat de Vlaamse Regering stelt dat de tuchtoverheid en de minister alle ingediende medische attesten hebben beoordeeld, dat alle medische attesten echter post factum opgesteld werden en geen bewijs inhouden van verzoekers toestand op het ogenblik van de tuchtfeiten, zodat een nieuw onderzoek dan ook nutteloos was; dat zij evenmin inziet hoe te dezen sprake kan zijn van een schending van het algemeen belang: de overheid heeft steeds het recht tuchtrechtelijk in te grijpen, inzonderheid wanneer de orde zodanig wordt verstoord dat het belang van de dienst zou worden geschaad door het niet-optreden van de tuchtoverheid; dat volgens de Vlaamse Regering evenmin kan worden gewaagd van een schending van het fair-playbeginsel, wijl de tuchtoverheid, gelet op de veelvuldigheid en de ernst van de feiten, uiteraard kon beslissen tot het inleiden van een tuchtprocedure; 3.3.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord weer letterlijk herhaalt hetgeen hij met betrekking tot het middel in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring heeft aangevoerd en daar niets wezenlijks aan toevoegt; dat hij in zijn laatste memorie kritiek oefent op het arrest inzake de vordering tot schorsing, in zoverre het niet alle gegevens van het dossier zou hebben onderzocht, waar verzoeker voor de raad voor maatschappelijk welzijn reeds duidelijk het verband tussen stress en ziekte had gelegd; IX-1443-38/55 3.3.5.1. Overwegende dat in het arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 over de vordering tot schorsing het middel op grond van de volgende overwegingen niet ernstig werd bevonden : “7. Overwegende dat het derde middel ‘het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden door het bestuur’ is; Overwegende dat verzoeker de aangeklaagde schending ziet in, ten eerste ‘gebrek aan zorgvuldige evaluatie van de medische indicaties’, ten tweede ‘onzorgvuldigheid door schending van het belang van de dienst’, ten derde ‘onzorgvuldigheid door schending van fair play’; 7.1.1. Overwegende ten aanzien van de eerste beweerde schending, dat verzoeker de eerste en de derde verwerende partij meer bepaald aanwrijft wat volgt : ‘De tuchtoverheid en de goedkeuringsinstanties vergenoegen ten onrechte met de motivering dat 'het de Raad niet toekomt de behandelende dokter of de controledokter te ondervragen over de aandoeningen' van verzoeker; De overheid is echter precies VERPLICHT te onderzoeken als er twijfel is over de medische aard en oorzaak van de aandoeningen van verzoeker’; 7.1.2. Overwegende dat een der medische stukken die verzoeker heeft voorgelegd attesteert ‘dat de aandoeningen waarvoor (betrokkene) in behandeling is, uitsluitend te wijten zijn aan de uitgesproken stresssituatie waarin hij, vooral de laatste zes maanden, verkeert’; dat geen van verzoekers tegenpartijen heeft betwist dat verzoeker in een stresstoestand verkeerde, maar dat zij niet aannamen dat die stresstoestand de kwalificatie der feiten als tuchtfeiten kon ontkrachten; dat verzoeker niet duidelijk maakt hoe een nader inzicht in de ‘aandoeningen’, die volgens het medisch attest niet die stresstoestand veroorzaakten, maar er het gevolg van waren -de oorzaak van de aandoeningen was dus bekend, het was verzoekers stresstoestand, de overheid had dus geen reden om desaangaande ‘precies ... te onderzoeken’-, de tegenpartijen van dat standpunt hadden kunnen afhouden; dat als verzoeker van mening was dat een preciezere omschrijving van die aandoeningen een ander licht op de zaak kan werpen, hij die omschrijving aan zijn behandelende geneesheer, van wie het bewuste attest uitging, had kunnen vragen; dat de derde verwerende partij er zich met reden over beklaagt dat verzoeker nu eens de stress zelf, dan weer de aandoeningen ingevolge de stress als verschoningsgrond aanvoert; dat voor zulk een tactiek de Raad vooralsnog als enige uitleg vindt het verlangen om hoe dan ook aan het bestuur onzorgvuldig gedrag ten laste te kunnen leggen; 7.2.1. Overwegende ten aanzien van de tweede beweerde schending, dat de onzorgvuldigheid van de derde verwerende partij met betrekking tot het belang van de dienst volgens verzoeker hierin bestaat dat zij de problemen met hem gedurende zes maanden heeft laten aanslepen zonder een oplossing te zoeken; 7.2.2. Overwegende dat de enige echt relevante vraag die te dezen uit het oogpunt van het belang van de dienst gesteld kan worden is of dat belang IX-1443-39/55 verantwoordde dat, de zaken zijnde wat ze toen waren, op 27 november 1997 verzoeker bij wijze van tuchtmaatregel werd ontslagen; dat verzoekers argumentatie rechtens niet dienend is; 7.3.1. Overwegende, ten aanzien van de derde beweerde schending, dat verzoeker hetzelfde feitenmateriaal aanreikt als bij de tweede beweerde schending; 7.3.2. Overwegende dat wat verzoeker schending van de fair play noemt hierin zou kunnen bestaan dat de derde verwerende partij door haar houding verzoekers tuchtrechtelijk gedrag heeft uitgelokt om het dan met de bestreden tuchtmaatregel te bestraffen; dat van zoiets verzoeker niet eens een begin van bewijs levert; 7.4. Overwegende dat het derde middel niet ernstig is”; 3.3.5.2. Overwegende dat als repliek op de voormelde overwegingen van het arrest over de vordering tot schorsing, verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog laat gelden dat het juist is dat hij zijn “aandoeningen” had moeten laten preciseren door zijn arts, maar dat dit “niet eerder praktisch uitvoerbaar was dan in feite gebeurde”; dat men zich echter afvraagt waarom verzoeker, toen hij voor de raad voor maatschappelijk welzijn zijn ziektetoestand als verschoningsgrond inriep, aan de hand van medische attesten daarover niet meer klaarheid heeft kunnen brengen en geen afdoende bewijs heeft kunnen verstrekken van zijn stelling dat zijn gedrag door die ziektetoestand kon worden verklaard; dat zoals hiervoor bij de behandeling van het eerste middel is gebleken, de aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegde attesten niet het bewijs of vermoeden hebben geleverd van een ziektetoestand op het tijdstip dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan en dat ook de naderhand voorgelegde medische gegevens op niets meer wezen dan een stresstoestand; dat de tuchtoverheid dan ook geen onzorgvuldigheid kan worden verweten doordat zij op grond van de gegevens waarover zij beschikte toen zij haar beslissing moest nemen het niet nodig heeft geacht verzoeker aan een medisch onderzoek te onderwerpen; dat dit ook niet kan worden aangewreven aan de toezichthoudende overheid, die enerzijds weliswaar over bijkomende gegevens beschikte, maar anderzijds, gezien haar tot goedkeuring beperkte opdracht, aan die gegevens in redelijkheid geen zodanig doorslaggevend belang kon toekennen dat zij op grond ervan aan het tuchtbesluit haar goedkeuring had dienen te onthouden; IX-1443-40/55 Overwegende dat wat de aangevoerde schending van het fair- playbeginsel betreft, verzoeker nog laat gelden dat het bewijs daarvan “zonder meer” kan worden afgeleid uit “de ganse opbouw van het dossier en uit de feiten hiervoor aangehaald”; dat echter in het arrest over de vordering tot schorsing terecht wordt overwogen dat niet eens een begin van bewijs voorligt terwijl ook naderhand dat bewijs niet is geleverd; Overwegende dat het derde middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker in zijn vierde middel aanvoert dat het opleggen van de tuchtstraf ontslag van ambtswege het redelijkheidsbeginsel schendt; dat hij zijn standpunt onderbouwt door verscheidene bijzondere omstandigheden aan te halen die in zijn geval van toepassing zouden zijn en de opgelegde tuchtsanctie tot een onevenredige straf zouden maken; dat ze als volgt kunnen worden samengevat : - hij heeft meer dan veertien jaar lang bij het OCMW gewerkt zonder ooit tuchtrechtelijk te zijn bestraft; ook bij vroegere werkgevers werd hij niet gestraft; - hij heeft "zonder verpozen weken van meer dan 60 uren werk" gepresteerd om de dienstverlening van het centrum uit te breiden en een gunstige reputatie uit te bouwen; - hij is het slachtoffer geweest van pesterijen die ertoe hebben geleid dat hij in een toestand van stress en depressie is terechtgekomen, die de hem ten laste gelegde feiten grotendeels medisch verschoonbaar maakt, minstens als verzachtende omstandigheid moet werken; - hij heeft onder bijkomende druk gestaan ingevolge de misstanden die zich hebben voorgedaan met de ontvanger; - de OCMW-overheid heeft minstens passief de problemen doen toenemen door niet in te grijpen, doch slechts passief de feiten te registreren; - de tuchtoverheid heeft acht van de veertien hem ten laste gelegde tuchtfeiten niet in aanmerking genomen; - de opgelegde tuchtmaatregel heeft verregaande maatschappelijke en persoonlijke gevolgen voor verzoeker en zijn gezin; IX-1443-41/55 3.4.2. Overwegende dat het OCMW van Zwijndrecht stelt dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt en dat van een schending van het redelijkheidsbeginsel bij het uitoefenen van die bevoegdheid slechts sprake kan zijn wanneer de strafmaat volkomen onevenredig is; dat volgens hem uit de overwegingen van het bestreden tuchtbesluit blijkt dat ter zake er geen dergelijke onevenredigheid is en dat de tuchtoverheid wel degelijk rekening heeft gehouden met het blanco-tuchtverleden en de staat van dienst van verzoeker; dat volgens hem de omstandigheid dat de tuchtoverheid een aantal betichtingen uit het tuchtverslag niet heeft aangenomen, niet tot gevolg heeft dat de opgelegde tuchtstraf kennelijk onredelijk is, dat uit het tuchtbesluit immers blijkt dat de tuchtoverheid het eerste tuchtvergrijp alleen al voldoende ernstig acht om een maximumstraf te rechtvaardigen; 3.4.3. Overwegende dat de Vlaamse Regering vooreerst aanstipt dat verzoekers gedrag reeds vóór 1997 aanleiding gaf tot moeilijkheden, maar dat hij heeft volhard in de boosheid; dat verzoeker de overheid weliswaar verwijt dat zij niet is overgegaan tot overleg, maar daarbij uit het oog verliest dat overleg met hem onmogelijk was: verzoeker heeft zelf niet één stap gezet om zijn excuses voor bepaalde feiten aan te bieden of om zijn fouten of moeilijkheden te bespreken met ondergeschikten of oversten; dat volgens de Vlaamse Regering ook niet uit het oog mag worden verloren dat aan verzoeker niet één of enkele feiten worden verweten, maar een geheel van feiten over een langere periode en dat alleen reeds het eerste tuchtvergrijp een maximumstraf rechtvaardigt; dat zij besluit dat het ontslag van ambtswege door de toezichthoudende overheid niet kennelijk onredelijk werd geacht omdat verzoeker een topambtenaar is die een voorbeeldfunctie heeft te vervullen, omdat verzoeker het vertrouwen van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft beschaamd en de waardigheid van het ambt, de goede werking van de dienst en het imago van het OCMW naar buiten toe ernstig heeft geschaad; 3.4.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord letterlijk herhaalt hetgeen hij met betrekking tot dit middel reeds in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat hij in zijn laatste memorie aan het arrest IX-1443-42/55 over de schorsing verwijt dat het geen rekening heeft willen houden met de tekortkomingen en fouten bij het bestuur zelf die de feiten in de hand hebben gewerkt, noch met de realisaties van verzoeker en zijn blanco strafregister, wat volgens verzoeker meer dan alleen de keuze rechtvaardigde tussen ontslag en afzetting; 3.4.5.1. Overwegende dat in het arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 over de vordering tot schorsing het middel op grond van de volgende overwegingen niet ernstig werd bevonden : “[...] 8.1. Overwegende dat de derde verwerende partij erop wijst dat wat betreft de strafmaat van een tuchtmaatregel er alleen dan schending is van het redelijkheidsbeginsel wanneer de strafmaat volkomen onredelijk is; 8.2. Overwegende dat deze partij zulks terecht doet; dat over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf de tuchtoverheid discretionair oordeelt; dat het redelijkheidsbeginsel die discretionaire bevoegdheid enkel begrenst doordat het niet duldt dat een tuchtstraf in kennelijke wanverhouding staat tot de tuchtfeiten; dat door voor een zware sanctie te kiezen de tuchtoverheid over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf oordeelt; dat wat het redelijkheidsbeginsel de rechter toestaat, niet is dat oordeel van de tuchtoverheid over te doen, maar enkel is dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat, wanneer de door de tuchtoverheid geponeerde ‘verhouding’ in werkelijkheid volkomen ontbreekt, in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is; dat de argumenten die te dezen verzoeker ter ondersteuning van zijn middel aanvoert die evidente, voor zich sprekende, in redelijkheid onaanvaardbare wanverhouding niet aantonen; dat ze alleen maar aantonen dat ook met een lichtere tuchtstraf de overheid binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid gebleven zou zijn, niet dat ze buiten die grenzen is getreden op de hierboven omschreven onmogelijk goed te praten wijze; 8.3. Overwegende dat het middel niet ernstig is”; 3.4.5.2. Overwegende dat de argumentatie van verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie niets wezenlijks toevoegt aan zijn standpunt, dat door de bovenstaande overwegingen niet ernstig werd bevonden; dat hieraan nog zou kunnen worden toegevoegd dat, wijl de feiten bewezen moeten worden geacht zonder dat daarbij rekening moet worden gehouden met een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verzoeker, er dan geen onredelijkheid kan worden vastgesteld in de straftoemeting; dat voorts de omstandigheid dat geen rekening kan IX-1443-43/55 worden gehouden met de sanctievrije staat van dienst van verzoeker ook verband houdt met de functie die hij bekleedde; dat, immers, de raad niet licht zal overgaan tot het opleggen van een lagere straf dan het ontslag aan zijn hoogste ambtenaar, bijvoorbeeld, omdat dit diens gezag tegenover zijn ondergeschikten zou ondermijnen; dat die ondergeschikten hem ook niet zo gauw zullen durven aanklagen; dat als het dan eenmaal te ver gaat, hij er zich des te minder over kan beklagen dat hij een zware -doch in casu niet de zwaarste- straf krijgt; dat het vierde middel dan ook ongegrond moet worden verklaard; 3.5.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel machtsafwending aanvoert; dat hij een verband legt tussen eensdeels "tuchtfeit 12", de opdracht die hij op 15 mei 1997 van de voorzitter heeft gekregen om briefwisseling op naam van de voorzitter en van de ontvanger ongeopend aan betrokkenen te bezorgen en het feit dat hij in dezelfde periode niet meer de dubbels van de bankuittreksels van het centrum ontving, en anderdeels de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan met de OCMW-ontvanger en die hebben geleid tot diens preventieve schorsing en vervolgens ontslag op eigen verzoek; dat hij daarin een mogelijke reden ziet "voor de aandachtige waarnemer, om te denken aan een onwettige en bewuste uitschakeling van de secretaris, om andere redenen dan tuchtredenen, met name steeds redenen die verband kunnen houden met de financiële aspecten van het OCMW-beleid"; 3.5.2. Overwegende dat het OCMW van Zwijndrecht antwoordt dat de problemen die zich met de OCMW-ontvanger hebben voorgedaan, volkomen irrelevant zijn voor verzoekers tuchtzaak en hij ze slechts ter sprake brengt om de aandacht van zijn eigen tuchtfouten af te leiden; 3.5.3. Overwegende dat ook volgens de Vlaamse Regering verzoeker uit het oog verliest dat hem een tuchtstraf is opgelegd voor een aantal laakbare feiten die niets te maken hebben met de problemen van de OCMW-ontvanger en dat een en ander de hardnekkigheid illustreert waarmee verzoeker poogt de eigen fouten te minimaliseren en te verantwoorden; IX-1443-44/55 3.5.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord weer herhaalt wat hij met betrekking tot het middel in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat hij daar enkel aan toevoegt dat alle argumenten met betrekking tot de ontvanger niet eerder dan na een eerste behandeling door de OCMW-raad werden uitgewerkt omdat die feiten niet eerder bekend waren; dat hij in zijn laatste memorie aanvoert dat op zijn argumentatie niet werd ingegaan in het arrest over de vordering tot schorsing en hij nog wijst op een aantal volgens hem bevreemdende gegevens in verband met het niet bezorgen van bankuittreksels en geen toegang geven tot briefwisseling in verband met de tuchtprocedure tegen de ontvanger; 3.5.5. Overwegende dat in het arrest nr. 79.841 van 21 april 1999 over de vordering tot schorsing het middel niet ernstig bevonden werd omdat het niet méér bleek in te houden dan “insinuaties”; dat verzoeker in zijn latere memories geen concrete gegevens aanbrengt om de Raad tot een andere opvatting te brengen; dat verzoeker in zijn laatste memorie alleen vragen stelt maar geen concrete antwoorden geeft: enkel dat het zou kunnen gaan om malversaties inzake financieel beleid toe te dekken; dat met andere woorden hij, zoals in het bovengenoemde arrest werd besloten, vooral insinueert; dat het middel niet gegrond is; 3.6.1. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel "procedureproblemen en schending rechten van verdediging door de tuchtrechter" aanvoert; dat wat de “procedureproblemen” betreft hij stelt dat raadslid VINCK geen oproep voor de hoorzitting van 17 november 1997 heeft ontvangen, dat hij het bewijs hiervan ziet in "de handgeschreven nota's aan het einde van het PV van verhoor van 17.11.1997", waarin men volgens hem leest "dat Mevr. VINCK-PRESENT geen uitnodiging ontving voor die tweede hoorzitting"; dat hij voorts laat gelden dat indien men aanneemt dat het betrokken raadslid, door haar afwezigheid tijdens het eigenlijke verhoor op 17 november 1997, niet meer kon deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de tuchtstraf op 27 november 1997, men het verhoor volledig had moeten hernemen na een “nieuwe oproep”; dat verzoeker ten slotte ook lijkt te beweren dat het betrokken raadslid toch aan de beraadslaging en de stemming op IX-1443-45/55 27 november 1997 had kunnen deelnemen omdat uit de notulen van de vergadering van 17 november 1997 blijkt dat “de hoorzitting omstreeks 23.00 uur in het bijzijn van Mevr. VINCK raadslid [werd] hernomen”; dat wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, verzoeker aanvoert dat er geen twaalf werkdagen waren tussen de oproeping die hem op 5 november 1997 werd toegezonden, en de hoorzitting op 17 november 1997, waarin hij een schending van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet ontwaart; 3.6.2. Overwegende dat het OCMW van Zwijndrecht met betrekking tot de “procedureproblemen” antwoordt dat het raadslid in kwestie wel degelijk behoorlijk schriftelijk was uitgenodigd en dat betrokkene hoe dan ook kennis had van de datum en het tijdstip van het bijkomende verhoor omdat deze werd vastgesteld op de vergadering van 4 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn, waarop ze aanwezig was; dat het OCMW van Zwijndrecht voorts doet gelden dat uit het proces-verbaal van het verhoor blijkt dat de hoorzitting op 17 november 1997 slechts “formeel” werd heropend om de schriftelijke memories aan het raadslid te overhandigen, maar dat van een “daadwerkelijke heropening” met het volledig hernemen van de uiteenzetting van de raadsman van verzoeker geen sprake is, zodat het betrokken raadslid niet tijdens “het geheel van de hoorzittingen” aanwezig is geweest en bijgevolg overeenkomstig het voorschrift van artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet niet mocht deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de tuchtstraf; dat wat de eerbiediging van de oproepingstermijn voor de hoorzitting van 17 november 1997 betreft, het OCMW van Zwijndrecht antwoordt dat de termijn van twaalf werkdagen bedoeld in artikel 301 van de nieuwe gemeentewet enkel geldt voor de oproeping voor de eerste hoorzitting, dat wanneer die hoorzitting, zoals in de onderhavige zaak, wordt verdaagd op vraag van verzoeker, dan slechts het vereiste geldt dat er een redelijke termijn moet worden gelaten tussen de nieuwe oproeping en de daaropvolgende hoorzitting en dat overigens niet blijkt dat verzoeker door het niet in acht nemen van een termijn van twaalf werkdagen in zijn belangen zou zijn geschaad; IX-1443-46/55 3.6.3. Overwegende dat het betoog van de Vlaamse Regering betreffende de door verzoeker ingeroepen “procedureproblemen” overeenstemt met de hierboven samengevatte uiteenzetting van het OCMW van Zwijndrecht; dat wat de in acht te nemen oproepingstermijn betreft, de Vlaamse Regering uiteenzet dat naar haar oordeel het voorschrift van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet slechts van toepassing is op de oproeping voor de eerste hoorzitting,