id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.686 Rolnummer: A. 105203/IX-2878 Zaak: Arrest 138686 - - 20/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 17:00 Fiche Arrest nr 138.686 van 20 december 2004 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.686 van 20 december 2004 in de zaak A. 105.203/IX-2878. In zake : de VZW Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum “Karel CUYPERS”, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat W. MULS, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum “Karel CUYPERS” op 28 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 28 maart 2001, waarbij de aanvraag van de verzoekster van 27 februari 2001 om erkend en gesubsidieerd te worden als privaatrechtelijk Nederlandstalig archief- en documentatiecentrum op basis van het decreet van 27 juni 1985 (B.S. van 27 juni 1985), zoals gewijzigd bij decreet van 1 juli 1992 (B.S. van 4 september 1992) wordt afgewezen”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2878-1/14 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 6 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. KERKHOFS, die loco advocaat W. MULS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samen- gevat als volgt : 1.1. Het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra, zoals gewijzigd bij artikel 8bis van het decreet van 8 april 1987 -hierna : het decreet van 27 juni 1985- heeft blijkens de toelichting bij het voorstel dat dit decreet geworden is, tot doel de bewaring en valorisatie van de documentatie van de zogenaamde intermediaire structuren zoals politieke partijen, vakbonden, sociale en culturele IX-2878-2/14 verenigingen te bevorderen door het financieel ondersteunen van de documentatie- centra ter zake. Voor de totstandkoming van dit decreet bestonden, blijkens die toelichting en het commissieverslag, in de praktijk reeds documentatiecentra zoals het Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum te Leuven (KADOC), het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging te Gent (AMSAB), het Archief-, Documentatie- en Onderzoekscentrum van het Liberalisme te Gent (Liberaal Archief) en het Archief- en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme te Antwerpen (ADVN), die zich toelegden op de bewaring en de verwerking van het archief-, bibliotheek- en audiovisueel materiaal van hun ideologische strekking, die niet onder de bestaande archiefwetgeving vallen en jaarlijks via de begroting een subsidie ontvingen. Het voorstel van decreet wenste deze subsidie, blijkens het commissieverslag, decretaal te regelen, zoals ook vereist door de cultuurpactwetgeving, en is blijkens dat verslag het resultaat van onder- handelingen tussen deze centra en de overeenstemmende politieke partijen. De ter zake relevante bepalingen ervan luiden als volgt : “Art. 2. De Vlaamse Executieve verleent, onder de bij dit decreet bepaalde voorwaarden, toelagen aan de in artikel 3 bedoelde Nederlandstalige archief- en documentatiecentra. Art. 3. Onder archief- en documentatiecentrum wordt in het kader van dit decreet verstaan een instelling die tot doel heeft het behoud en de ontsluiting ten behoeve van studie en onderzoek van het patrimonium van de ideologisch- filosofische stromingen in Vlaanderen, met name de katholieke, de socialistische, de liberale en de Vlaams-nationale. Art. 4. Om als Nederlandstalig archief- en documentatiecentrum erkend te worden en te blijven moeten de betrokken instellingen : 1. tot stand gekomen zijn met het doel archief- en documentatiemateriaal met betrekking tot de geschiedenis en de actualiteit van de in artikel 3 vermelde ideologisch-filosofische stromingen te verzamelen, te ordenen, te inventariseren en voor het onderzoek toegankelijk te stellen; tevens fungeren zij als dienstverlenende centra ten aanzien van hun bewaargevers, de overheid, de media-wereld en het publiek; 2. opgericht zijn door het particulier initiatief en rechtspersoonlijkheid hebben; (...) IX-2878-3/14 Art. 5. Er kan slechts één archief- en documentatiecentrum per ideologisch- filosofische strekking zoals bedoeld in artikel 3, worden erkend. (...) Art. 7. § 1. Voor de erkende archief- en documentatiecentra omvat de jaarlijkse toelage : 1. een gelijk basisbedrag, dat tenminste omvat :
- a)het bedrag van de bezoldiging volgens artikel 6, § 2 en § 3 van één personeelslid met beleidsverantwoordelijkheid;
- b)een vaste basis- en werkingstoelage van 500.000 frank; 2. een toelage aan elk van de in artikel 3 bedoelde centra, waarvan het bedrag berekend wordt volgens een verdeelsleutel die voor de periode van 1 januari 1986 tot 31 december 1989 vastgesteld wordt als volgt : - Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum : 45 ten honderd; - Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging : 30 ten honderd; - Archief-, Documentatie- en Onderzoekscentrum voor het Liberalisme : 12,5 ten honderd; - Archief- en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme : 12,5 ten honderd. Deze verdeelsleutel kan na afloop van elke periode van vijf jaar bij decreet worden herzien na eensluidend advies van de Raad van de Archief- en Documentatiecentra waarvan sprake in artikel 9. § 2. De basistoelage vermeld onder § 1, 1 en de variabele toelage vermeld onder § 1, 2 bedragen respectievelijk 30 en 70 ten honderd van de totale toelage. § 3. De Vlaamse Executieve kan het onder § 1, 1,
- b)vermelde bedrag aanpassen aan de stijging van de levensduurte”. 1.2. Het besluit van de Vlaamse Regering van 6 november 1985 betreffende de erkenning van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra voert artikel 4 van het decreet van 27 juni 1985 inzake de erkenning verder uit door het uitwerken van een erkenningsprocedure en het bepalen van regels inzake behoud en intrekking van de erkenning. Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 1986 betreffende de Raad van de Archief- en Documentatiecentra voert artikel 9 van het decreet uit. 1.3. De verzoekende partij werd op 17 april 1986 opgericht door de VZW Unie Vrijzinnige Verenigingen, de VZW Vrijzinnige Koepel en de VZW Uitstraling VUB , Centrum Permanente Vorming, met als doel om "in de geest van het vrij onderzoek, door middel van wetenschappelijk gefundeerd studiewerk en het interdisciplinair onderzoek bij te dragen tot de ondersteuning van de vrijzinnige IX-2878-4/14 gedachte, diensten te verlenen aan de vrijzinnige organisaties en instellingen, de deskundigheid van vrijwilligers en beroepskrachten te bevorderen en het vrijzinnig gedachtengoed te verspreiden langs alle beschikbare kanalen. Tevens zal de vereniging alle archief- en documentatiemateriaal met betrekking tot de geschiedenis en de actualiteit van de vrijzinnige gedachtenstroming verzamelen, ordenen, inventariseren en voor het onderzoek toegankelijk stellen". 1.4. Met een brief van 27 februari 2001 dient de verzoekende partij, op basis van het decreet van 27 juni 1985, een aanvraag tot erkenning en subsidiëring als privaatrechtelijk Nederlandstalig archief- en documentatiecentrum in. 1.5. Met een brief van 28 maart 2001 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de verzoekende partij mee dat haar aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen voor verdere behandeling. Dat is de bestreden beslissing die als volgt luidt : “Via schrijven d.d. 27 februari 2001, vraagt het Vrijzinnige Studie-, Archief- en Documentatiecentrum ‘Karel Cuypers’ een erkenning en subsidiëring als privaatrechtelijk Nederlandstalig archief- en documentatiecentrum op basis van het decreet van 27 juni 1985 houdende de erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra. In toepassing van artikel 3 en 7 van het voornoemde decreet kan de aanvraag van het Vrijzinnig- , Archief- en Documentatiecentrum ‘Karel Cuypers’ niet erkend en gesubsidieerd worden. • Artikel 3 stelt: ‘Onder archief- en documentatiecentrum wordt in het kader van het decreet verstaan een instelling die tot doel heeft het behoud en de ontsluiting ten behoeve van de studie en onderzoek van het patrimonium van de ideologisch-filosofische stromingen in Vlaanderen, met name de katholieke, de socialistische, de liberale en de Vlaams-nationale.’ • Artikel 7 somt deze vier stromingen met naam op : ‘§ 1. Voor de erkende archief- en documentatiecentra omvat de jaarlijkse toelage : ...2. een toelage aan elk van de in artikel 3 bedoelde centra, ... als volgt : - Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum: ... - Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging: ... - Archief-, Documentatie- en Onderzoekscentrum voor het Liberalisme: ... - Archief- en documentatiecentrum voor het Vlaams nationalisme: ...’ IX-2878-5/14 Uw aanvraag kan bijgevolg niet in aanmerking genomen worden voor verdere behandeling met het oog op de erkenning en de subsidiëring in toepassing van voornoemd decreet”. 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is ratione materiae aangezien geen eenzijdige administratieve rechtshandeling wordt aangevochten, dat wil zeggen een handeling waarbij beoogd wordt rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, maar veeleer een zuiver declaratieve rechtshandeling die louter het bestaan van rechtsgevolgen vaststelt, wijl in de brief van 28 maart 2001 enkel wordt gewezen op de door de decreetgever met zijn decreet van 27 juni 1985 reeds genomen beslissingen; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij antwoordt dat uit de bestreden beslissing van 28 maart 2001 blijkt dat de verwerende partij de brief van 27 februari 2001 van de verzoekende partij wel degelijk heeft beschouwd als een aanvraag tot erkenning en subsidiëring als privaatrechtelijk Nederlandstalig archief- en documentatiecentrum op basis van het decreet van 27 juni 1985 en dat beslist werd dat die aanvraag op grond van de artikelen 3 en 7 van dat decreet niet voor behandeling in aanmerking kwam; dat het volgens haar bijgevolg niet gaat om een zuiver declaratieve rechtshandeling maar om een akte die een wijziging van de rechtsorde, namelijk de erkenning en subsidiëring van de verzoekende partij, belet, uitsluitend op basis van met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige decreetsbepalingen en dat, zelfs indien de bestreden akte enkel het bestaan van rechtsgevolgen zou vaststellen, dan nog deze vaststelling onwettig en om die reden aanvechtbaar zou zijn; 2.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de bevoegde auditeur in zijn verslag niet uitmaakt of de weigering van een aanvraag puur declaratief kan zijn, dat in dezen de verwerende partij geen appreciatiebevoegdheid heeft uitgeoefend daar de decreetgever zichzelf de bevoegdheid tot erkennen heeft voorbehouden, zodat de verzoekende partij de vraag tot erkenning tot deze laatste had dienen te richten; IX-2878-6/14 2.2.1. Overwegende dat ter zake een aanvraag tot erkenning en subsidiëring werd ingediend; dat de bestreden beslissing inhoudt dat die aanvraag niet voor verdere behandeling in aanmerking komt, gelet op de artikelen 3 en 7 van het decreet van 27 juni 1985, hetwelk in die zin wordt geïnterpreteerd dat enkel de daarin met name vernoemde stromingen en centra in aanmerking kunnen worden genomen; dat aldus de aanvraag wordt verworpen en de gevraagde erkenning, op basis van de geldende tekst van het decreet van 27 juni 1985, wordt geweigerd; dat weliswaar het de vraag is of de weigering van een aanvraag welke geschiedt op grond van een decretale tekst die aan de bestuursoverheid geen beoordelings-bevoegdheid verleent, een puur declaratieve handeling kan zijn voor zover decretaal niet uitdrukkelijk is bepaald dat elke andere aanvraag van rechtswege niet voor behandeling in aanmerking komt en de beslissing bijgevolg een bepaalde interpretatie inhoudt van het decreet, terwijl de decreetgever zelf, blijkens de parlementaire voorbereiding, ervan uitging dat een aanvraag van een ander archiefcentrum dat aan dezelfde voorwaarden voldoet als deze welke met name genoemd zijn in artikel 7, door de decreetgever onderzocht zou worden; dat hoe dan ook echter dit volgens de verwerende partij rechtstreeks uit het decreet van 27 juni 1985 voortvloeiende rechtsgevolg door de verzoekende partij in haar enig middel ongrondwettig wordt geacht; dat de ontvankelijkheid van de vordering dan ook samenhangt met het ten gronde aangevoerde middel; dat indien dat middel niet gegrond wordt bevonden, zulks betekent dat enkel de vier met name in het decreet van 27 juni 1985 genoemde stromingen en centra decretaal voor erkenning en subsidiëring in aanmerking komen, zodat de verzoekende partij hoe dan ook niet doet blijken van een toereikend belang bij haar beroep; dat een eventuele nietigverklaring haar in die hypothese dan immers niet tot nut kan strekken, aangezien na een nietigverklaring enkel dezelfde beslissing opnieuw genomen kan worden; 2.2.2. Overwegende dat voor zover de verwerende partij stelt dat niet zijzelf, maar de decreetgever de bevoegdheid tot erkennen heeft, zij vooreerst voorbijgaat aan artikel 2 van het decreet van 27 juni 1985 luidens welk de Vlaamse Executieve toelagen verleent aan de erkende archief- en documentatiecentra; dat blijkens artikel 1 van het hiervoor onder 1.2. vermelde uitvoeringsbesluit van IX-2878-7/14 6 november 1985 de erkenning geschiedt door de Vlaamse minister van Cultuur en met het oog daarop een procedure wordt vastgelegd, inhoudende dat een schriftelijke aanvraag wordt ingediend bij de Administratie, gestaafd door de nodige stukken (artikel 2), tot slot waarvan de Vlaamse Regering de erkenning verleent op voorstel van de directeur-generaal van de Administratie en op basis van een inspectieverslag (artikel 3) ; dat de verzoekende partij een aanvraag tot erkenning en tot subsidiëring heeft ingediend; dat overeenkomstig de bepalingen van het decreet en het meergenoemde uitvoeringsbesluit er dan een beslissing genomen diende te worden door de Vlaamse Regering of haar minister van Cultuur inhoudende dat de erkenning werd verleend of geweigerd; dat voor zover aangenomen zou moeten worden dat de minister of de regering enkel een beslissing dient te nemen op voorstel van de directeur-generaal, de weigering van deze laatste om een voorstel tot erkenning te doen dezelfde draagwijdte heeft als een weigering door de minister of de regering; dat dit ook de draagwijdte is van de met onderhavig beroep bestreden beslissing; dat de vraag of de erkenning en subsidiëring kan worden onthouden aan een vereniging die niet wordt of kan worden erkend op grond van een als ongrondwettig bestempelde decretale regeling eveneens verband houdt met de vraag van de juiste draagwijdte van de aangehaalde decreetsbepalingen; dat ook die vraag samenhangt met het ten gronde aangevoerde middel; 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, op zichzelf gezien en samengelezen met artikel 19 van de Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens; dat zij tot staving ervan aanvoert dat de artikelen 3 en 5 van het decreet van 27 juni 1985 inhouden dat een archief- en documentatiecentrum van een ideologisch-filosofische stroming geen centrum is in de zin van het decreet en niet erkend kan worden noch aanspraak kan maken op subsidiëring, indien het zich niet bekent tot de katholieke, socialistische, liberale of Vlaams-nationale strekking, zelfs dat er slechts één centrum per ideologisch-filosofische strekking erkend kan worden, welke centra overigens met name genoemd worden in artikel 7, § 1, 2°, en dat aldus de toenmalige vier grote politieke families in de Vlaamse Raad ten eigen bate, en zulks met uitsluiting van elke IX-2878-8/14 andere ideologisch-filosofische strekking in de samenleving, het toepassingsveld van het decreet, derhalve de regelgeving inzake mogelijke erkenning en subsidiëring van privaatrechtelijke archief- en documentatiecentra in de Vlaamse Gemeenschap, hebben afgebakend; dat de verzoekende partij daartegen stelt dat zij nochtans op het vlak van “archief en documentatie”, de emanatie en de erkende instantie is van de georganiseerde vrijzinnigheid en de daarmede samengaande vrijzinnige levensbeschouwing, die geen exclusieve banden heeft met één bepaalde politieke ideologie, dewelke, zonder een godsdienst uit te maken, uitdrukkelijk door artikel 181, § 2, van de Grondwet wordt erkend; dat volgens de verzoekende partij het in de artikelen 3, 5 en 7, § 2, 1°, (sic) van het decreet van 27 juni 1985 ingestelde onderscheid in behandeling tussen, enerzijds, de centra die tot doel hebben het behoud en de ontsluiting ten behoeve van studie en onderzoek van het patrimonium van vier daar genoemde ideologisch-filosofische stromingen in Vlaanderen en, anderzijds, een centrum zoals dat van verzoekster, dat dezelfde doelstelling en activiteit als de voornoemde centra heeft maar dan met betrekking tot het patrimonium van een andere levensbeschouwelijke stroming -de georganiseerde vrijzinnigheid- de toets van het gelijkheidsbeginsel, mede gelezen in het kader van de andere in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen, niet kan doorstaan omdat het door het decreet gemaakte onderscheid in behandeling in het kader van archivering en documentatie van levensbeschouwingen, niet op een pertinent criterium berust, het al evenmin de toets weerstaat van het proportionaliteitsbeginsel waar de toelagen uitsluitend worden voorbehouden aan de voor erkenning in aanmerking komende centra, die, minstens wat de variabele toelage betreft, in het decreet zelf nominatief en limitatief worden opgesomd, terwijl de niet voor erkenning in aanmerking komende centra, met equivalente activiteit, op geen enkele toelage, vast of variabel, aanspraak kunnen maken; dat de verzoekende partij dan ook vraagt dat de Raad van State, bij toepassing van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou stellen; IX-2878-9/14 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “In tegenstelling tot wat verzoekster voorhoudt was het toenmalig Vlaamse Parlement (Raad) niet alleen maar samengesteld uit de 4 grote strekkingen die in het decreet zijn vernoemd. Desondanks werd het voorstel van decreet in al zijn geledingen, zowel artikelsgewijs als globaal, eenparig goedgekeurd in de commissie. Nadien werd het, met slechts 3 tegenstemmen en 1 onthouding, dus zeg maar quasi unaniem, goedgekeurd in plenaire zitting. Het kan dus niet met recht voorgehouden worden dat 4 genoemde strekkingen ten eigen bate het toepassingsveld van het decreet hebben afgebakend. Daarenboven heeft de decreetgever een duidelijk objectieve maatstaaf gehanteerd om te bepalen welke centra konden worden erkend en gesubsidieerd, door zich te baseren op de bepalingen van de Cultuurpactwet, waarvan het decreet van 27-6-1985 een uitvoering is. Voor de Cultuurpactwet steunt de vertegenwoordiging van de filosofische en ideologische strekkingen op hun aanwezigheid in de vertegenwoordigende vergadering van de overeenstemmende overheid. Bij de totstandkoming van het decreet kwam het archief van de vrijzinnigheid uitdrukkelijk ter sprake. Met de goedkeuring van het decreet blijkt dat uiteindelijk werd geoordeeld dat de vrijzinnige levensbeschouwing voldoende aan bod kwam in de erkenning van de Archief en Documentatiecentra van de in artikel 3 van het decreet genoemde ideologisch-filosofische stromingen, die als zodanig in het Parlement vertegenwoordigd waren. Overigens heeft de Raad gesteld dat zij zich in de toekomst zouden buigen over andere archieven indien zij van (...) eenzelfde draagwijdte zouden zijn, die in dezelfde situatie verkeren en betoelaging nodig hebben. Het feit dat zulks nog niet is gebeurd (...), is wellicht te wijten aan het feit dat het Vlaams Parlement tot op heden geen verzoek in die zin heeft ontvangen. Het decreet is er gekomen ingevolge de loutere toepassing van de Cultuurpactwet, waarvan de conformiteit met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in casu niet wordt betwist.”; 3.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog de vraag stelt of de schending van het gelijkheidsbeginsel wel ligt in het decreet, wijl de verzoekende partij nooit een verzoek tot erkenning heeft ingediend bij de decreetgever en stelt dat zij niet aantoont dat er een verschil van behandeling bestaat tussen haar en andere organisaties, alsmede dat haar activiteiten en doelstellingen onder de toepassing van het cultuurpact vallen; 3.2.1. Overwegende dat bezwaarlijk kan worden betwist dat, zoals blijkt uit de samenlezing van de artikelen 3, 5 en 7 en de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 juni 1985 enkel de vier in artikel 3 "met name" opgesomde ideolo- IX-2878-10/14 gisch-filosofische stromingen erkend kunnen worden; dat blijkens de toelichting verstrekt door de indieners van het voorstel dat het decreet van 27 juni 1985 zou worden, het ging om de vier grote ideologisch-filosofische stromingen in Vlaanderen die als dusdanig vertegenwoordigd zijn in de toenmalige Vlaamse Raad; dat ook tijdens de bespreking in de plenaire vergadering erop gewezen werd dat het enkel gaat om de vier reeds erkende en gesubsidieerde instellingen, waarbij één van de indieners van het voorstel wel de vraag stelde of die beperking zo absoluut moest worden ingebouwd en of de vrijzinnige filosofische levensbeschouwing voldoende tot haar recht zou komen; dat in antwoord op de kritiek van een oppositielid op deze beperking één van de indieners van het voorstel antwoordde dat het ging om vier archieven die nauw aansluiten bij de grote strekkingen in het politieke, sociale en culturele leven in Vlaanderen die reeds via de begroting gesubsidieerd werden en waarbij thans zou worden overgegaan tot toepassing van het Cultuurpact door het vastleggen van duidelijke subsidieregels, en dat, als gezegd zou worden dat een bepaald archief werd vergeten, dit rustig in overweging zou worden genomen, maar dat hij niet inzag welk archief vergeten zou zijn, tenzij dat van de vrijzinnigheid; dat hij voorts benadrukte dat, wanneer er in de toekomst andere archieven van een zelfde draagwijdte zouden zijn die in dezelfde situatie verkeren en een subsidiëring nodig zouden hebben, de Vlaamse Raad zich daarover ongetwijfeld ook zou buigen en het niet zo onredelijk zou zijn ze in de kou te laten staan; 3.2.2. Overwegende dat uit wat voorafgaat besloten dient te worden dat de als middel aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel vervat ligt in het decreet; 3.2.3. Overwegende dat krachtens artikel 26, § 1, 3/, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het Arbitragehof, bij wijze van prejudiciële beslissing, bij wege van arrest uitspraak doet over vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II “de Belgen en hun rechten” en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet en dat artikel 26, § 2, van dezelfde bijzondere wet bepaalt dat indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, zoals IX-2878-11/14 de Raad van State, dat college het Arbitragehof moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen, tenzij wanneer dat rechtscollege niet bevoegd is of de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag of wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp; dat in dezen de ontvankelijkheid zoals reeds is vermeld samenhangt met de grondwettigheid van het decreet van 27 juni 1985; dat de uitzondering dan ook niet relevant is; dat de Raad van State geen kennis heeft van een uitspraak van het Arbitragehof nopens een vraag of beroep aangaande een identiek onderwerp als dat welk door de verzoekende partij aan de orde is gesteld; dat bijgevolg de door de verzoekende partij geformuleerde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld, met dien verstande dat verwezen dient te worden naar artikel 7, § 1, 2 °, van het decreet van 27 juni 1985 in plaats van naar artikel 7, § 2, 1/; dat ook het door de verzoekende partij slechts tussen haakjes aangehaalde artikel 5 volledig bij de vraag dient te worden betrokken, aangezien dit uitsluit dat meer dan één centrum per stroming wordt erkend, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : Schenden de artikelen 3, 5 en 7, § 1, 2/, van het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra, op zich genomen dan wel samengelezen, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, op zichzelf of samengelezen met artikel 19 van de gecoördineerde Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Europees IX-2878-12/14 Verdrag voor de rechten van de Mens, doordat ze a priori de erkenning en elke vorm van subsidiëring onthouden aan een privaatrechtelijk archief- en documentatiecentrum in de Vlaamse Gemeenschap waarvan de activiteit niet gericht is op het patrimonium van één van de in artikel 3 van dat decreet limitatief genoemde ideologisch-filosofische stromingen, met name gericht is op het patrimonium van de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing, minstens in de mate dat artikel 5 van dat decreet de erkenning van meer dan één archief- en documentatiecentrum per in artikel 3 genoemde ideologisch-filosofische stroming uitsluit en de decreetgever er daarbij van uitgegaan is dat de vrijzinnige (niet-confessionele) levensbeschouwing die in artikel 181, § 2, van de gecoördineerde Grondwet erkend is voldoende aan bod komt via de in artikel 3 van het decreet van 27 juni 1985 genoemde stromingen en de in artikel 7 van hetzelfde decreet met name vermelde archief- en documentatiecentra? Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het Auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Arbitragehof. IX-2878-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2878-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.686 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div