id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.732 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 138732 - / - 21/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-29 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-04 19:07 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 138.732 van 21 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Geen grond tot uitspraak Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.732 van 21 december 2004 A.86.199/V-1580 In zake : 1. de gemeente Kasteelbrakel, 2. KLUFT Peter, 3. PISSENS-VANNEROM Willy, die woonplaats hebben gekozen bij Mr. Philippe LEVERT, advocaat, Louizalaan 149/21, 1050 Brussel, A.86.366/V-1581 In zake : 1. BORMANS Micheline, 2. VANNEROM Eliane, die woonplaats hebben gekozen bij Mr. Jan GHYSELS en Mr. Peter FLAMEY, advocaten, Aarlenstraat 25, 1050 Brussel, A.86.546/V-1582 In zake : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats heeft gekozen bij Mr. Dirk DE GREEF, advocaat, Noorderlaan 30, 1731 Zellik, A.86.344/V-1566 In zake : de stad Halle, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Jan GHYSELS en Mr. Peter FLAMEY, advocaten, Aarlenstraat 25, 1050 Brussel, tegen : het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering, dat woonplaats heeft gekozen bij Mr. Etienne ORBAN de XIVRY, advocaat, route de Beausaint 29, 6980 La Roche-en-Ardenne. V - 1580 - 1/45 Tussenkomende partij : de naamloze vennootschap Les Sablières de Wauthier-Braine, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Pierre-Paul VAN GEHUCHTEN, advocaat, Wijnheuvelenstraat 227, 1030 Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 20 augustus 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij de gemeente Kasteelbrakel, Peter KLUFT en Willy PISSENS-VENNEROM de nietigverklaring vorderen van het besluit van de Waalse Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van 17 juni 1999, waarbij het beroep wordt ingewilligd dat door de naamloze vennootschap (NV) Les Sablières de Wauthier- Braine is ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kasteelbrakel d.d. 9 augustus 1995, waarmee de winningsvergun- ning geweigerd was voor de uitbreiding van de exploitatie van een zandgroeve op de plaats genaamd "Boukendael" op het grondgebied van de gemeente Kasteelbrakel, en waarbij de gevraagde winningsvergunning wordt toegekend voor een periode van twintig jaar (A.86.199/V-1580); Gezien de op dezelfde dag ingediende vordering, waarbij dezelfde verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging van datzelfde besluit vorderen; Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het op 6 september 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV Les Sablières de Wauthier-Braine vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden in de schorsingsprocedure; Gezien het op 27 augustus 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij Micheline BORMANS en Eliane VANNEROM de nietigverklaring vorderen van datzelfde besluit van de Waalse Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van 17 juni 1999 (A.86.366/V-1581); V - 1580 - 2/45 Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de schorsing van het voormelde besluit vorderen; Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het op 17 september 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV Les Sablières de Wauthier-Braine vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden in de schorsingsprocedure; Gezien het op 6 september 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, de nietigverklaring vordert van datzelfde besluit van de Waalse Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van 17 juni 1999 (A.86.546/V-1582); Gezien de op dezelfde dag ingestelde vordering, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van datzelfde besluit vordert; Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het op 24 september 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV Les Sablières de Wauthier-Braine vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden in de schorsingsprocedure; Gezien het op 26 augustus 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij de stad Halle de nietigverklaring vordert van datzelfde besluit van de Waalse Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van 17 juni 1999 (A.86.344/V-1566); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het op 19 november 1999 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV Les Sablières de Wauthier-Braine vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden in deze vernietigingsprocedure; Gelet op de beschikking van 27 januari 2000, waarbij deze tussenkomst wordt toegestaan; V - 1580 - 3/45 Gezien de memorie van tussenkomst, ingediend door de NV Les Sablières de Wauthier-Braine; Gezien het verslag van Mevrouw VOGEL, auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op grond van artikel 94 van de algemene procedureregeling, en van artikel 12, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gezien het op 31 juli 2000 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV Les Sablières de Wauthier-Braine vraagt ook als tussenkomende partij te mogen optreden in de vernietigingsprocedure wat de eerste drie zaken betreft; Gelet op de beschikkingen van 28 maart 2002, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaken voorkomen op de terechtzitting van 23 april 2002 om 9.30 uur; Gehoord het verslag van de heer JAUMOTTE, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. J. LAURENT, loco Mr. Ph. LEVERT, advocaat, die voor de verzoekende partijen in de zaak A.86.199/V-1580 verschijnt, Mr. J. GHYSELS, advocaat, die voor de verzoekende partijen in de zaken A.86.366/V-1581 en A.86.344/V-1566 verschijnt, Mr. J.F. CARTUYVELS, loco Mr. E. ORBAN de XIVRY, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt, en Mr. J. SAMBON, loco Mr. P.P. VAN GEHUCHTEN, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Mevrouw VOGEL, auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de beroepen gericht zijn tegen dezelfde handeling en dat de verschillende verzoekende partijen tot staving van deze beroepen bepaalde middelen aanvoeren die identiek zijn; dat de zaken verwant zijn en dat er, in het belang van een goede rechtsbedeling, grond is om ze samen te voegen; V - 1580 - 4/45 Overwegende dat de NV Les Sablières de Wauthier-Braine bij verzoekschriften die respectievelijk ingediend zijn op 6, 17 en 24 september 1999 en 31 juli 2000 vraagt om als tussenkomende partij te mogen optreden in de eerste drie zaken; dat er grond is om dit verzoek in te willigen; Overwegende dat de volgende gegevens dienstig zijn voor het onderzoek van de beroepen; 1. De NV Les Sablières de Wauthier-Braine beschikt sedert 1982 over een winningsvergunning voor de exploitatie van een zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael", op het grondgebied van de gemeente Kasteelbrakel. 2. Om de exploitatie te kunnen voortzetten, door de uitbreiding van het ontginningsgebied tot landbouwgronden gelegen ten noorden van het ontginningsgebied waarvoor de vergunning in 1982 is verleend, dient de NV Les Sablières de Wauthier-Braine op 15 juli 1991 een verzoek in om gedeeltelijke wijziging van het gewestplan van Nijvel, dat voorheen is goedgekeurd bij koninklijk besluit van 1 december 1981. De vennootschap wettigt dit verzoek door het feit dat de bewuste gronden opgenomen zijn in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl het gewoon ging om een agrarisch gebied toen de exploitatie van de groeve is aangevat in 1982. Ze wijst er overigens op dat de exploitatie van de plaats die thans opgenomen is in een zandwinningsgebied ten einde loopt, dat in de streek alle agrarische gebieden waar zand kan worden gewonnen na 1982 opgenomen zijn in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat het dus niet meer mogelijk is in Waals-Brabant zand te ontginnen zonder een dergelijke gedeeltelijke wijziging van het gewestplan aan te vragen en dat de gevraagde gedeeltelijke wijziging het enige middel vormt om het bedrijf te redden. Het bedrijf stelde acht personen tewerk op het ogenblik van de indiening van het verzoek. 3. Ten gevolge van dit verzoek wordt de procedure tot de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel aangevat, door de opneming van een ontginningsgebied in een agrarisch gebied en van een ontginningsuitbreidingsgebied in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, samen met twee andere procedures tot gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/3 van hetzelfde gewestplan, na gelijksoortige verzoeken van andere exploitanten van groeven. V - 1580 - 5/45 Deze twee andere procedures strekten er eveneens toe, ditmaal op het grondgebied van de gemeente Eigenbrakel, ontginningsgebieden op te nemen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, in verband met de uitbreiding van een zandgroeve op de plaats genaamd "Alconval", enerzijds, en met de opening van een zandgroeve op de plaats genaamd "Tout-lui-Faut", anderzijds. Artikel 40, § 1, tweede en derde lid, van het Waals Wetboek voor Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna het WWROSP genoemd), zoals het toepasselijk was toen deze aanvragen onderzocht zijn, maakte de gedeeltelijke herziening van de gewestplannen mogelijk onder de volgende voorwaarden: " Na advies van de Regionale Commissie van advies beslist de Executieve bij een met redenen omkleed besluit over de herziening van een streek- of gewestplan. Voor verrichtingen van openbaar belang kunnen de streek- of gewestplannen gedeeltelijk herzien worden. Onder verrichtingen van openbaar belang dient te worden verstaan: 1/ de infrastructuren inzake communicatie en energievervoer met name de weg-, spoorweg-, rivier- en elektrische infrastructuren; 2/ de werken en constructies waarvan het openbaar nut bij een met redenen omkleed besluit van de Waalse Gewestexecutieve erkend wordt." Bovendien moest de Gewestexecutieve, met toepassing van het oude artikel 40bis van het WWROSP, na het "openbaar belang" van de verrichting te hebben erkend dat grond opleverde voor een gedeeltelijke herziening van het gewestplan, de gedeeltelijke wijziging van dit plan voorlopig vastleggen; deze wijziging moest vervolgens aan een openbaar onderzoek onderworpen worden; de door de Gewestexecutieve voorlopig vastgelegde wijziging, de openbare bezwaren, het advies van de bestendige deputatie en het advies van de betrokken gemeenteraad dienden te worden voorgelegd aan de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen de CRAT); de Gewestexecutieve diende vervolgens de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan definitief vast te leggen. 4. Op 15 oktober 1991 brengt de CRAT een gunstig advies uit over het principe van een gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel betreffende de plaats Boukendael. De CRAT brengt op 22 mei 1990 en 14 oktober 1991 eveneens gunstige adviezen uit over de twee verzoeken tot V - 1580 - 6/45 gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/3 van het gewestplan van Nijvel (de plaatsen genaamd "Alconval" en "Tout-lui-Faut"). 5. Bij een besluit van 31 oktober 1991 verklaart de Waalse Gewestexecutieve de voortzetting van de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" van openbaar nut en besluit ze te dien einde tot de gedeeltelijke inherzieningstelling van het gewestplan. Het "openbaar nut" van de betrokken "werken en constructies", dat uitdrukkelijk voorgeschreven wordt door het oude artikel 40, § 1, tweede en derde lid, 2/, van het WWROSP, wil de gedeeltelijke herziening van het gewestplan kunnen worden gewettigd als verrichting van "openbaar belang", wordt als volgt verantwoord in de aanhef van het besluit: " Gelet op het advies van de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening van 25 oktober 1991; Gelet op de huidige toestand van exploitatie van de zandgroeve gelegen op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" te Kasteelbrakel (Woutersbrakel); Gelet op de economische en sociale noodzaak om de exploitatie van deze zandgroeve voort te zetten; Overwegende dat de terreinen gelegen ten noorden van deze zandgroeve en die als landschappelijk waardevol agrarisch gebied opgenomen zijn in het vigerende gewestplan een zandgroeve omvatten waarvan de kwaliteit vergelijkbaar is met die welke thans wordt geëxploiteerd; Overwegende dat het derhalve raadzaam is dat de exploitatie van deze zandgroeve wordt voortgezet door de opneming van een ontginningsgebied en een ontginningsuitbreidingsgebied in het gewestplan van NIJVEL; Overwegende dat de voorgenomen activiteiten, vanwege de economische en sociale redenen die hierboven zijn aangehaald, van algemeen nut zijn." Gelijksoortige besluiten zijn eveneens uitgevaardigd door de Waalse Gewestexecutieve op 7 mei en 31 oktober 1991, voor de plaatsen "Tout-lui-Faut" en "Alconval"; 6. Bij een besluit van 14 november 1991 legt de Waalse Gewestexecutieve voorlopig de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel vast met het oog op de opneming van een ontginningsgebied en van een ontginningsuitbreidingsgebied dat heringericht moest worden tot een agrarisch gebied na de exploitatie van de gronden gelegen op de plaats, genaamd "Campagne de Boukendael". Dezelfde dag wordt eveneens een soortgelijk besluit V - 1580 - 7/45 uitgevaardigd betreffende kaartblad 39/3 van het gewestplan van Nijvel voor de plaatsen "Alconval" en "Tout-lui-Faut". 7. Deze verschillende gedeeltelijke wijzigingen van het gewestplan van Nijvel zijn van 22 april tot 5 mei 1992 aan een openbaar onderzoek onderworpen. Het openbaar onderzoek betreffende de plaats Boukendael heeft aanleiding gegeven tot 167 bezwaren en opmerkingen. In de bezwaarschriften werd het algemeen nut van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan in twijfel getrokken; er werd in die bezwaarschriften benadrukt dat het weinig zin had om opeenvolgende gedeeltelijke wijzigingen door te voeren, in plaats van een algemeen beleid inzake ruimtelijke ordening op te zetten; er werd eveneens gewezen op de gevaren voor incidentele verontreiniging en op de hinder ten gevolge van het verkeer dat zal toenemen als gevolg van de exploitatie; daarin kwam ook het probleem ter sprake van het in de oorspronkelijke staat herstellen van het terrein na de exploitatie en van het gevaar dat dat terrein zou worden omgevormd tot een stortplaats. 8. In een brief van 16 april 1992 stelt de Staatssecretaris voor Landbouw in verband met de plaats Boukendael vast dat het gebied dat voorgesteld wordt in de procedure tot gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan met het oog op de opneming ervan als ontginningsgebied, samenvalt met de plaats van een bestaande groeve waar de zandwinning ten einde loopt en waarin stortingen worden gedaan om ze aan te vullen. Hij besluit hieruit dat de voorgestelde opneming neerkomt op een regularisatie van een bestaande toestand. Wat betreft het gebied waarvan de opneming als ontginningsuitbreidingsgebied wordt voorgesteld, stelt de Staatssecretaris vast dat door deze uitbreiding de boerderij van Boukendael zal worden ingesloten en nagenoeg niet meer zal kunnen worden geëxploiteerd. Hij meent derhalve niet te kunnen instemmen met een project dat zo schadelijk is voor de landbouw. 9. Op 3 juni 1992 besluit de gemeenteraad van de gemeente Kasteelbrakel zich heftig te verzetten tegen het voornemen om kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel gedeeltelijk te herzien. Dit negatieve advies, waaraan ruimschoots ruchtbaarheid gegeven is in de krant Le Soir van 12 juni 1992, steunt op de volgende overwegingen: " A) in het algemeen stelt de gemeenteraad: - dat het fragmentarisch opnemen van nieuwe ontginningsgebieden getuigt van een incoherent beleid inzake exploitatie van de ondergrond; V - 1580 - 8/45 - dat er een programma voor zandwinning zou moeten worden opgesteld op basis van een totaalonderzoek van de hulpbronnen en van de behoeften, waarbij aandacht wordt geschonken aan de problematiek van de omschakeling van de groeven na de exploitatie ervan; dat indien een dergelijk onderzoek verricht is, dit onderzoek op zijn minst ter beschikking had moeten worden gesteld van het publiek in het kader van de openbare onderzoeken die aan de gang zijn, ten einde met kennis van zaken adviezen te kunnen geven; - dat in ieder geval het opnemen van ontginningsgebieden in een landschappelijk waardevol gebied, neerkomt op het verloochenen van het principe zelf van het landschappelijke waardevolle; dit principe is zonder twijfel van prioritair algemeen nut, waarop niets mag primeren, zo niet wordt het vertrouwen van het publiek geschonden en bestaat geen enkele rechtszekerheid meer wat betreft de voorzieningen die de ruimtelijke ordening regelen; B) meer specifiek stelt de gemeenteraad: - dat het gebied waarop de uitbreiding van het ontginningsgebied betrekking heeft, een zeer uitzonderlijke landschappelijke waarde heeft, onmiddellijk aan het Hallerbos grenst en direct zichtbaar is voor de gebruikers van de provincieweg Halle-Nijvel en voor de wandelaars in het Hallerbos; - dat, gelet op de plaatsgesteldheid (helling van het terrein, bestaan van een gemeenteweg op de grens van het uitbreidingsgebied, noodzakelijke bescherming van de omtrek ...), de zandlaag die in het ontginningsuitbreidingsgebied kan worden geëxploiteerd niet zeer groot is, waarbij de exploitatie die aan de gang is ten hoogste met enkele jaren kan worden verlengd; - dat in die omstandigheden het economische en sociale belang dat de uitbreiding van de bestaande groeve wettigt, miniem is omdat het landschap voor vele jaren verknoeid zou worden en veelvuldige risico's op verontreiniging zouden ontstaan wanneer de plaats later wordt opgehoogd; - dat de gemeente Kasteelbrakel reeds een (
- te)zware tol heeft betaald aan het werk in de zandgroeve en de stortingen van afval die er het gevolg van zijn: meer dan 50 hectare oude groeven liggen er nog altijd open bij, er is niets mee gedaan en er kan gedurende tientallen jaren afval worden gestort. Het is hoog tijd dat het proces gestopt wordt waarbij een steeds groter deel van het gemeentelijk grondgebied bestemd wordt tot geliefkoosd stort van het Waals Gewest." 10. Op 2 juli 1992 geeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant een gunstig advies, waarbij ze stelt dat de voorgestelde wijziging het mogelijk zal maken economische activiteiten van openbaar nut voort te zetten. 11. Op 26 februari 1993 brengt ook de CRAT over het geheel van de procedures tot gedeeltelijke herziening een gunstig advies uit waarin ze, op basis van de "algemene overwegingen" die voor de drie gebieden samen gelden, namelijk de plaatsen genaamd "Boukendael", "Alconval" en "Tout-lui-Faut", het algemeen nut van de voorgenomen gedeeltelijke wijzigingen van het gewestplan als volgt motiveert: V - 1580 - 9/45 " 1. De Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening herinnert eraan dat de mogelijkheden die in het gewestplan opgenomen zijn wat betreft de ontginningsgebieden en de ontginningsuitbreidingsgebieden het voor de bestaande bedrijven mogelijk moesten maken hun activiteiten gedurende ongeveer 10 jaar voort te zetten. Het gewestplan van Nijvel is evenwel goedgekeurd in 1981, dit is 12 jaar geleden. De voorschriften van het gewestplan van Nijvel bepalen bovendien in artikel 3 dat de exploitatie van zandgroeven in een agrarisch gebied en een bosgebied toegestaan is, met inbegrip van de landschappelijk waardevolle landelijke gebieden. (...). Op basis van dit artikel 3 is in 1984 een bijzonder plan van aanleg opgesteld, om op de plaats genaamd "Tout-lui-Faut" te Eigenbrakel een zandgroeve te kunnen openen. (...) Verschillende beroepen zijn ingesteld bij de Raad van State. Het koninklijk besluit waarbij het gewestplan van Nijvel vastgesteld is, is echter niet om advies voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State, daar de Waalse Gewestexecutieve de dringende noodzakelijkheid had aangevoerd. Deze dringende noodzakelijkheid wordt evenwel tegengesproken door de late datum van de bekendmaking van het gewestplan in het Belgisch Staatsblad van 6 mei 1982. (...) Op 5 november 1990 oordeelt de Raad van State dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1981 onwettig is en vernietigt hij het bijzonder plan van aanleg "Tout-lui-Faut", dat zelf onwettig is, in die zin dat het steunt op het genoemde artikel 3 om te voorzien in een ontginningsgebied, terwijl de grafische voorschriften van het gewestplan slechts een landschappelijk waardevol agrarisch gebied toestaan. Er dient evenwel op te worden gewezen dat geheel de procedure waarin dit artikel voorziet, nageleefd was. Er was een protocol van akkoord ondertekend op 15 mei 1985 en een bijzonder plan van aanleg goedgekeurd door de Waalse Gewestexecutieve op 6 november 1987. Bovendien heeft het arrest van de Raad van State geen betrekking op de vraag of het al dan niet gegrond is een ontginningsgebied toe te staan in een agrarisch gebied of een bosgebied, zelfs indien dit landschappelijk waardevol is. 2. Het voortzetten van de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" te Kasteelbrakel en op de plaats genaamd "Alconval" te Eigenbrakel - welke zandgroeve op korte termijn zal zijn uitgeput - en het verlenen van de vergunning voor de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Tout-lui-Faut" beantwoorden aan economische en sociale eisen en zijn derhalve van algemeen nut, zoals gesteld wordt in de besluiten van de Waalse Gewestexecutieve van 7 mei en 31 oktober 1991. Hoewel de voorgestelde ontginningsgebieden op de plaatsen "Tout-lui-Faut" en "Alconval" te Eigenbrakel en het voorgestelde ontginningsuitbreidingsgebied op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" te Kasteelbrakel in een landschappelijk waardevol gebied gelegen zijn, is het vanuit een economisch standpunt niettemin verkieslijk om V - 1580 - 10/45 de activiteit voort te zetten op de plaats waar zij thans plaatsheeft, veeleer dan deze te verplaatsen, waardoor noodzakelijkerwijs naar een soortgelijke zandgroeve zal moeten worden gezocht en dus een reeks proefboringen zal moeten worden uitgevoerd waarbij het terrein op systematische wijze zal worden ontsloten. Bovendien behoren dan verschillende stalen te worden geanalyseerd en nieuwe terreinen te worden aangekocht, dient het gewestplan te worden gewijzigd en moeten de installaties worden verplaatst. Dat beantwoordt eveneens aan hetgeen wordt voorgeschreven door artikel 1 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, waarin het spaarzaam omgaan met de grond wordt voorgestaan; (...) 7. Talrijke bezwaarindieners wijzen erop dat het inzake ruimtelijke ordening weinig zin heeft om opeenvolgende gedeeltelijke wijzigingen van gewestplannen door te voeren. De Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening heeft er vele malen op aangedrongen dat twee of drie van de oudste gewestplannen aan een algehele herziening worden onderworpen. Het principe van dergelijke herzieningen is trouwens opgenomen in de Verklaring inzake het gewestelijk beleid van de huidige Waalse Regering". Wat betreft de bijzondere overwegingen over de plaats "Campagne de Boukendael", merkt de CRAT op dat in het algemeen de bezwaren die gemaakt zijn in de verschillende bezwaarschriften en opmerkingen precies onderzocht zijn in de algemene overwegingen van haar advies. Zij voegt eraan toe dat er bovendien op gewezen moet worden dat elk project specifiek is en dat een wijziging betreffende een bepaalde plaats dus geen precedent vormt dat bij een latere aanvraag moet worden aangevoerd. 12. De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft haar advies over het ontwerp van besluit gegeven op 15 oktober 1993. Ze heeft gesteld dat het ontwerp niet het reglementaire karakter heeft dat wordt vereist in artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, daar het er alleen toe strekt de algemene regels waarbij de bestemmingen van de verschillende gebieden worden omschreven, op een bepaald perceel toe te passen. 13. Op 30 oktober 1993 legt de Waalse Regering definitief de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel vast met het oog op de opneming van een ontginningsgebied en van een ontginningsuitbreidingsgebied om de voortzetting van de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" mogelijk te maken. Dit besluit steunt op de volgende motivering: " Gelet op het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, inzonderheid op artikel 40, gewijzigd bij de decreten van V - 1580 - 11/45 6 maart 1985 en 27 april 1989 en op artikel 40bis, dat er ingevoegd is bij het decreet van 6 maart 1985; Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1981 waarbij het gewestplan van Nijvel wordt vastgelegd; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 oktober 1991, waarbij het openbaar nut van de voortzetting van de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" te Kasteelbrakel (Woutersbrakel), door de opneming van een ontginningsgebied en van een ontginningsuitbreidingsgebied in het gewestplan, wordt erkend, alsook het openbaar nut van de herinrichting van de terreinen in een agrarisch gebied na exploitatie, en waarbij te dien einde besloten wordt tot de gedeeltelijke inherzieningstelling van het gewestplan van Nijvel; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991, waarbij de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel wordt vastgelegd met het oog op de opneming van een ontginningsgebied en van een ontginningsuitbreidingsgebied om de voortzetting van de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" te Kasteelbrakel (Woutersbrakel) mogelijk te maken; Aangezien het openbaar onderzoek heeft plaatsgehad van 22 april 1992 tot en met 5 juni 1992, overeenkomstig het bepaalde in artikel 40bis van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium; Gelet op de bezwaren en opmerkingen die gemaakt zijn in het kader van het genoemde onderzoek; Gelet op het advies van de gemeenteraad van Kasteelbrakel van 3 juni 1992; Gelet op het advies van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant van 2 juli 1992; Gelet op het advies van de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening van 26 februari 1993; Overwegende dat het gewestplan geen dynamische waarde heeft, maar voorziet in mogelijkheden voor het bodemgebruik; Overwegende dat de omstandigheid dat de terreinen waarop dit besluit betrekking heeft, na exploitatie opnieuw in een agrarisch gebied worden opgenomen, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat de plaats opgevuld zal worden met inerte afvalstoffen, zoals de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening suggereert; Overwegende derhalve dat dit besluit geen recht van welke aard ook inhoudt om een stortplaats te exploiteren". Bij twee andere besluiten van 30 oktober 1993 en 19 november 1993 heeft de Waalse Regering eveneens definitief de gedeeltelijke wijzigingen van kaartblad 39/3 van het gewestplan van Nijvel vastgelegd met het oog op de opneming van ontginningsgebieden die moeten worden heringericht in agrarische gebieden na de exploitatie, op de respectieve plaatsen "Alconval" en "Tout-lui- V - 1580 - 12/45 Faut". Deze beide besluiten zijn evenwel geschorst en nadien vernietigd door de Raad van State. In de arresten-FAVREAU, nrs. 56.158 en 56.159 van 8 november 1995, is immers gesteld dat uit de motivering van het openbaar nut dat vervat is in de twee besluiten van de Waalse Gewestexecutieve van 19 juli 1990 en 31 oktober 1991 houdende gedeeltelijke inherzieningstelling van kaartblad 39/3 van het gewestplan van Nijvel: "(...) niet blijkt in welk opzicht de geplande activiteit van openbaar nut zou zijn; dat echter uit de door de verwerende partij in haar proceduregeschriften ontwikkelde argumentatie blijkt dat de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel de privé-belangen dient van de exploitant van de zandgroeve "Alconval" ["Tout-lui-Faut"], doordat ze het hem mogelijk maakt zijn activiteit in de beste rendabiliteitsomstandigheden voort te zetten; dat daarentegen niet bewezen is dat de bevoorrading van de streek met zand van goede kwaliteit alleen verzekerd kan worden door de uitbreiding van de huidige exploitatie; dat een activiteit niet geacht kan worden van openbaar nut te zijn om de enkele reden dat zij voor de economie en de werkgelegenheid gunstige gevolgen kan hebben; dat in casu de bewering dat het project tot het scheppen van banen zal leiden, overigens niet gestaafd wordt; dat niet vast staat dat de goede plaatselijke aanleg gebaat zou zijn door het vervangen van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied door een ontginningsgebied; dat de verwerende partij het juridische begrip "openbaar nut" niet in acht genomen heeft; dat het middel gegrond is". 14. Ten gevolge van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel, die definitief is vastgelegd op 30 oktober 1993 en niet bestreden is bij de Raad van State, verzoekt de NV Les Sablières de Wauthier- Braine, met een aanvraag die ingediend is op 2 december 1993 en met een bijkomende aanvraag van 23 maart 1994, om toekenning van een winningsvergunning teneinde de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" uit te breiden tot de percelen die pas opgenomen zijn in een ontginningsgebied en een ontginningsuitbreidingsgebied op het gewestplan van Nijvel. Dit verzoek om uitbreiding, waarbij de totale oppervlakte van de zandgroeve gebracht wordt op 32ha 65a 20ca, betreft een oppervlakte van 11ha 66a, welke uitbreiding moet geschieden in twee fasen: fase A betreffende 3ha 86a, die overeenstemt met het westelijke gedeelte van de betrokken plaats en die geacht wordt tweeënhalf jaar te duren, en fase B, betreffende 7ha 80a, die overeenstemt met het oostelijke deel van de bewuste plaats en die geacht wordt zeseneenhalf jaar te duren. 15. In het milieu-effectonderzoek dat in augustus 1994 naar aanleiding van deze aanvraag wordt uitgevoerd, wordt geconcludeerd dat het project V - 1580 - 13/45 aanvaardbaar is onder voorbehoud dat een reeks maatregelen ter bescherming van het milieu wordt genomen. 16. In het kader van een eerste openbaar onderzoek, dat heeft plaatsgevonden van 13 september tot 14 oktober 1994 zijn 220 bezwaarschriften ingediend. Deze hebben in hoofdzaak betrekking op de omstandigheid dat er buiten de gemeente andere terreinen bestaan die kunnen worden geëxploiteerd, terwijl de gemeente reeds genoeg heeft gegeven ter zake, op de gevaren van vervuiling van het grondwater door koolwaterstoffen, op de mogelijkheid dat het terrein na stopzetting van de exploitatie tot een stortplaats van klasse II of III zou verworden, op allerlei hinder die rechtstreeks met het project te maken heeft (voertuigenverkeer, geluidshinder, opwaaiend stof, ...), en op de mogelijke aantasting van het biologisch evenwicht in het Hallerbos, dat slechts op 2 meter van de noordelijke grens van het project ligt. Bij een schrijven van 13 oktober 1994 laat ook de stad Halle, die het Hallerbos in zijn huidige staat wenst te behouden, aan de gemeente Kasteelbrakel weten dat ze voorbehoud maakt bij het project. Tijdens de overlegvergadering van 3 november 1994 hebben zowel de aanwezige bezwaarindieners als de schepen van ruimtelijke ordening van de gemeente Kasteelbrakel herhaald dat ze zich verzetten tegen de voorgenomen exploitatie. 17. Op 13 oktober 1994 geeft de Waalse Milieuraad voor Duurzame Ontwikkeling een gunstig advies over de wenselijkheid van het project inzake het leefmilieu en wijst hij erop dat hij zich niet heeft uit te spreken over de wenselijkheid om het gewestplan te wijzigen en dat het normaal is dat de exploitant van de groeve, die thans uitgeput is en geëxploiteerd wordt als stortplaats klasse III, in het kader van deze wijziging een aanvraag om uitbreiding van de exploitatie indient. 18. Op 28 oktober 1994 brengt de CRAT een gunstig advies uit over het milieu-effectonderzoek. In verband met het eigenlijke exploitatieproject wijst de CRAT inzonderheid op het volgende: "- De CRAT heeft zich reeds uitgesproken over de wenselijkheid van het project inzake de uitbreiding van het bestaande ontginningsgebied in haar advies van 26 november 1993 (lees: "26 februari 1993") betreffende de wijziging van het gewestplan van Nijvel. Ze bevestigt dat het zowel uit een economisch oogpunt als voor de toepassing van het beginsel van het spaarzaam omspringen met de grond, verkieslijk is de activiteit voort te zetten op de plaats waar ze wordt uitgeoefend. - (...). V - 1580 - 14/45 - De CRAT herbevestigt haar wens dat de plaats in haar geheel wordt opgehoogd om het uitzicht van het oorspronkelijke agrarisch gebied te herstellen. De grond bestaat immers uit zeer zeldzame eolische afzettingen die voor de landbouw van een zeer hoge kwaliteit zijn en die bijgevolg moeten worden beschermd. De plaats zal worden opgevuld met inerte stoffen van klasse 3". 19. In een op 8 februari 1995 opgemaakt syntheseverslag besluit het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waals Gewest, na erop te hebben gewezen dat de aanvrager logischerwijs de exploitatie van de zandgroeve die aansluit op de bestaande groeve en zich niet op een andere plaats bevindt, wenst voort te zetten, dat niet op grote hinder is gewezen in het milieu-effectrapport en dat ontginningswerk dat goed gedaan is noch het verkeer, noch het natuurlijk milieu waarin het wordt uitgevoerd in gevaar zal brengen. 20. Op 31 juli 1995 geeft de gemachtigde ambtenaar van het Waals Gewest een gunstig advies mits de exploitant een aantal verplichtingen van technische aard naleeft. 21. Op 9 augustus 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen van Kasteelbrakel eenparig de winningsvergunning te verlenen "vanwege de aanzienlijke ongemakken die naar aanleiding van de uitvoering van het project zouden kunnen ontstaan voor de buurtbewoners en voor de bevolking van de gemeente Kasteelbrakel en de naburige gemeenten in het geheel". Deze beslissing, vooraleer daarin de genoemde ongemakken worden opgesomd, is inzonderheid gegrond op de volgende overwegingen: " Het College, (...) Gelet op de procedure in verband met de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan, en inzonderheid op:
- a)het openbaar onderzoek (van 22.04.1992 tot 05.06.1992), dat aanleiding heeft gegeven tot veelvuldige bezwaarschriften en opmerkingen waarop geen significant antwoord gegeven is;
- b)het ongunstige advies, dat eenparig is uitgebracht door de gemeenteraad tijdens zijn vergadering van 03.06.1992;
- c)het gunstige advies, dat eenparig is uitgebracht door de bestendige deputatie tijdens haar vergadering van 02.07.1992, maar dit op "last van de Waalse Gewestexecutieve", zoals vermeld in de brief van diezelfde dag van het bevoegde lid van de bestendige deputatie; V - 1580 - 15/45
- d)het gunstige advies van de CRAT, erop gelet dat het "verkieslijk is de activiteit voort te zetten op de plaats waar zij thans plaatsheeft", mits: - de plaats wordt opgehoogd vooraleer ze opnieuw gebruikt wordt voor landbouwactiviteiten; - het verkeer de gemeente Kasteelbrakel niet doorrijdt en rechtstreeks naar de autosnelweg wordt geleid; (...) 1 - HERINNERT eraan dat de gemeenteraad in zijn verzet tegen de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan (besluit van 03.06.1992), zich in het bijzonder gekant heeft tegen het begrip openbaar nut waarop de Gewestexecutieve zich beroept. Hij wijst erop dat in het deel "sociaal-economische studie" van het milieu-effectonderzoek dat vervolgens heeft plaatsgehad, geenszins het openbaar nut van het project wordt aangetoond. In het milieu-effectonderzoek wordt daarentegen bevestigd dat de uitvoering ervan alleen ten goede zou komen van een handelsvennootschap en van de eigenaars van de plaatsen. (...) 4 - WIJST erop dat het advies van de CRAT gunstig is voor de voortzetting van de ontginning waar ze reeds plaatsheeft. Het college merkt op dat als dergelijke redeneringen worden gevolgd, al wat zandgrond is op het grondgebied van de gemeente Kasteelbrakel zandgroeve zal worden, en vervolgens stortplaats van huisvuil". 22. Op 28 augustus 1995 stelt de NV Les Sablières de Wauthier-Braine, met toepassing van artikel 14, § 2, van het decreet van de Waalse Gewestraad van 27 oktober 1988 op de groeven, beroep in tegen deze weigeringsbeslissing bij de Waalse Regering. 23. Ten gevolge van de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord dat op 4 juli 1994 gesloten is tussen het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitwisseling van informatie over projecten met gewestoverschrijdende milieu-effecten, besluit de Waalse Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw op 10 juni 1996 dat het project opnieuw aan een openbaar onderzoek behoort te worden onderworpen, ditmaal zowel op het grondgebied van de gemeente Kasteelbrakel als op dat van de stad Halle, in het kader van de milieu-effectrapportage eigen aan elk van beide betrokken gewesten. Dit nieuwe openbaar onderzoek geeft aanleiding tot 320 bezwaarschriften op Waals grondgebied en 162 bezwaarschriften, waaronder van de stad Halle, en een petitie van 25 handtekeningen, op Vlaams grondgebied. Verschillende tegenstanders van het uitbreidingsproject leggen er weer de nadruk op dat het project een typisch voorbeeld is van het korte-termijnbeleid van de gewestelijke overheden en dat het niet past in een duurzaam beheer van de V - 1580 - 16/45 hulpbronnen van de Waalse ondergrond in zijn geheel, en, in het bijzonder, wat de zandlagen in Waals-Brabant betreft. Er wordt eveneens gepreciseerd dat de verantwoordelijke politieke leiders absoluut moeten overwegen een totaalplan op te stellen, waarin zowel aan de economische eisen als aan de bescherming van het milieu aandacht wordt geschonken. 24. Tijdens de op 23 december 1996 geplande overlegvergadering handhaven de verschillende partijen hun standpunt. Sommige tegenstanders van het project herbevestigen aldus dat het project geen enkel openbaar nut heeft en dat het daarentegen alleen de financiële belangen van enkele personen, en niet het belang van de gemeenschap, dient. 25. De raadgevende instanties op het niveau van het Gewest worden opnieuw geraadpleegd in het kader van dit tweede openbaar onderzoek en geven weer in het algemeen gunstige adviezen over de wenselijkheid van het uitbreidingsproject inzake het leefmilieu ingeval de plaats wordt heringericht na exploitatie zonder ophoging. 26. In een verslag van 5 maart 1999 concludeert het Directoraat- generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waals Gewest dat het beroep gegrond is en stelt het voor de gevraagde exploitatievergunning toe te kennen. Nadat daarin de nadruk is gelegd op de onderliggende vooringenomenheid van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kasteelbrakel en op de omstandigheid dat van dit negatieve a priori blijk is gegeven vanaf het begin van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan, wordt evenwel het volgende voorbehoud gemaakt: "Het is eveneens onze taak de aandacht van de heer Minister te vestigen op een andere argumentatie die de tegenstanders van het project tijdens de overlegvergaderingen ontwikkeld hebben. Deze argumentatie was hieraan ontleend dat het project niet van algemeen nut kan zijn en dat het integendeel financiële privé-belangen en niet het belang van de gemeenschap dient. Dat middel is ernstig in zoverre het de grond van het debat terugbrengt tot de motivering die geleid heeft tot de arresten van de Raad van State, genaamd "Tout-lui-Faut" en "Alconval", houdende schorsing, en vervolgens nietigverklaring, van de besluiten van de Waalse Gewestregering tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan van Nijvel teneinde er ontginningsgebieden in op te nemen en aldus de voortzetting van de exploitatie van de genoemde zandgroeven mogelijk te maken. Ondanks de argumentatie die de raadslieden van het Waals Gewest en van de tussenkomende partijen ontwikkeld hebben, heeft de Raad van State geoordeeld dat het Waals Gewest geenszins het algemeen nut had gemotiveerd en dat integendeel de wijzigingen van het gewestplan "... de privé-belangen van de aanvragers dienen, doordat ze het hen mogelijk maken hun activiteit in de beste rendabiliteitsomstandigheden V - 1580 - 17/45 voort te zetten; dat daarentegen niet bewezen is dat de bevoorrading van de streek met zand van goede kwaliteit alleen verzekerd kan worden door de gevraagde uitbreiding. Het onderhavige dossier is op alle punten identiek aan de twee voormelde dossiers, met dit verschil dat de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan niet vernietigd is omdat ze niet bij de Raad van State bestreden was. Gelet op de vastberadenheid waarmee de gemeente en de omwonenden zich tegen het project verzetten, zou het niet verwonderlijk zijn dat ze de schorsing van uw besluit vorderen, en vervolgens de nietigverklaring ervan door de Raad van State, voorzover het de winningsvergunning toekent, zelfs onder strenge exploitatievoorwaarden. Wij menen evenwel, in zoverre de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan van Nijvel met het oog op de opneming van een ontginningsgebied op de plaats genaamd "Campagne de Boekendael" niet is bestreden bij de Raad van State, dat de bevoegde overheid niet meer hoeft stil te staan bij die "hogere" notie van algemeen nut. De bevoegde overheid dient ten hoogste de privé-belangen van de aanvrager en het algemeen belang wat betreft de zorg voor het milieu en voor het leefklimaat van de omwonenden in het kader van de bijzondere administratieve politie betreffende zandgroeven tegenover elkaar af te wegen. We zijn van oordeel dat in het onderhavige geval de bijzondere exploitatievoorwaarden die in ons project opgenomen zijn, kunnen beantwoorden aan die voortdurende zorg". 27. Op 17 juni 1999 willigt de Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw het beroep in van de NV Les Sablières de Wauthier- Braine en geeft hij voor een periode van twintig jaar de gevraagde winningsvergunning af. Dit besluit steunt inzonderheid op de volgende overwegingen: " (...) Overwegende dat, wat betreft het middel dat de omwonenden tijdens de tweede overlegvergadering aangevoerd hebben en dat ontleend is aan het algemeen nut van de zandwinning op de geplande plaats, de bevoegde overheid na beroep niet meer hoeft stil te staan bij die "hogere" notie van algemeen nut, doordat de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan niet vernietigd werd omdat ze bij de Raad van State niet bestreden was; dat de laatstgenoemde overheid ten hoogste de privé-belangen van de aanvrager en het algemeen belang wat betreft de zorg voor het milieu en voor het leefklimaat van de omwonenden in het kader van de bijzondere administratieve politie betreffende zandgroeven tegenover elkaar dient af te wegen; Overwegende dat in het onderhavige geval de in deze winningsvergunning vervatte bijzondere exploitatievoorwaarden kunnen beantwoorden aan die voortdurende zorg voor het leefklimaat van de omwonenden wat betreft visuele hinder, geluidshinder, reukhinder ..., maar ook inzake de waardevermindering van de huizen en gronden, en voor de bescherming van het milieu wat betreft de aantasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, en van de fauna en flora; (...)"; Overwegende dat die winningsvergunning, die de bestreden handeling vormt, op 24 juni 1999 aan de NV Les Sablières de Wauthier-Braine, de gemeente V - 1580 - 18/45 Kasteelbrakel en de stad Halle ter kennis gebracht is en vanaf 6 juli 1999 door toedoen van de gemeenteoverheid van Kasteelbrakel aangeplakt is; Overwegende dat de NV Les Sablières de Wauthier-Braine in haar hoedanigheid van tussenkomende partij de ontvankelijkheid betwist van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring die de gemeente Kasteelbrakel heeft ingesteld; dat ze betoogt dat de administratieve politie die geregeld wordt bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 27 oktober 1988 op de groeven een aangelegenheid is waarvoor de gewestelijke overheid bevoegd is, dat de gemeenteoverheid in deze aangelegenheid alleen als gedecentraliseerd orgaan optreedt en dat zulk een orgaan er geen belang bij heeft bij de Raad van State de handelingen aan te vechten die door de gewestelijke overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheid ter zake gesteld worden; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, net als voor andere aangelegenheden, zoals die betreffende de Stedenbouw en de Ruimtelijke ordening, optreedt als een bestuursoverheid die over beoordelingsbevoegdheid en een eigen beslissingsbevoegdheid beschikt wanneer het met toepassing van artikel 14 van het decreet van de Waalse Gewestraad van 27 oktober 1988 op de groeven een winningsvergunning afgeeft of weigert af te geven; dat de gemeente, inzonderheid uit het oogpunt van het gemeentelijk belang en van het beleid dat de gemeente inzake de aanleg van haar grondgebied volgt, er dus persoonlijk belang bij heeft bij de Raad van State de beslissing tot toekenning van zulk een vergunning te bestrijden, een beslissing die door de Waalse Regering is genomen naar aanleiding van het beroep dat de aanvrager van de vergunning tegen de weigeringsbeslissing van het college had ingesteld; dat de exceptie die hieraan ontleend is dat de gemeente Kasteelbrakel er geen belang bij heeft op te treden, derhalve niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de NV Les Sablières de Wauthier-Braine eveneens de ontvankelijkheid betwist van de vorderingen die door het Vlaams Gewest zijn ingesteld; dat ze erop wijst dat die vordering en dat beroep namens het Vlaams Gewest ingesteld zijn door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw; dat ze erop gewezen heeft dat de artikelen 68, 69 en 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse Executieve ten verzoeke waarvan de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest, worden V - 1580 - 19/45 gevoerd, elk lid van de Executieve machtigen om de rechtsgedingen waarin het Vlaams Gewest als eiser optreedt met betrekking tot de aangelegenheden die tot de uitsluitende bevoegdheid van dat lid behoren, in te stellen en te voeren, waarna de tussenkomende partij opmerkt dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw tot staving van zijn exclusieve bevoegdheid terzake alleen kan stoelen op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering; dat ze evenwel betoogt dat dit besluit, waarbij alle burgers belang hebben doordat het betrekking heeft op de besluitvorming en op de beslissing om namens de gewestregering in kwestie gedingen in te stellen, onwettig is doordat het niet vooraf ter fine van advies is voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State, overeenkomstig artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals wel het geval is geweest met inzonderheid het voorgaande besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1997 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering; dat ze voorts van oordeel is dat de motivering van de dringende noodzakelijkheid in de aanhef van het besluit van 13 juli 1999 ter rechtvaardiging van het feit dat het niet ter fine van advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State is voorgelegd, in casu niet afdoende is, doordat daaruit niet kan worden opgemaakt waarom het niet mogelijk zou zijn geweest de afdeling Wetgeving van de Raad van State te verzoeken om een advies binnen een termijn van drie dagen; dat ze daaruit afleidt dat de beslissing om in rechte op te treden, bij ontstentenis van geldige opdracht van bevoegdheid aan een van de leden van de Vlaamse regering, door de Vlaamse Regering als college moest worden genomen, overeenkomstig de artikelen 68, 69, 82 en 83 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; Overwegende dat artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse Executieve ten verzoeke waarvan de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap worden gevoerd, waarvan de wettigheid door de tussenkomende partij niet in twijfel wordt getrokken, bepaalt dat de rechtsgedingen waarin de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest als eiser optreden met betrekking tot aangelegenheden die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van een lid van de Vlaamse Executieve, worden ingesteld en gevoerd ten verzoeke van dat lid; Overwegende dat in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering wordt vastgesteld dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw V - 1580 - 20/45 inzonderheid bevoegd is voor het leefmilieu en het waterbeleid, zoals vermeld in artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; dat zulk een bepaling, waarbij alleen wordt voorgeschreven hoe de bevoegdheden onder de onderscheiden leden van een regering worden verdeeld, alleen betrekking heeft op de organisatie en de werkwijze van die regering; dat een bepaling van die aard, zoals de afdeling Wetgeving van de Raad van State trouwens heeft opgemerkt in advies 26.881/1, waarnaar door de tussenkomende partij wordt verwezen, niet het reglementaire karakter vertoont dat vereist is door artikel 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; dat zulk een bepaling bijgevolg niet ter fine van advies dient te worden voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State, wat niet wegneemt dat zulk een bepaling, zoals opgemerkt wordt in het arrest van de Raad van State waarnaar eveneens door de tussenkomende partij wordt verwezen, doordat alle burgers er belang bij hebben, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt dient te worden opdat ze aan derden tegenwerpbaar kan worden gemaakt; dat zulks in casu wel degelijk het geval is geweest; Overwegende dat bijgevolg niet behoeft te worden nagegaan of de dringende noodzakelijkheid die aangevoerd is om die bepalingen niet ter fine van advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State voor te leggen wel relevant is, doordat het aanvragen van zulk een advies niet verplicht is; dat daaruit volgt dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond op de onbevoegdheid van het lid van de Vlaamse Regering dat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingesteld dientengevolge niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de stad Halle in haar memorie van wederantwoord opmerkt dat het Waals Gewest en zijzelf beide onderworpen zijn aan de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en dat daaruit volgt dat het beroep tot nietigverklaring dat de stad Halle heeft ingediend door de tweetalige kamer moet worden behandeld met toepassing van artikel 61, 4/, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; dat ze erop wijst dat krachtens artikel 62 van diezelfde gecoördineerde wetten in dat geval de akten en geschriften uitgaande van de organen van de Raad van State in het Nederlands en in het Frans moeten worden gesteld; dat ze evenwel opmerkt, ten eerste, dat de zaak aan een Franstalige kamer toegewezen is, en, ten tweede, dat zowel de beschikking van 27 januari 2000 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de NV Les Sablières de Wauthier-Braine wordt ingewilligd als de handeling van 4 februari 2000 waarbij haar kennis wordt V - 1580 - 21/45 gegeven van de memorie van antwoord van het Waals Gewest alleen in het Frans gesteld zijn; dat die stukken dan ook nietig zijn; dat zij bijgevolg, teneinde ervoor te zorgen dat de procedure op tegenspraak verloopt en dat de rechten van de verdediging gerespecteerd worden, zich het recht voorbehoudt op de memorie van antwoord van het Waals Gewest pas te antwoorden nadat de zaak naar de tweetalige kamer is verwezen en de akten en geschriften die uitgaan van de organen van de Raad van State in beide talen zijn gesteld; Overwegende dat de zaak op 22 februari 2000 naar de Ve kamer is verwezen bij beschikking van de Eerste Voorzitter van de Raad van State; dat de indiening door de auditeur van een verslag opgemaakt met toepassing van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, hierna te noemen "de algemene procedureregeling", tot gevolg heeft gehad dat de normale procedure van het uitwisselen van memories niet kan worden gevolgd; dat dit verslag van de auditeur en de beschikking waarbij de partijen opgeroepen worden om te verschijnen op de terechtzitting van de Ve kamer van 23 april 2002 wel degelijk in het Nederlands en in het Frans zijn gesteld; dat de procedure dus wel degelijk op geldige wijze is voortgezet met toepassing van de artikelen 61 en 62 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en er dan ook geen grond is om op het voorbehoud van de stad Halle in te gaan; Overwegende dat de NV Sablières réunies de Wauthier-Braine in haar hoedanigheid van tussenkomende partij het principe zelf betwist van de gebruikmaking van de procedure van de "kennelijk gegronde vordering", geregeld bij artikel 94 van de algemene procedureregeling, met toepassing van artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij erop wijst dat het middel dat door de auditeur als kennelijk gegrond wordt beschouwd, niet steunt op een onwettigheid die inherent is aan de bestreden handeling, maar wel op de onwettigheid van het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel, welk besluit de rechtsgrond van de bestreden handeling is; dat ze in dit verband aanvoert dat noch het oorspronkelijke administratief dossier dat door de verwerende partij is ingediend, noch het aanvullende administratief dossier dat de verwerende partij op verzoek van de auditeur heeft ingediend, alle stukken bevatten die noodzakelijkerwijze door de administratieve overheid in aanmerking zijn genomen in het kader van de procedure tot gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel die tot het voormelde besluit van de Waalse Regering van V - 1580 - 22/45 30 oktober 1993 heeft geleid; dat ze in dit verband een studie overlegt die het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (hierna te noemen "het WTCB") begin 1991 heeft opgesteld en drie brieven uitgaande van het Verbond van Ontginnings- en Veredelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten (hierna te noemen "FEDIEX") van januari - september 1992 en juni 1993, maar die niet voorkomen in de administratieve dossiers die de verwerende partij heeft ingediend, terwijl de tussenkomende partij ze nochtans als essentieel beschouwt voor de beoordeling van de wettigheid van het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993; dat ze daaruit afleidt dat de voortzetting van de procedure voor het onderzoek van de beroepen op basis van artikel 94 van de algemene procedureregeling een schending zou uitmaken van haar rechten van verdediging en dat ze bijgevolg vraagt te bevelen dat de beroepen volgens de normale procedure moeten worden onderzocht met het oog op de indiening, door de auditeur, van een aanvullend verslag over de gegrondheid van de vorderingen tot schorsing; dat ze voorts vraagt dat met toepassing van inzonderheid de artikelen 13 en 16 van de algemene procedureregeling een aanvullend onderzoek wordt gedaan naar de volgende punten: "- de indiening van het administratief dossier betreffende het opstellen van het gewestplan van Nijvel, dat in 1981 is vastgesteld, met inbegrip van alle voorbereidende documenten en inzonderheid van de documenten waaruit blijkt dat herhaaldelijk overleg is gepleegd tussen het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening en de Administratie der Mijnen; - de vraag aan de Gewestelijke Adviescommissie voor de Ontginning van de Groeven (CRAEC), opgericht met toepassing van de bepalingen van het decreet van 17 oktober 1988 op de groeven, om alle documenten over te zenden met adviezen die ze heeft gericht aan de overheid of documenten waarvan ze kennis heeft gehad in verband met of ter gelegenheid van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel; - de vraag, overeenkomstig de artikelen 16 en volgende van de procedureregeling, aan de overheden van het WTCB en inzonderheid aan de heren ... en ... om te preciseren of zij ter gelegenheid van de studie die tussen februari en april 1991 is gevoerd, contacten hebben gehad die relevante informatie opleveren die aan de administratieve en politieke overheden moet worden voorgelegd"; Overwegende dat het Vlaams Gewest op de terechtzitting aanvoert dat het aan de verwerende partij behoort een volledig administratief dossier in te dienen; dat deze verzoekende partij van mening is dat niet alle studies of analyses die in de loop van de procedure uitgevoerd zijn, noodzakelijkerwijze deel uitmaken van het administratief dossier en dat de cruciale vraag is of het bij de Raad van State ingediende administratief dossier de onderscheiden stukken bevat die noodzakelijkerwijze door de administratieve overheid in overweging zijn genomen V - 1580 - 23/45 om de gegrondheid van de te nemen beslissing te beoordelen; dat ze in dit verband opmerkt dat geen enkel concreet gegeven voorhanden is op grond waarvan er van uit zou kunnen worden gegaan dat de administratieve dossiers die door de verwerende partij zijn ingediend, onvolledig zouden zijn en dat er dan ook geen sprake kan zijn van een schending van de rechten van verdediging van de tussenkomende partij; dat de gemeente Kasteelbrakel, de eerste verzoekende partij, zich bij die opmerking aansluit en daaraan toevoegt dat wanneer artikel 94 van de algemene procedureregeling wordt toegepast, de Raad van State in het raam daarvan geen onderzoeksdaden kan bevelen; Overwegende dat de beslissing om de procedure van "de kennelijk gegronde vordering" in de zin van artikel 94 van de algemene procedureregeling aan te wenden inzonderheid kan worden genomen op basis van het administratief dossier of de administratieve dossiers van de verwerende partij; dat een voortzetting van het onderzoek volgens de gewone procedure en aanvullende onderzoeksdaden bijgevolg alleen zouden kunnen worden bevolen als mocht blijken dat de verwerende partij voor het stellen van de bestreden handeling gesteund heeft op andere stukken dan die welke voorkomen in het administratief dossier of de administratieve dossiers ingediend bij de Raad van State; Overwegende dat de verwerende partij op de terechtzitting bevestigt dat de administratieve dossiers die ze heeft ingediend, zowel dat betreffende de bestreden handeling als dat betreffende de procedure tot uitvaardiging van het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel, volledig zijn en dat ze voor haar beslissingen op geen enkel ander stuk heeft gesteund dan die welke in die dossiers voorkomen; dat ze van mening is dat de onderscheiden documenten waarnaar de tussenkomende partij verwijst, geen deel uitmaken van een administratief dossier in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de algemene procedureregeling; dat ze voorts stelt dat de onderzoeksdaad waar door de tussenkomende partij om wordt verzocht in verband met de indiening van het administratief dossier betreffende de vaststelling van het vorige gewestplan van Nijvel door het koninklijk besluit van 1 december 1981, betrekking heeft op een andere bestuurshandeling en dat er bijgevolg geen grond is om op dat verzoek in te gaan; Overwegende dat het de taak van de verwerende partij is een administratief dossier in te dienen met alle stukken die zij in overweging heeft V - 1580 - 24/45 genomen om de gegrondheid van de bestreden beslissingen te beoordelen en dat het in de regel aan die partij staat te bepalen, onder de toetsing van de Raad van State, welke die stukken zijn; dat in casu niets grond oplevert om te twijfelen aan de bewering van de verwerende partij dat de administratieve dossiers die ze heeft ingediend wel degelijk volledig zijn en inderdaad de onderscheiden stukken bevatten waarop ze gesteund heeft om haar beslissingen te nemen en, inzonderheid, om ze te motiveren; dat een van de stukken die de tussenkomende partij heeft overgelegd, namelijk de brief van FEDIEX d.d. 15 juni 1993, wel een van de bescheiden is van het aanvullend administratief dossier dat de verwerende partij op verzoek van de auditeur heeft ingediend; dat de tussenkomende partij er voorts niet in slaagt te bewijzen dat de overige stukken die ze overlegt tijdig ter kennis van de verwerende partij zouden zijn gebracht of dat de verwerende partij noodzakelijkerwijze op die stukken zou hebben gesteund om tot de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel te beslissen; dat de Raad van State bijgevolg op basis van de administratieve dossiers die bij hem zijn ingediend de gegrondheid van de beroepen moet onderzoeken en moet beslissen of er al dan niet grond bestaat om artikel 94 van de algemene procedureregeling toe te passen; dat er dan ook geen grond bestaat om gevolg te geven aan het verzoek van de tussenkomende partij om aanvullende onderzoeksdaden te bevelen en bijgevolg evenmin om alleen om die reden te bevelen dat het verdere onderzoek van de beroepen volgens de normale procedure moet geschieden; Overwegende dat de verzoekende partijen in alle beroepen een middel aanvoeren, ontleend aan schending van het vroegere artikel 40 van het WWROSP, schending van het nieuwe artikel 32 van het WWROSP, overtreding van de voorschriften van het gewestplan van Nijvel, schending van het beginsel van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en van het beginsel van de uitdrukkelijke en materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook aan dwaling omtrent de motieven van de handeling en aan machtsoverschrijding, dat alles in samenhang met artikel 159 van de Grondwet; dat ze tegen de verwerende partij inbrengen dat ze het beroep van de NV Les Sablières de Wauthier-Braine heeft ingewilligd en aan die vennootschap de winningsvergunning met een geldigheidsduur van twintig jaar heeft afgegeven, terwijl die vergunning steunt op een onwettig besluit, namelijk het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel; dat ze aanvoeren dat met dat besluit immers voorbijgegaan wordt aan het begrip openbaar nut waarvan sprake is in het oude artikel 40 van het WWROSP, welk begrip het V - 1580 - 25/45 enige is op grond waarvan een gedeeltelijke herziening van een gewestplan mogelijk was; dat ze eraan herinneren dat krachtens die bepaling het openbaar nut dat grond kan opleveren voor een gedeeltelijke herziening van een gewestplan met het oog op verrichtingen van openbaar belang, meer in het bijzonder moet blijken uit de motivering van het besluit van de Waalse Regering waarbij dat openbaar nut wordt erkend; dat ze steunen op de motivering die de Waalse Regering heeft gegeven ter rechtvaardiging van dat openbaar nut, alsook op verscheidene arresten van de Raad van State in die zin, en stellen dat een activiteit niet geacht kan worden van openbaar nut te zijn om de enkele reden dat zij voor de economie en de werkgelegenheid gunstige gevolgen kan hebben; dat ze stellen dat in het onderhavige geval de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel geenszins op grond van het criterium van het openbaar nut zou kunnen worden gewettigd; dat ze daaruit afleiden dat, door de onwettigheid van het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 waarbij die gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel definitief wordt vastgesteld, de voorschriften die vóór die wijziging van toepassing waren, waarbij namelijk de omstreden percelen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied waren opgenomen met toepassing van het gewestplan van Nijvel, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 1 december 1981, opnieuw van toepassing worden ten gevolge van het mechanisme van de exceptie van onwettigheid, verankerd in artikel 159 van de Grondwet, wat tot gevolg heeft dat de winningsvergunning in het licht van die bestemming niet mocht worden afgegeven, zodat die vergunning onwettig is; Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel, aangezien ze bij de Raad van State geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel; Overwegende dat de omstandigheid dat de verzoekende partijen bij de Raad van State geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel, niet wegneemt dat deze partijen bij wege van exceptie en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid van deze verordening kunnen aanvoeren tot staving van hun beroep tegen een winningsvergunning die met toepassing van die verordening is afgegeven; dat de onwettigheid van een verordening te allen tijde kan worden opgeworpen bij V - 1580 - 26/45 wege van exceptie om te bewijzen dat de individuele handelingen gesteld ter uitvoering van die bepaling onwettig zijn; dat de verzoekende partijen wel degelijk belang hebben bij dit middel; Overwegende dat de verwerende partij voorts aanvoert dat niet tegen haar kan worden ingebracht dat ze, om uitspraak te doen over het beroep dat bij haar aanhangig was gemaakt, rekening heeft gehouden met het bestaan van het voormelde besluit van de Waalse Regering d.d. 30 oktober 1993; dat ze stelt dat dit besluit uitvoerbaar was en bindend voor haar en dat het actief bestuur niet mag weigeren zulk een onwettige bepaling toe te passen, aangezien artikel 159 van de Grondwet, zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 25.858 van 14 november 1985 heeft gesteld, alleen geldt voor de rechterlijke macht; dat ze daaruit afleidt dat de bestreden handeling geen onwettigheid bevat doordat daarin rekening gehouden wordt met de omstandigheid dat de percelen in kwestie volgens het gewestplan van Nijvel, zoals het gedeeltelijk is herzien, in een ontginningsgebied en een ontginningsuitbreidingsgebied zijn gelegen; Overwegende dat het Vlaams Gewest op de terechtzitting daarentegen aanvoert dat de administratieve overheid met toepassing van artikel 159 van de Grondwet uit zichzelf rekening diende te houden met arresten van oudere datum van de Raad van State in verband met gedeeltelijke herziening van gewestplannen om redenen van openbaar nut om de wettigheid van het voormelde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 te beoordelen; Overwegende dat de Raad van State een onwettige verordening niet mag toepassen; dat de Raad van State, wanneer hij zowel de externe als de interne wettigheid van een winningsvergunning toetst, integendeel, in zijn hoedanigheid van administratief rechtscollege en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, moet weigeren elke door hem onwettig geachte verordeningsbepaling van een gewestplan toe te passen; dat het er in dit verband weinig toe doet welk antwoord moet worden gegeven op de vraag of een administratieve overheid uit zichzelf mag beslissen om een verordening die ze zelf heeft vastgesteld maar die ze naderhand onwettig zou achten, al of niet toe te passen wanneer ze in het verlengde daarvan individuele handelingen stelt; dat zelfs de omstandigheid dat die overheid er te goeder trouw van uit is gegaan dat ze door een onwettige verordeningsbepaling gebonden was, immers niet wegneemt dat de Raad van State, zoals elk ander rechtscollege, gebruik kan maken van de bevoegdheid die artikel 159 van de V - 1580 - 27/45 Grondwet hem verleent; dat er dan ook geen grond is om de exceptie die de verwerende partij heeft opgeworpen, aan te nemen; Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens opmerkt dat de verzoekende partijen er geen belang bij hebben zich te beroepen op de onwettigheid van het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993, doordat die onwettigheid, mocht deze worden erkend, tot gevolg zou hebben dat de bepalingen van het voorgaande gewestplan van Nijvel van 1 december 1981, die zelf onwettig zijn, opnieuw van kracht worden; dat de tussenkomende partij zowel tijdens de zitting, als in haar verzoeken tot tussenkomst in de procedures tot nietigverklaring, gedaan na de indiening van het verslag in het kader van de zaken A.86.199/V-1580, A.86.366/V-1581 en A.86.546/V-1582, stelt dat het gewestplan van Nijvel van 1 december 1981 bewust restrictief opgesteld is in verband met de afbakening van de gebieden, maar dat artikel 3 ervan een tekstvoorschrift bevat dat bedoeld is om de grafische voorschriften van dat plan te versoepelen; dat dat artikel 3, dat ertoe strekte toestemming te verlenen voor de latere exploitatie van zandgroeven in agrarisch gebied of in bosgebied mits bepaalde voorwaarden werden nageleefd, waaronder de goedkeuring van een bijzonder plan van aanleg waarin de nieuwe bestemming vastgelegd wordt, evenwel onwettig bevonden is door de Raad van State in zijn arrest nr. 35.720 van 24 oktober 1990, om reden dat het niet voor advies is voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State; dat de tussenkomende partij daaruit afleidt dat heel de strekking van dat gewestplan op de helling moet worden gezet, aangezien de door de overheid noodzakelijk geachte versoepeling van de grafische voorschriften van het gewestplan niet meer bestaat en derhalve niet meer mag worden aangenomen dat de steller van de handeling de verdeling van het grondgebied over de verschillende gebieden met kennis van zaken heeft gedaan; dat zij op basis daarvan concludeert dat de grafische voorschriften van het gewestplan van Nijvel van 1 december 1981 bijgevolg eveneens onwettig moeten worden geacht; dat de verwerende partij teruggrijpt naar de door de tussenkomende partij geopperde stelling en ter zitting opmerkt dat de Raad van State ook geen rekening zou mogen houden met zulke bepalingen teneinde, na de toepassing van het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 van de hand te hebben gewezen, mogelijk te besluiten dat de thans bestreden winningsvergunning onwettig is; Overwegende dat de exceptie van onwettigheid van een verordenende rechtshandeling, handeling per handeling beoordeeld wordt en dat het zaak is van de administratieve overheid, wanneer zij een nieuwe beslissing moet nemen nadat de V - 1580 - 28/45 Raad van State de nietigverklaring heeft uitgesproken van een individuele handeling, gesteld op basis van een verordening die door de Raad onwettig verklaard is, rekening te houden met het toepasselijke wetgevende kader, afgezien van die onwettige verordening; dat er in casu sprake van zou zijn toepassing te geven aan het koninklijk besluit van 1 december 1981, waarbij het gewestplan van Nijvel wordt vastgelegd; Overwegende dat de omstandigheid dat het tekstvoorschrift dat gevormd wordt door artikel 3 van dat koninklijk besluit van 1 december 1981, wegens zijn verordenende waarde onwettig verklaard is door de Raad van State omdat het niet voor advies is voorgelegd aan de afdeling Wetgeving, niet betekent dat de overige grafische voorschriften van dat gewestplan om diezelfde reden ook onwettig geacht moeten worden; dat zoals de Raad van State gesteld heeft in zijn arrest nr. 35.720 van 24 oktober 1990, waarnaar de tussenkomende partij verwijst, de voorschriften van een gewestplan die zich ertoe bepalen op welbepaalde percelen algemene regels toe te passen van een besluit waarin de specifieke bestemmingen worden vastgelegd van verschillende gebieden, niet voor advies hoeven te worden voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State; dat de verwerende partij en de tussenkomende partij ter adstructie van hun exceptie geen andere grond van onwettigheid aanvoeren; dat ze zich ertoe bepalen te stellen, doch zonder daarvoor het bewijs aan te brengen, dat de bepalingen van het genoemde koninklijk besluit van 1 december 1981 volgens hen één ondeelbaar geheel uitmaken, zodat de onwettigheid van artikel 3 tot gevolg heeft dat de overige bepalingen van dat besluit ook onwettig zijn; dat de Raad van State niet op basis van die loutere bewering de toepassing van het hele genoemde besluit kan weigeren, des te minder daar de grafische bepalingen van dat gewestplan toegepast zijn blijven worden, onder meer door de verwerende partij; dat daaruit volgt dat de Raad van State, indien hij zou besluiten dat het genoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 onwettig is, zelf, zoals hij heeft gedaan in zijn reeds genoemde arrest nr. 35.720, de grafische bepalingen van het gewestplan van Nijvel van 1 december 1981 zou moeten toepassen wanneer hij de winningsvergunning die aan de NV Sablières de Wauthier-Braine verleend is, op haar wettigheid toetst; dat er dus geen reden is om de door de verwerende partij en de tussenkomende partij aangevoerde exceptie aan te nemen; Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij opmerken dat de verzoekende partijen tot staving van hun middel niet concreet hebben uitgelegd in welk opzicht de door het besluit van de Waalse Regering van 30 V - 1580 - 29/45 oktober 1993 doorgevoerde gedeeltelijke wijziging van het gewestplan van Nijvel onwettig zou zijn; dat zij onder andere betogen dat de verzoekende partijen, die geenszins verwijzen naar de inhoud zelf van dat besluit tot gedeeltelijke herziening, inzonderheid niet uitleggen waarom de voornoemde wijziging niet gerechtvaardigd is in het licht van het algemeen belang noch, voorts, waarom zij strijdig zou zijn met de wetsbepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat het voornoemde besluit uitgevaardigd werd; dat de tussenkomende partij eveneens opmerkt dat de verzoekende partijen in hun middel nergens verwijzen naar de inhoud zelf van dat besluit van 30 oktober 1993; dat de verwerende partij en de tussenkomende partij daaruit concluderen dat het middel niet-ontvankelijk is door de leemtes in de formulering ervan; Overwegende dat de verzoekende partijen op expliciete wijze steunen op verschillende arresten van de Raad van State en tot staving van hun middel, dat inzonderheid ontleend wordt aan schending van het oude artikel 40 van het WWROSP, uitdrukkelijk betogen dat enerzijds een verrichting niet beschouwd mag worden als zijnde van openbaar belang enkel en alleen omdat deze gunstige gevolgen zou kunnen hebben voor de economie en de werkgelegenheid, en, anderzijds, dat in casu niets de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel had kunnen rechtvaardigen op basis van het criterium van het openbaar nut; dat zo'n uiteenzetting van het middel, rekening houdend met de uitdrukkelijke motivering waarop de verwerende partij steunt om de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel te rechtvaardigen, voldoende nauwkeurig is en niet van die aard is dat daardoor de verwerende partij en de tussenkomende partij zouden zijn misleid, zoals blijkt uit de opmerkingen van laatstgenoemden, zowel in hun proceduregeschriften als ter zitting; dat dit des te meer geldt aangezien die partijen niet kunnen beweren dat ze niets afwisten van de draagwijdte van de arresten van de Raad van State die door de verzoekende partijen genoemd zijn tot staving van hun middel; dat het tot slot geen zaak van de verzoekende partijen is het concrete bewijs te leveren dat geen zaak enkel motief van openbaar nut de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel kon rechtvaardigen, maar dat het aan de verwerende en aan de tussenkomende partij staat te bewijzen dat zulke motieven wel degelijk bestaan, dat deze relevant en toelaatbaar zijn uit het oogpunt van de wettelijke draagwijdte die verleend moet worden aan het criterium openbaar nut dat gebezigd wordt in het oude artikel 40 van het WWROSP en dat met die motieven wel degelijk te gelegener tijd rekening gehouden is door de overheid; dat de exceptie van onontvankelijkheid die ontleend V - 1580 - 30/45 wordt aan de vermeende onduidelijkheid van het middel bijgevolg niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verwerende partij in de nota's met opmerkingen die in het kader van de zaken A.86.199V-1580, A.86.366/V-1581 en A.86.546/V-1582 zijn ingediend, alsook in de memorie van antwoord verstuurd in het kader van de zaak A.86.344/V-1566, aanvoert dat het middel eveneens wettelijke grondslag mist doordat het de uitdrukkelijke motivering van het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 op de helling zet; dat de besluiten houdende wijziging van een gewestplan immers verordenende rechtshandelingen zijn en dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen daarop niet van toepassing is; dat de verplichting om zulk een besluit uitdrukkelijk te motiveren bijgevolg door het oude artikel 40bis, § 3, tweede lid, van het WWROSP enkel opgelegd werd in zoverre het besluit waarbij de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan definitief vastgelegd wordt, afwijkt van het advies dat in dat verband gegeven is door de CRAT; dat zulks in casu evenwel niet het geval is, zoals blijkt uit de adviezen die door deze commissie gegeven zijn op 26 november 1993 (lees: "26 februari 1993") en 28 oktober 1994; Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens opmerkt dat de rechtspraak van de afdeling Administratie van de Raad van State over het verband tussen het begrip openbaar nut in de zin van het oude artikel 40, § 1, tweede en derde lid, van het WWROSP en de noodzaak om een bestaande economische activiteit en de daarbij horende werkgelegenheid te behouden, genuanceerder is dan hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren; dat zij van oordeel is dat uit de verschillende arresten van de Raad van State en uit de commentaren in de rechtsleer die daaraan zijn gewijd, namelijk blijkt dat het behoud van een economische activiteit en de daarvan afhangende werkgelegenheid wel degelijk motieven van openbaar nut zijn op grond waarvan een gedeeltelijke herziening van een gewestplan gewettigd kan worden, op voorwaarde dat ze daadwerkelijk aan de orde zijn; dat zij daaruit afleidt dat de verzoekende partijen het oude artikel 40, §1 , tweede en derde lid, van het WWROSP verkeerd interpreteren, met als gevolg dat het middel wettelijke grondslag mist; Overwegende dat de verzoekende partijen hoegenaamd niet stellen dat het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel onwettig is, omdat het uitgevaardigd zou zijn in strijd met de wet van 29 V - 1580 - 31/45 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat die wet trouwens niet van toepassing is op besluiten waarbij de gedeeltelijke wijziging van gewestplannen definitief wordt vastgelegd, welke besluiten geen eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking zijn in de zin van die wet; dat de verzoekende partijen hun middel ook niet gronden op een mogelijke schending van het oude artikel 40bis, § 3, tweede lid, van het WWROSP; dat die bepaling overigens ook niet van toepassing was in casu, doordat de verwerende partij niet afgeweken is van het advies dat op 26 februari 1993 gegeven is door de CRAT; dat het oude artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP, dat door de verzoekende partijen eveneens aangevoerd wordt tot staving van hun middel, evenwel uitdrukkelijk bepaalt dat de Waalse Regering een motivering moet verstrekken omtrent het openbaar nut van werken en constructies, die verrichtingen van openbaar belang zouden kunnen zijn, op grond waarvan een gedeeltelijke herziening van een gewestplan zou kunnen worden gewettigd; dat zulk een verplichting enkel opgevat kan worden als een verplichting tot uitdrukkelijke motivering; dat het beginsel van verplichte materiële motivering van bestuurshandelingen, volgens hetwelk elke bestuurshandeling moet steunen op objectief aanvaardbare motieven omtrent de feiten en omtrent het recht, die ofwel blijken uit de handeling zelf, ofwel uit het administratief dossier, overigens een algemeen rechtsbeginsel vormt, waarvan de schending als zodanig kan worden aangevoerd bij de Raad van State; dat ten slotte de verzoekende partijen, in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij aanvoert, het oude artikel 40, tweede en derde lid, van het WWROSP niet verkeerd interpreteren, wanneer zij, te dien einde steunend op arresten van de Raad van State in diezelfde zin, stellen dat een verrichting niet kan worden beschouwd als zijnde van openbaar belang, enkel en alleen omdat deze gunstige gevolgen zou kunnen hebben voor de economie en de werkgelegenheid en dat in casu niets de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel had kunnen rechtvaardigen uit het oogpunt van het criterium openbaar nut; dat de exceptie volgens welke het middel wettelijke grondslag mist bijgevolg niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verwerende partij tot slot van oordeel is dat het middel feitelijke grondslag mist; dat zij ter zitting preciseert dat er dient te worden beoordeeld, zo niet op basis van de uitdrukkelijke motivering, dan toch op basis van de materiële motivering waarop het besluit houdende gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel steunt, of de overheid het begrip "openbaar belang" al dan niet op gepaste wijze heeft beoordeeld; dat zij in dat verband stelt dat de auditeur in haar verslag in hoofdzaak de wettigheid heeft getoetst van het voornoemde besluit V - 1580 - 32/45 van de Waalse Regering van 30 oktober 1993, uitgaande van de uitdrukkelijke motivering ervan, zonder rekening te houden met de verschillende stukken die vervat zijn in het aanvullende administratief dossier, dat op verzoek van de auditeur is neergelegd; dat de verwerende partij eveneens ter zitting stelt dat de feitelijke gegevens waarmee de auditeur rekening heeft gehouden teneinde de gegrondheid van de beoordeling van het begrip goede plaatselijke aanleg in twijfel te trekken, geen enkele relevantie hebben of op zijn minst niet bewezen zijn op grond van de administratieve dossiers; dat zij eerst en vooral opmerkt dat het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 er niet toe strekt een bestaande wederrechtelijke situatie te regulariseren, doordat de exploitatie in het bestreden gebied nog niet is aangevat; dat zij eveneens betoogt dat de rechtspraak van de Raad van State die geciteerd wordt in het verslag, naast de kwestie is en dat er inzonderheid moet worden teruggegrepen naar het advies dat op 26 februari 1993 gegeven is door de CRAT, dus nog voor het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 uitgevaardigd is; dat in dat advies verwezen wordt naar artikel 1 van het WWROSP en dat eveneens gepreciseerd wordt dat toen het gewestplan van Nijvel vastgesteld is in 1981, oorspronkelijk bepaald was dat de exploitatie van de groeve door de tussenkomende partij, zonder latere wijziging of gedeeltelijke herziening van dat plan, enkel een tiental jaar zou kunnen duren; dat de verwerende partij eveneens verwijst naar de gunstige adviezen die gegeven zijn door de gemachtigde ambtenaar van stedenbouw en door het centraal bestuur van het Directoraat-generaal voor ruimtelijke ordening, huisvesting en patrimonium in het kader van de procedure voor de toekenning van de winningsvergunning en dat zij stelt dat die instanties in dat verband geen enkel voorbehoud hebben geformuleerd wat betreft een mogelijke onwettigheid van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel van 30 oktober 1993; dat de verwerende partij daaruit concludeert dat het middel niet gegrond is, dat er dus geen enkele reden bestaat om toepassing te maken van artikel 94 van de algemene procedureregeling en dat daarentegen de voortzetting van de debatten bevolen moet worden volgens de gewone procedure voor het onderzoek van beroepen; Overwegende dat de tussenkomende partij eveneens van oordeel is dat het middel feitelijke grondslag mist, daar het begrip openbaar nut, op grond waarvan de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel is toegestaan, hoe dan ook door het Waals Gewest naar behoren is onderzocht en met redenen omkleed; dat zij in dat verband verwijst naar het besluit van de Waalse Regering van 31 oktober 1991, waarbij besloten is tot de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel, naar het advies dat op 26 februari 1993 door de CRAT gegeven is in het V - 1580 - 33/45 kader van die herzieningsprocedure, alsook naar het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993, waarbij die gedeeltelijke herziening definitief wordt vastgelegd; dat zij van oordeel is dat uit die stukken ten genoegen van recht blijkt dat de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel wel degelijk "noodzakelijk was voor het behoud van een bestaande economische activiteit en de daarmee samenhangende werkgelegenheid" en dat dit economische en sociale redenen zijn die zich verdragen met het begrip openbaar nut in de zin van het oude artikel 40, § 1, tweede en derde lid, van het WWROSP; dat de tussenkomende partij er eveneens aan herinnert dat de CRAT in haar advies van 28 oktober 1994 over de aanvraag van een winningsvergunning, bevestigd heeft dat het zowel vanuit een economisch standpunt als voor het toepassen van het beginsel dat met de grond spaarzaam behoort te worden omgesprongen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van het WWROSP, verkieslijk is om de activiteit voort te zetten daar waar zij reeds wordt uitgeoefend; dat de tussenkomende partij eveneens verschillende stukken overlegt, waaronder een nota die is opgesteld door een ingenieur van de Administratie van het Mijnwezen - Afdeling Henegouwen te Charleroi, in mei 1982, alsook studies die in 1991-1993 uitgevoerd zijn door FEDIEX en door het WTCB in het kader van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan van Nijvel; dat zij meent dat uit die stukken gebleken is dat de beslissing om de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel door te voeren, wel degelijk genomen is op basis van welbepaalde elementen die ter kennis van de overheid gebracht zijn en die aantonen dat over de gegrondheid van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan ten algemenen nutte werkelijk zeer omstandige analyses zijn gemaakt door de verschillende overheden; dat de tussenkomende partij in dat verband stelt dat het economische standpunt, dat door de overheidsinstanties in ogenschouw genomen is, gerechtvaardigd is op grond van de volgende factoren: de bijzonderheden van het gewestplan van Nijvel, goedgekeurd in 1987 (lees: 1981), in het bijzonder wat betreft de beperkende aanwijzing van de zandwinningsgebieden; het terugkerende probleem van de zandwinning in de provincie Brabant, dat het behoud van voldoende exploitaties rechtvaardigt, zodat de bouwsector op het subregionale niveau, inzonderheid door de doorslaggevende weerslag van de prijs van het vervoer op de uiteindelijke prijs van het zand, niet zou worden ontregeld, met alle mogelijke gevolgen van dien, ook wat betreft de openbare werken of de gesubsidieerde werken; de wenselijkheid om de activiteit vanuit een macro-economisch standpunt te behouden, teneinde te kunnen inspelen op het gevaar van een mogelijk terugkerend tekort op de handelsbalans in het geval dat de invoer van zand zou blijven toenemen; het meetellen van de werkgelegenheid, met andere woorden, de mogelijke consolidatie of het in gevaar V - 1580 - 34/45 brengen van 125 onmiddellijk beschikbare banen in de sector, onverminderd de niet onmiddellijk beschikbare banen die door die activiteit gecreëerd worden, en het rekening houden met de impact op de ruimtelijke ordening uit het oogpunt van de "goede plaatselijke aanleg", die enerzijds verband houdt met een spaarzaam omspringen met de grond en anderzijds met het concentreren van de hinder; dat de tussenkomende partij op basis daarvan concludeert dat al die overwegingen relevant zijn, niet alleen wat betreft het persoonlijk belang van elk van de exploitanten afzonderlijk, maar ook wat betreft het openbaar nut en het algemeen belang, en dat de verzoekende partijen op geen enkele manier aantonen dat het Waals Gewest een kennelijke beoordelingsfout zou hebben begaan door te beslissen dat het openbaar nut gemoeid was met een gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel door het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993; Overwegende dat de tussenkomende partij, zowel ter terechtzitting als in haar verzoeken tot tussenkomst in de procedures tot nietigverklaring na de indiening van het verslag in het kader van de zaken A.86.199/V-1580, A.86.366/V- 1581 en A.86.546/V-1582, eveneens de gegrondheid van het verslag van de auditeur op de helling zet; dat zij eerst en vooral betoogt dat dat verslag steunt op een gevaarlijke premisse volgens welke, enerzijds, de ondergrond van Waals-Brabant bijzonder rijk is aan zand dat beantwoordt aan de noden in de bouwsector en, anderzijds, in die streek talrijke zandgroeven gelegen zijn, terwijl de laatste jaren eerder een terugval waar te nemen is van de exploitatie van de rijkdommen in die ondergrond en terwijl die betrekkelijke rijkdom aan zand in de ondergrond van Waals-Brabant, niet echt weerspiegeld wordt in het gewestplan van Nijvel van 1 december 1981; dat de bestaande ontginningsbedrijven, ten gevolge van de beperktheid van de ontginningsgebieden, die vastgesteld zijn in dat gewestplan, immers nog maar ongeveer een tiental jaren productief zouden kunnen blijven vanaf 1981; dat de tussenkomende partij eveneens betwist dat de herziening van het gewestplan door het voornoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993, de regularisatie mogelijk had gemaakt van een onwettige feitelijke toestand; dat zij daarentegen verklaart dat de vroegere exploitatie wel degelijk viel binnen een ontginningsgebied in het gewestplan van Nijvel van 1 december 1981 en dat die exploitatie nooit verder gereikt heeft dan de grens met het uitbreidingsgebied, dat het onderwerp uitmaakt van de winningsvergunning die thans bestreden wordt; dat zij daaruit concludeert dat, gelet op die gegevens, die gevoegd moeten worden bij die welke zij reeds heeft toegelicht in haar vorige proceduregeschriften, de mogelijkheid om de exploitatie van een zandgroeve voort te zetten op de plaats waar die reeds gevestigd is, gebruik makend van een zandlaag waarvan de kwaliteit V - 1580 - 35/45 bekend is, vanuit een economisch en sociaal oogpunt alle kenmerken van het openbaar nut heeft; dat er dus geen reden is om geen toepassing te willen geven aan het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 houdende definitieve vaststelling van de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel, met als gevolg dat de winningsvergunning op rechtsgeldige wijze toegekend is ter uitvoering van dat besluit; dat, wat bovendien de beoordeling betreft die gegeven is door de auditeur over de wettigheid van dat besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 uit het oogpunt van de noodzaak van een goede plaatselijke aanleg, de tussenkomende partij stelt dat de redenering die de auditeur volgt veel weg heeft van een substitutie van motieven, maar dat op basis daarvan niet kan worden gezegd dat de overheid een kennelijke beoordelingsfout begaan heeft; dat zulks des te meer geldt daar de procedure voor gedeeltelijke herziening van het gewestplan van Nijvel nooit bedoeld was om een overtreding van de vennootschap te bekrachtigen, dat de rechtspraak van de Raad van State ter zake niet zo duidelijk is als de auditeur laat uitschijnen, en dat, om het begrip "goede plaatselijke aanleg" te beoordelen, eveneens rekening moet worden gehouden met de overgelegde stukken en de adviezen die gegeven zijn tussen 1991 en 1993, bij gebreke waarvan de tussenkomende partij niet het nut kan inzien van een verdeling in twee fasen van de procedure van gedeeltelijke herziening van het gewestplan, zoals deze geregeld werd door het oude artikel 40, §1, tweede en derde lid, van het WWROSP; dat de tussenkomende partij in dat verband verwijst naar de stukken die zij heeft overgelegd tot staving van haar verzoeken tot tussenkomst van 31 juli 2000, alsook naar het advies van de CRAT van 26 februari 1993, waarin deze Commissie terdege de noodzaak gewettigd heeft om zowel nieuwe zandwinningsgebieden tot stand te brengen als die onder te brengen in de buurt van reeds bestaande gebieden; dat de tussenkomende partij, net als de verwerende partij, hieruit besluit dat het middel niet gegrond is en dat hoe dan ook geen beroep gedaan kan worden op artikel 94 van de algemene procedureregeling; Overwegende dat het Vlaams Gewest ter zitting verwijst naar de conclusies van het verslag en dat het van oordeel is dat de verschillende argumenten die door de tussenkomende partij zijn aangevoerd, in feite enkel bedoeld zijn om verwarring te zaaien in de debatten en te voorkomen dat een beroep gedaan zou worden op artikel 94 van de algemene procedureregeling; dat het Gewest tevens betoogt dat men hoe dan ook niet zover mag komen dat de Raad van State zelf, zoals de verwerende partij en de tussenkomende partij hem ertoe verzoeken, in plaats van de bevoegde overheid, het begrip "goede plaatselijke aanleg" zou hebben uit te leggen; V - 1580 - 36/45 Overwegende dat, zoals de Raad van State daar nogmaals op heeft gewezen, onder meer in de arresten-FAVREAU c.s., nrs. 56.158 en 56.159 van 8 november 1995 aangaande de besluiten van de Waalse Regering d.d. 30 oktober 1993 en 19 november 1993 waarbij de gedeeltelijke wijzigingen van kaartblad 39/3 van het gewestplan van Nijvel definitief worden vastgesteld, de decreetgever, toen hij bij het decreet van 6 maart 1985 tot wijziging van de artikelen 2 en 40 van het WWROSP en waarbij een nieuw artikel 40bis ingevoegd wordt, artikel 40 van het WWROSP gewijzigd heeft, wel degelijk de bedoeling had de mogelijkheden om een gewestplan gedeeltelijk te herzien, te beperken; dat daaruit volgt dat de Raad van State dient na te gaan of in casu het juridische begrip "verrichtingen van openbaar belang" in acht is genomen; Overwegende dat, zoals hierboven reeds is gezegd, het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP uitdrukkelijk bepaalt dat ieder besluit van de Waalse Regering, waarmee het "openbaar nut" van werken en constructies wordt erkend, die de gedeeltelijke herziening van een gewestplan, gegrond op het begrip "verrichting van openbaar belang", wettigen, met redenen moet worden omkleed; dat die verplichting tot uitdrukkelijke motivering geïnterpreteerd moet worden als een verplichting die enerzijds de tegenstanders van het project de gelegenheid biedt tijdens het openbaar onderzoek te betwisten dat het aangevoerde "openbaar nut" opgaat, en anderzijds de Waalse Regering de gelegenheid biedt het vereiste van "openbaar nut" naar behoren uitdrukkelijk te motiveren, niet alleen in haar besluit waarin ze verklaart dat een gedeeltelijke herziening van het gewestplan van openbaar nut is, maar ook op zijn laatst, in haar besluit waarbij ze komt tot de definitieve gedeeltelijke herziening van het genoemde plan, zo niet zou het niet langer zin hebben dat de procedure tot gedeeltelijke herziening van het gewestplan in verscheidene fasen verloopt, en zou het meer bepaald geen zin meer hebben gebruik te maken van een procedure van openbaar onderzoek; dat bovendien aan dat vereiste van uitdrukkelijke motivering kan worden voldaan, niet alleen door in de genoemde besluiten uitdrukkelijk de motieven op te geven die het openbaar nut aantonen, maar ook door in diezelfde besluiten te verwijzen naar adviezen die daarover uitgebracht zijn door adviesverlenende instanties; dat in dat geval evenwel vereist is dat de Waalse Regering uitdrukkelijk te kennen geeft dat ze de motieven van de genoemde adviezen wil overnemen, niettegenstaande de verschillende bezwaren die in de loop van de procedure gemaakt zijn omtrent de pertinentie van het oorspronkelijk aangevoerde openbaar nut om het gewestplan gedeeltelijk te herzien; dat, wanneer die bezwaren de deugdelijkheid van de motieven die in V - 1580 - 37/45 aanmerking zijn genomen om het "openbaar nut" van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan te wettigen, uitdrukkelijk ter discussie stellen, het uitdrukkelijke vereiste van motivering inhoudt dat, indien aan die bezwaren geen gevolg wordt gegeven, ook al lijken ze duidelijk en steekhoudend, de indieners ervan ofwel in de besluiten zelf, ofwel in de adviezen waarnaar verwezen wordt in die besluiten, de relevante motieven moeten kunnen vinden waarom hun bezwaren afgewezen zijn; Overwegende dat in het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 oktober 1991, nadat aandacht is geschonken aan de huidige staat van exploitatie van de zandgroeve gelegen op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael", en erop gewezen is dat de terreinen gelegen in het verlengde van deze zandwinning een groeve met zand van goede kwaliteit omvatten, vergelijkbaar met die welke thans wordt geëxploiteerd, verwezen wordt naar de economische en sociale noodzaak om de exploitatie van deze zandgroeve voort te zetten, en verklaard wordt dat "(...) de voorgenomen activiteiten, vanwege de economische en sociale redenen die hierboven zijn aangehaald, van algemeen nut zijn; dat, zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt in zijn eerder genoemde arresten-FAVREAU, zulk een motivering, waarbij alleen de persoonlijke belangen van de exploitant van een zandgroeve uitdrukkelijk in aanmerking worden genomen, om deze in staat te stellen de exploitatie daarvan voort te zetten waar deze reeds plaatsvindt, voorbijgaat aan het juridische begrip "openbaar nut" van de "werken en constructies" die bestempeld kunnen worden als "verrichting van openbaar belang" in de zin van het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP; dat uit zulk een motivering immers geenszins blijkt dat het begrip "openbaar nut" daadwerkelijk zou zijn onderzocht in het licht van de algemene opzet van het gewestplan van Nijvel; dat een verrichting in dat opzicht niet van openbaar nut geacht kan worden om de enkele reden dat ze voor de economie en de werkgelegenheid gunstige gevolgen kan hebben; dat het "openbaar nut" in de regel weliswaar onder meer gebaseerd mag zijn op economische overwegingen, voorzover deze ter zake dienend zijn, maar zulks niet wegneemt dat dat begrip zowel in het licht van de economische noden van de hele sector als in het licht van de algemene opzet van het gewestplan, onder meer uit het oogpunt van het begrip "goede plaatselijke aanleg", beoordeeld moet worden; dat in casu echter niet wordt aangevoerd, laat staan bewezen, dat de bevoorrading van de streek met zand van goede kwaliteit alleen gewaarborgd kon worden door de uitbreiding van de huidige zandwinning, noch dat het uit het oogpunt van de goede plaatselijke aanleg, gezien in het licht van het criterium "openbaar nut" en van het gewestplan in zijn geheel, gewettigd was dat op de betrokken plaats een landschappelijk waardevol agrarisch gebied vervangen zou worden door een V - 1580 - 38/45 ontginningsgebied en een ontginningsuitbreidingsgebied op kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel; Overwegende dat het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 tot voorlopige vaststelling van de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel geen uitdrukkelijke motivering bevat van het "openbaar nut" van de in gang gezette procedure; Overwegende dat het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993, waarbij de gedeeltelijke wijziging van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel definitief wordt vastgesteld, evenmin een uitdrukkelijke motivering bevat van het "openbaar nut" waarmee die herziening kan worden gewettigd; dat de verwijzing naar het genoemde besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 oktober 1991 die leemte niet kan verhelpen, aangezien het genoemde besluit zelf geen afdoende uitdrukkelijke motivering bevat; Overwegende dat in datzelfde besluit van de Waalse Regering d.d. 30 oktober 1993 eerst melding wordt gemaakt, zonder meer, van zowel de bezwaren en opmerkingen gemaakt in het kader van het openbaar onderzoek, als van het advies van de gemeenteraad van de gemeente Kasteelbrakel van 3 juni 1992, en vervolgens louter verwezen wordt naar het advies van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant van 2 juli 1992, en daarenboven naar het advies uitgebracht door de CRAT op 26 februari 1993; Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant in haar gunstige advies zich ermee vergenoegt erop te wijzen dat "(...) met de voorgestelde wijziging economische activiteiten van algemeen nut kunnen worden voortgezet"; dat de verwijzing naar zulk een advies kennelijk niet beschouwd kan worden als een voldoende en afdoende uitdrukkelijke motivering in de zin van het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP; Overwegende dat de CRAT, na enerzijds te hebben opgemerkt dat het ontginningsgebied en het ontginningsuitbreidingsgebied weergegeven op het gewestplan van Nijvel, dat goedgekeurd is bij het koninklijk besluit van 1 december 1981, slechts goed waren voor een voortzetting van de activiteiten van de bestaande zandwinningen gedurende ongeveer tien jaar, en anderzijds dat artikel 3 van dat besluit, dat ertoe strekte de exploitatie van zandgroeven mogelijk te maken in agrarisch en bosgebied, onwettig is verklaard door de Raad van State, er in V - 1580 - 39/45 de algemene overwegingen van haar advies d.d. 26 februari 2003, die voor de drie gebieden samen gelden, namelijk de plaatsen genaamd "Boukendael", "Alconval" en "Tout-lui-Faut", uitdrukkelijk op wijst dat "(...) Het voortzetten van de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Campagne de Boukendael" te Kasteelbrakel en op de plaats genaamd "Alconval" te Eigenbrakel (...) en het verlenen van de vergunning voor de exploitatie van de zandgroeve op de plaats genaamd "Tout-lui-Faut" beantwoorden aan economische en sociale eisen en (...) derhalve van algemeen nut (zijn), zoals gesteld wordt in de besluiten van de Waalse Gewestexecutieve van 7 mei en 31 oktober 1991"; dat met zulk een overweging echter evenmin de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel gewettigd kan worden, aangezien deze opnieuw steunt op het axioma dat een verrichting van algemeen nut zou zijn zodra ze tegemoetkomt aan economische en sociale noden; Overwegende dat de CRAT voorts stelt dat, hoewel het beoogde ontginningsgebied en het beoogde ontginningsuitbreidingsgebied volgens het gewestplan in een landschappelijk waardevol gebied gelegen zijn, "het vanuit een economisch standpunt niettemin verkieslijk (
- is)om de activiteit voort te zetten op de plaats waar zij thans plaatsheeft, veeleer dan deze te verplaatsen, waardoor noodzakelijkerwijs naar een soortgelijke zandgroeve zal moeten worden gezocht en dus een reeks proefboringen zal moeten worden uitgevoerd waarbij het terrein op systematische wijze zal worden ontsloten. Bovendien behoren dan verschillende stalen te worden geanalyseerd en nieuwe terreinen te worden aangekocht, dient het gewestplan te worden gewijzigd en moeten de installaties worden verplaatst. (...) Dat beantwoordt eveneens aan hetgeen wordt voorgeschreven door artikel 1 van het WWROSP, waarin een spaarzaam omgaan met de grond wordt voorgestaan"; dat, gezien de talrijke bezwaren die de tegenstanders van het project hebben gemaakt in het kader van het openbaar onderzoek, alsook het bijzonder negatieve advies van de gemeenteraad van Kasteelbrakel van 3 juni 1992, zulke aanvullende overwegingen kennelijk evenmin kunnen wettigen dat de gedeeltelijke herziening van het gewestplan van "openbaar nut" zou zijn; dat er in dat verband wederom op gewezen dient te worden dat de gemeenteraad van Kasteelbrakel, na te hebben benadrukt dat met de voorgenomen gedeeltelijke herziening van het gewestplan de bestaande zandwinning slechts gedurende enkele jaren zou kunnen worden voortgezet, in het algemeen het onsamenhangende beleid inzake de ontginning van de ondergrond in Waals-Brabant heeft gelaakt en het ontbreken in dat verband van een algemene studie inzake de hulpbronnen en de noden, die rekening houdt met de problematiek van de nieuwe bestemming van de groeven na de exploitatie ervan, alsook, V - 1580 - 40/45 specifieker, met het volstrekt uitzonderlijke karakter van het betrokken gebied als landschappelijk waardevol agrarisch gebied en de omstandigheid dat de bevolking van Kasteelbrakel reeds een (
- te)zware prijs had betaald voor de zandwinningsactiviteiten en het storten van afval dat daarvan het gevolg is; dat de gemeenteraad voorts heeft gesteld dat "(...) in die omstandigheden het economische en sociale belang dat de uitbreiding van de bestaande groeve wettigt, miniem is, omdat het landschap voor vele jaren verknoeid zou worden, en vele risico's op verontreiniging zouden ontstaan wanneer de plaats later wordt opgehoogd"; dat, ten aanzien van die bezwaren, de algemene overwegingen van de CRAT des te zwakker lijken uit het oogpunt van het begrip openbaar nut vereist in het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP, daar die commissie, nog altijd in haar advies van 26 februari 1993, stelt dat ze, aangaande de mogelijke inconsistentie die bestaat in het werken met gedeeltelijk gewijzigde gewestplannen, er zelf herhaaldelijk op aangedrongen heeft dat twee of drie van de oudste gewestplannen volledig herzien zouden worden"; dat, aangezien in die context louter verwezen wordt naar het advies van de CRAT, er kennelijk evenmin van uit kan worden gegaan dat de verplichting tot uitdrukkelijke motivering van het begrip "openbaar nut" in de zin van het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP, afdoende vervuld is; dat dat ook geldt voor de precisering aangebracht door de Waalse Regering, waarmee ze ingaat op een suggestie van de CRAT in dat verband, namelijk dat haar besluit "(...) geen enkel recht, ongeacht hetwelk, met zich meebrengt op de exploitatie van een stortplaats"; dat bovendien, om na te gaan of het vereiste van uitdrukkelijke motivering vervuld is, geen rekening hoeft te worden gehouden met stukken of adviezen die na het genoemde besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 tot stand zijn gekomen; Overwegende dat de overige motieven die worden aangevoerd om aan te tonen dat de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel van "openbaar nut" is, inzonderheid die welke door de tussenkomende partij in de loop van de procedure bij de Raad van State naar voren zijn gebracht, kennelijk evenmin in aanmerking kunnen worden genomen; dat die motieven, vermits ze niet uitdrukkelijk zijn aangevoerd door de Waalse Regering ter adstructie van haar verscheidene besluiten of niet uitdrukkelijk vermeld zijn in de adviezen waarnaar in die besluiten verwezen wordt, in de eerste plaats de ontstentenis van uitdrukkelijke motivering, voorgeschreven bij het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP niet kunnen goedmaken; dat in ieder geval evenmin uit de administratieve dossiers die door de verwerende partij ingediend zijn, blijkt dat die argumenten, ten minste in hun geheel, naar behoren tijdig ter kennis van de overheid V - 1580 - 41/45 zijn gebracht, laat staan dat ze daadwerkelijk door deze in aanmerking zouden zijn genomen toen ze haar besluiten heeft uitgevaardigd; dat bovendien de Raad van State zulke argumenten in zijn voormelde arresten-FAVREAU niet als ter zake dienend heeft beschouwd, terwijl ze daar nochtans uitdrukkelijk naar voren waren gebracht door de verwerende partij; dat er evenmin grond is om de verschillende stukken in aanmerking te nemen die de tussenkomende partij ter adstructie van haar beweringen heeft ingediend; dat die stukken, onder voorbehoud van de nota van FEDIEX d.d. 15 juni 1993, immers niet bij de administratieve dossiers zijn gevoegd die door de verwerende partij zijn ingediend, terwijl laatstgenoemde partij op de terechtzitting bevestigt dat de genoemde dossiers volledig zijn en de stukken bevatten waarop ze zich heeft gebaseerd om haar besluiten uit te vaardigen; dat in ieder geval nergens uitdrukkelijk verwezen wordt naar één van die stukken, noch in de uitdrukkelijke motivering van de genoemde besluiten van 31 oktober 1991, 14 november 1991 en 30 oktober 1993, noch in de adviezen waarnaar in die besluiten wordt verwezen; Overwegende dat de vraag of in casu de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel al dan niet werkelijk tot doel had regularisatie van een onwettige toestand, namelijk zandwinning in een gebied waar zulks niet is toegestaan, mogelijk te maken, overbodig lijkt; dat immers vaststaat dat, zelfs los van die vraag, de uitdrukkelijke motivering aangevoerd ter adstructie van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan onvoldoende is; dat bovendien uit de administratieve dossiers die door de verwerende partij zijn ingediend niet blijkt dat die kwestie van de regularisering van een feitelijke toestand tijdens de procedure uitdrukkelijk ter sprake is gebracht, zij het door de Waalse Regering, de tegenstanders van het project tot gedeeltelijke herziening van het gewestplan, of de gemeenteraad van Kasteelbrakel in zijn negatieve advies van 3 juni 1992; dat die kwestie overigens evenmin uitdrukkelijk door de Raad van State is onderzocht in zijn genoemde arresten-FAVREAU; Overwegende, ten slotte, dat in een interne nota van het overheidsbestuur die op 5 maart 1999 is opgemaakt ten behoeve van de Waalse Regering, uitdrukkelijk erkend is dat het dossier betreffende het terrein "Boukendael" "(...) in alle opzichten identiek is aan de dossiers betreffende de terreinen "Alconval" en "Tout-lui-Faut"; dat daaruit volgt dat er, nog los van de bovengenoemde overwegingen, kennelijk geen grond is om over de wettigheid van de procedures tot gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 enerzijds, en kaartblad V - 1580 - 42/45 39/3 van het gewestplan van Nijvel anderzijds in een verschillende zin een uitspraak te doen; Overwegende dat met het besluit van de Waalse Regering van 30 oktober 1993 tot definitieve vaststelling van de gedeeltelijke herziening van kaartblad 39/2 van het gewestplan van Nijvel op zijn minst de verplichting tot afdoende uitdrukkelijke motivering, opgelegd bij het vroegere artikel 40, § 1, derde lid, 2/, van het WWROSP, kennelijk niet is nagekomen, en daardoor duidelijk is voorbijgegaan aan het juridische begrip "verrichting van openbaar belang" in de zin van die bepaling; dat de Raad van State krachtens artikel 159 van de Grondwet bijgevolg moet weigeren dat besluit toe te passen; dat daaruit volgt dat de winningsvergunning die op 17 juni 1999 is verleend aan de NV Les Sablières de Wauthier-Braine, nietig moet worden verklaard, omdat de enige rechtsgrond ervan in dat besluit van 30 oktober 1993 ligt, dat onwettig is verklaard, en ze voor het overige niet toegekend mocht worden gezien enerzijds de bepalingen van het gewestplan van Nijvel, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 1 december 1981, waarbij het betrokken gebied ingedeeld wordt bij een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en anderzijds de vroegere artikelen 176 en 180 van het WWROSP, betreffende de bestemming van zulk een gebied; Overwegende dat bijgevolg kennelijk gegrond is het middel aangevoerd door de verzoekende partijen en ontleend aan schending van het vroegere artikel 40 van het WWROSP, van het nieuwe artikel 32 van het WWROSP, overtreding van de voorschriften van het gewestplan van Nijvel, schending van het beginsel van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en van het beginsel van de uitdrukkelijke en materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook aan dwaling omtrent de motieven van de handeling en aan machtsoverschrijding, dat alles in samenhang met artikel 159 van de Grondwet; dat het bijgevolg geen belang heeft de overige middelen van de beroepen te onderzoeken, aangezien deze geen aanleiding kunnen geven tot een ruimere nietigverklaring, V - 1580 - 43/45 BESLUIT: Artikel 1. De zaken ingeschreven onder de nummers A.86.199/V-1580, A.86.344/V-1566, A.86.366/V-1581 en A.86.546/V-1582 worden samengevoegd. Artikel 2. De door de NV Les Sablières de Wauthier-Braine ingediende verzoeken om als tussenkomende partij te mogen optreden in de zaken A.86.199/V-1580, A.86.366/V-1581 en A.86.546/V-1582 worden ingewilligd. Artikel 3. Vernietigd wordt het besluit van de Waalse Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van 17 juni 1999 waarbij het beroep wordt ingewilligd dat door de NV Les Sablières de Wauthier-Braine is ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kasteelbrakel d.d. 9 augustus 1995 en waarbij de gevraagde winningsvergunning wordt toegekend voor een periode van twintig jaar voor de uitbreiding van de exploitatie van een zandgroeve op de plaats genaamd "Boukendael" op het grondgebied van de gemeente Kasteelbrakel. Artikel 4. Er is geen grond meer om uitspraak te doen over de vorderingen tot schorsing in de zaken A.86.199/V-1580, A.86.366/V-1581 en A. 86.546/V-1582. Artikel 5. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1214,71 euro, komen ten laste van het Waals Gewest. V - 1580 - 44/45 De kosten van de verzoeken tot tussenkomst, ingediend door de NV Les Sablières de Wauthier-Braine, bepaald op 495,80 euro, komen ten laste van haar. Aldus te Brussel uitgesproken, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op eenentwintig december tweeduizend en vier, door : de HH. R. ANDERSEN, voorzitter van de Raad van State, J. BAERT, staatsraad, J. JAUMOTTE, staatsraad, Mevr. M. -Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1580 - 45/45 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div