← België

Arrest 138805 - - 22/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§ 3

D.R.O.)" en van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbegin- sel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoeren dat de oorspronkelijke verkavelingsvergunning van 11 april 1978 onder meer afzonderlijke garages met een plat dak voorzag, dat de aanvraag tot wijziging van de verkavelings- vergunning ertoe strekte de loten 1 en 2 samen te voegen met de bedoeling daarop X-11.956-3/8 een ruime eengezinswoning te bouwen met bepaalde bouwvrije stroken en met behoud van de overige oorspronkelijke verkavelingsvoorschriften, dat de eerste bestreden beslissing enkel een vergunning geeft voor de maximum bebouwbare oppervlakte, beperkt tot 250 m², doch stelt dat de overige voorschriften van toepassing blijven, dat geen andere wijzigingen aan de verkavelingsvergunning van 11 april 1978 zijn vergund, dat de voorwaarde van een plat dak voor afzonderlijke garages derhalve behouden blijft, dat derhalve geen rechtsgeldige vergunning voor een afzonderlijke garage met hellend dak kan worden gegeven, dat de tweede bestreden beslissing in strijd is met de verkavelingsvoorschriften zoals vastgelegd in de vergunning van 11 april 1978 en niet gewijzigd door de eerste bestreden beslissing en dat de tweede bestreden beslissing om die reden moet worden geschorst; 3.2.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota in essentie antwoordt dat de verzoekende partijen nalaten aan te duiden om welke redenen artikel 105, §

§ 3

van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) en de aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn, dat het middel wat dat betreft niet ontvankelijk is, dat de verzoekende partijen voorbijgaan aan de werkelijke inhoud van de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning van 11 april 1978, waarin uitdrukkelijk sprake is van de "dakhelling tot 45/ voor de bijgebouwen (max. 40 m²)" en die dus ook op het dak van de bijgebouwen betrekking had, dat de verzoekende partijen bericht hebben gekregen van de mogelijkheid tot inzage van het dossier en er derhalve kennis van hadden of konden nemen, dat het advies van de gemachtigde ambtenaar van 22 augustus 2003 ook betrekking had op de dakhelling van de bijgebouwen, dat de voorwaarden van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning van 11 april 1978 derhalve niet ongewijzigd zijn gebleven, dat de tweede bestreden beslissing niet in strijd is met de eerste bestreden beslissing tot wijziging van de verkavelingsvoorwaarden en dat uit het tweede middel blijkt dat niet de aanvragers, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem of de gemachtigde ambtenaar, maar wel de verzoekende partijen zich hebben vergist over het juiste voorwerp van de aanvraag tot verkavelingswijziging; 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partijen in essentie hetzelfde standpunt als de tweede verwerende partij innemen en eraan toevoegen dat artikel 105, §

§ 3van het D.R.O.

niet geschonden kan zijn, nu daarin slechts wordt voorzien dat de vergunningverlenende overheid voorwaarden kan opleggen in het kader van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelings- X-11.956-4/8 vergunning en dat de Vlaamse regering nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de inhoud van deze lasten en voorwaarden; 3.2.

  1. Overwegende dat de aanvraag tot wijziging van de verkavelings- vergunning van 11 april 1978, ingediend op 2 april 2003, wel degelijk betrekking had op de dakhelling van de garage, vermits zij uitdrukkelijk vermeldt : "Verkavelingswijziging : - samenvoegen van de bouwloten 1 &
  2. - dakhelling tot 45/ voor de bijgebouwen (max 40 m²)"; Overwegende dat in het advies van de gemachtigde ambtenaar bij die aanvraag van 22 augustus 2003 uitdrukkelijk wordt overwogen "dat eveneens een wijziging wordt gevraagd voor de dakhelling van het bijgebouw (max. 45/) teneinde een dakhelling te voorzien i.p.v. de voorzien(e) platte bedaking"; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem dit advies in de bestreden beslissing citeert en overweegt dat het er zich bij aansluit; dat prima facie moet worden aangenomen dat met de eerste bestreden beslissing wel degelijk een wijziging van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning wordt vergund waarmee een dakhelling tot 45/ voor de bijgebouwen wordt toegelaten; dat het middel wat dat betreft prima facie feitelijke grondslag mist; dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten op welke wijze de aangehaalde bepalingen en beginselen anders geschonden zouden zijn; dat het eerste middel niet ernstig is; 3.3.
  3. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van "de wet", van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten en van de artikelen 1,

3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij in essentie aanvoeren dat er op zijn minst onduidelijkheid bestaat over het voorwerp van de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning van 11 april 1978, dat het voorwerp volgens de aanvraag zelf, het bericht tot kennisgeving van de aanvraag, de brief van de gemeente Lovendegem van 5 juni 2003 en de eerste bestreden beslissing zelf slechts bestond uit de samenvoeging van de loten 1 en 2, dat het voorwerp volgens het advies van de gemachtigde ambtenaar echter ook een dakhelling tot 45/ voor het bijgebouw bevatte en dat slechts vergund is wat in de eerste bestreden beslissing is terug te vinden, met name dat de twee loten mogen worden sameng- evoegd doch dat de andere verkavelingsvoorwaarden behouden blijven; X-11.956-5/8 3.3.

  1. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota in essentie antwoordt dat de verzoekende partijen niet aanduiden welke substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zouden zijn miskend, dat het middel in die mate niet ontvankelijk is, dat niet enkel uit het advies van de gemachtigde ambtenaar maar ook uit de beschrijvende nota blijkt dat de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning betrekking heeft op twee aspecten, namelijk de samenvoeging van de twee bouwloten en het voorzien van een dakhelling tot 45/ voor de bijgebouwen, dat het voorwerp van de aanvraag reeds blijkt uit de bespreking van het eerste middel, dat de inzage van het dossier daaromtrent geen enkele ruimte voor twijfel laat, dat de eerste bestreden beslissing de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning volledig heeft ingewilligd, zich aansluitend bij het advies van de gemachtigde ambtenaar, dat daarin ten titel van volledigheid wordt aangegeven dat alle andere verkavelingsvoorschriften, die geen deel van de wijzigingsaanvraag uitmaken, van toepassing blijven en dat het tweede middel derhalve niet ontvankelijk, minstens niet ernstig is; 3.3.
  2. Overwegende dat de tussenkomende partijen in essentie hetzelfde standpunt als de tweede verwerende partij innemen en eraan toevoegen dat niet valt in te zien waar een gebrek aan motivering zou zijn, dat de bestreden beslissingen afdoende gemotiveerd zijn daar de beweegredenen voor het verlenen van de vergunningen op een afdoende en draagkrachtige wijze zijn uiteengezet en dat de verzoekende partijen niet verduidelijken op welk zich in voorkomend geval een verdergaande motivering zou hebben opgedrongen; 3.3.
  3. Overwegende dat naar luid van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen de opgelegde motivering "afdoende" moet zijn; dat dit concreet betekent dat de opgegeven redenen het bestreden besluit moeten kunnen dragen; dat aan de door voornoemde wetsbepaling voorgeschreven motiveringsplicht is voldaan, wanneer de stedenbouw- kundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen; dat het middel betrekking X-11.956-6/8 heeft op de eerste bestreden beslissing; dat in casu de gronden waarop die beslissing is gesteund er prima facie op eenvoudige wijze in kunnen worden gelezen doordat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lovendegem zich aansluit bij het advies van de gemachtigde ambtenaar, dat in de bestreden beslissing is weergegeven; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat het voorwerp van de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning niet enkel op de samenvoeging van de twee loten doch ook op de dakhelling van de bijgebouwen betrekking had; dat het middel niet ernstig is in zoverre het betrekking heeft op de voorgehouden schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht; dat de verzoekende partijen niet aangeven welke substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zouden zijn geschonden; 3.
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen derhalve geen ernstig middel aanvoeren in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. Het verzoek tot tussenkomst van Arsène VAN LIMBERGEN en Maryline MATHYS in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  6. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  7. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig december 2004, door : X-11.956-7/8 de HH.. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. C. ADAMS. X-11.956-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.805 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.