← België

Arrest 138828 - - 23/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.828 Rolnummer: A. 155643/VII-32760 Zaak: Arrest 138828 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-29 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 17:11 Fiche Arrest nr 138.828 van 23 december 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.828 van 23 december 2004 in de zaak A. 155.643/VII-32.

  1. In zake : de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. SPE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. FAURE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad BRUGGE op 15 september 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelings- samenwerking van 16 juli 2004 waarbij het beroep dat de n.v. SPE had ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 4 maart 2004 houdende de weigering van de milieuvergunning om een windturbinepark, gelegen te 8380 Zeebrugge, Westerdam z/n, te exploiteren, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-32.760-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GOETHALS die, loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat P. LOUAGE die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. CRAUWELS die, loco Advocaat M. FAURE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat met een verzoekschrift van 5 oktober 2004 de n.v. SPE als begunstigde van de bestreden beslissing heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  5. Op 5 november 2003 heeft de n.v. SPE, huidige tussenkomende partij, bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een aanvraag ingediend om een windmolenpark te exploiteren gelegen te Zeebrugge, Westerdam z/n, omvattende 7 windturbines van 2 MW en 7 transformatoren van elk 2.100 kVa. Deze aanvraag kadert in een globaal project van 14 windturbines, waarvan de overige 7 windturbines zich bevinden voorbij de laagwaterlijn waarvoor de Belgische Staat bevoegd is. Met betrekking tot deze turbines heeft de tussenkomende partij een vergunningsaanvraag ingediend, aanvraag die geweigerd werd bij besluit van de federale Vice-Eerste Minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven van 14 juni
  6. De tussenkomende partij heeft tegen deze VII-32.760-2/10 beslissing een verzoek tot schorsing en vernietiging ingediend. De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest nr. 137.954 van 2 december
  7. 2.
  8. Op 4 maart 2004 beslist de bestendige deputatie de in het geding zijnde vergunning te weigeren. 2.
  9. Tegen deze beslissing tekent de tussenkomende partij op 8 april 2004 beroep aan bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu . Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen ingewonnen : - de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie op 13 mei 2004 : gunstig op grond van de overweging dat de locatie windtechnisch uitermate geschikt is en dat het project leidt tot een aanzienlijke toename van het reeds te land opgesteld vermogen; - de afdeling Natuur - cel Kustzonebeheer op 17 mei 2004 : ongunstig in essentie omdat de plaatsing een significant negatieve impact kan hebben op de vogelpo- pulatie waaronder een aantal vogelsoorten die in bijlage I van de Vogelrichtlijn als beschermd zijn opgenomen; - de cel Monumenten en Landschappen deelt op 24 mei 2004 mee dat de gevraagde inrichting niet gelegen is binnen een beschermd landschap, noch dat het een beschermd monument, stads- of dorpsgezicht betreft; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 3 juni 2004 : voorwaardelijk gunstig; uit dat advies blijkt onder meer dat de turbines 1, 3, 5 en 7 gelegen zijn in een gebied voor milieubelastende industrie volgens het gewestplan, en dat de turbines 2, 4 en 6 buiten de contouren van dit gewestplan vallen en in zee komen te liggen; omwille van het reeds sterk geïndustrialiseerd karakter van de site wordt deze als bijzonder geschikt beschouwd; de conclusie van het advies luidt als volgt : "De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen geeft bijgevolg een gunstig advies voor de voorliggende aanvraag, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat voor het gevraagde inzake de problematiek betreffende de Europese vogelrichtlijngebieden en het decreet Natuurbehoud inzake de broedende sternen en de trekvogels langsheen de kust een oplossing kan worden geboden, bijvoorbeeld door het opleggen van voorwaarden, reduceren van de turbinehoogte en/of schrappen van één of meerdere turbines. Dit lijkt immers de enige piste om op die plaats turbines te realiseren ten ware men bij overheids- beslissing het algemeen belang van de energie-opwekking (veel) hoger plaatst dan die vanuit het natuurbehoudsdecreet (én Europa)."; - het Instituut voor Natuurbehoud op 18 juni 2004 : ongunstig met de volgende conclusie : VII-32.760-3/10 "Uit het voorgaande kunnen wij enkel besluiten dat in toepassing van de Vlaamse en internationale richtlijnen en wetgeving, elke nieuwe inplanting van bijkomende windturbines in de voorhaven van Zeebrugge ongunstig moet geadviseerd worden. In de eerste plaats dienen alternatieve locaties onderzocht te worden"; - de afdeling Milieuvergunningen op 16 juni 2004 : deels gunstig, met name voor de twee meest noordelijk en zeewaarts gelegen turbines, in essentie omdat het plaatsen van de 7 turbines een te grote impact zou hebben op de avifauna; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 21 juni 2004 : volgt het advies van de afdeling Milieuvergunningen. 2.
  10. Op 13 juli 2004 bezorgt de tussenkomende partij aan de afdeling Milieuvergunningen nog een aanvullende nota bij het MER betreffende de recente evoluties in de problematiek van de avifauna, opgesteld door erkend MER- deskundige Mia JANSSEN. Haar conclusie is dat door de verschuiving van de broedgebieden van de westelijke dam naar de oostelijke dam -waar een sterneneiland is aangelegd- het aantal vliegbewegingen, en bijgevolg ook het aantal aanvaringen zal afnemen, zodat de plaatsing van de 7 windturbines geen significante impact zal hebben op de beschermde sternenpopulaties die aanwezig zijn in de Zeebrugse voorhaven. 2.
  11. Op 16 juli 2004 besluit de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu het beroep van de tussenkomende partij gegrond te verklaren en vergunning te verlenen voor de plaatsing van 7 windturbines. Dit is de bestreden beslissing;
  12. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  13. Overwegende dat, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoekende partij in haar verzoekschrift de volgende uiteenzetting geeft : "De verzoekende partij ondergaat een nadeel dat ernstig is en moeilijk te herstellen. VII-32.760-4/10 Uit de stukken die zij aan het dossier toevoegt blijkt dat, wat men er ook moge over beweren, ongevallen met windturbines verre van louter theoretisch zijn. Uit die internetdocumentatie blijkt dat zich in Duitsland en Nederland in enkele maanden tijd meer dan tien ongevallen met windturbines hebben voorgedaan. Recent wierp een turbine, opgesteld op de oostelijke strekdam, haar drie wieken van 1000-den kg af. Ze kwamen meer dan 100 meter verder terecht (in de nabijheid van de LNG-terminal). Verzoekende partij is als lokale overheid als eerste gelast met de taak de veiligheid op haar grondgebied maximaal te waarborgen, rampen te voorkomen enz. (zie alleen reeds art. 135 van de gemeentewet en de wet van 31 december 1963 op de civiele bescherming). Een bijkomend risico op haar grondgebied van de aard als het bestredene, noodzaakt de verzoekende partij tot grotere waakzaamheid en adekwate interventiemogelijkheid, wat zij enkel kan waarborgen door elders diezelfde taken af te bouwen. Zij wordt bovendien die lasten, die zij in de eerste plaats met eigen middelen en eigen inzet moet keren, buiten haar wil opgelegd. Bovendien heeft de verzoekende partij beslist zich tegen elk windmolenproject op haar grondgebied te verzetten, zolang er geen eenduidiger wetgevend kader daarvoor bestaat. Verdere polluering van haar strandzone kan de verzoekende partij niet meer aanvaarden. De Zeebrugse strandzone is voor de verzoekende partij en haar inwoners de enige kusttroef die zij heeft. Die zone is al klein en is reeds belast door de havenactiviteiten. Als verantwoordelijke voor het algemeen gemeentelijk belang, en mitsdien voor het algemeen welzijn en de veiligheid van haar inwoners, toeristen en recreanten, ondergaat zij door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een persoonlijk nadeel doordat een unieke waardevolle locatie van haar grondgebied wordt gepollueerd en met supplementaire veiligheidsrisico’s wordt bedreigd. Dat dit nadeel ook reflecteert en terugvalt op derden, namelijk de inwoners, toeristen en strandrecreanten, is niet relevant. Van meet af aan heeft Uw Raad aangenomen dat precies het objectief karakter van het beroep bij Uw Raad met zich brengt dat het MTHEN niet uitsluitend de verzoekende partij zelf moet raken (R.v.St., 31 oktober en 4 november 1991, J.L.M.B., 1992, 13 e.v. : het verbod een bepaalde manifestatie te laten doorgaan is niet alleen nadelig voor de naam en faam van de organisator, maar ook, bij weerkaatsing, voor de kunstenaarsgroep zelf en de amateurs ervan; R.v.St., 09 april 1992, J.L.M.B., 1992, 220 e.v. : niet alleen de morele belangen van de VZW die de belangen behartigt van een categorie belastingplichtigen is aan de orde, maar ook het belang van de belastingplichtigen zelf; R.v.St., nr. 75.271, Graulich en Colson, 16 juli 1998: de hinder verbonden aan een kippenkwekerij kan terugvallen op hen die in de omgeving van de verzoeker wonen; R.v.St., nr. 66.742, VZW La Tramontaine, 11 juni 1997: het nadeel van de vereniging die een opvangtehuis voor kinderen exploiteert, reflecteert ook op de kinderen zelf die er verblijven; R.v.St., nr. 67.439, VZW Copain Park, 04 juli 1997: het onmogelijk maken van de activiteit van een vereniging die zich inlaat met begeleiding van jongeren in moeilijkheden, heeft noodzakelijk een terugslag op de jongeren zelf). Nog zeer recent overwoog Uw Raad in het arrest nr. 117.681 dd. 28 maart 2003 : Die nadelen, dat dag na dag worden ondergaan, kunnen door een later komend annulatiearrest niet meer ongedaan gemaakt worden"; VII-32.760-5/10 3.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "
  15. Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, wat erop neerkomt, en wat overigens bevestigd werd in de rechtspraak van Uw Raad, dat een louter beroep tot nietigverklaring niet tot een nuttige oplossing van het geschil kan leiden indien de bestreden rechtshandeling bij de afloop van dit beroep effectief onwettig zou blijken en vernietigd zou dienen te worden.
  16. Voor een schorsing is derhalve de cumulatieve vervulling van vijf voorwaarden vereist : 1/ dat er nadeel berokkend wordt of kan worden, 2/ dat dit nadeel ernstig is, 3/ dat dit nadeel moeilijk te herstellen is, 4/ dat dit nadeel veroorzaakt wordt door de bestreden rechtshandeling en 5 / dat de verzoeker persoonlijk dit nadeel ondervindt.
  17. Verzoekende partij merkt op dat zij als lokale overheid gehouden is de taak van de veiligheid op het grondgebied maximaal te waarborgen. Het bestreden project zou een bijkomend risico uitmaken. Een unieke waardevolle locatie van haar grondgebied zou gepollueerd worden en met supplementaire veiligheidsrisico’s bedreigd. Zij vertegenwoordigt hierbij het algemeen gemeentelijk belang, het algemeen welzijn en de veiligheid van haar inwoners, toeristen en recreanten.
  18. Bij de beoordeling van het ingeroepen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient er rekening te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning. Hieruit volgt dat moet worden aangetoond dat het besluit waarvan de schorsing wordt gevraagd aan de oorsprong ligt van het nadeel.
  19. De verzoekende partij laat na in haar betoog het nadeel voldoende concreet aan te tonen, en in het bijzonder ook nadelige aspecten aan te halen die specifiek verband houden met de exploitatie van de inrichting. De geuite grieven zijn niet gericht tegen de aangevochten toelating, maar wel de bestemmingsvoorschriften die deze werken mogelijk maken. Het ingeroepen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat louter voortvloeit uit een gebeurlijke inplanting van de windmolen op deze plaats, staat dan ook niet in causaal verband met de bestreden milieuvergunning.
  20. Het past te deze te verwijzen naar het auditoraatsverslag dat tussenkwam in het schorsingsberoep tegen de verleende stedenbouwkundige vergunning en waarin werd gesteld : voorhanden is in hoofde van verzoekende partij. In casu wordt door betreffende verzoekende partij enerzijds het vermeende nadeel niet gestaafd door concrete gegevens of overtuigende VII-32.760-6/10 argumenten en anderzijds niet aannemelijk gemaakt in welke mate zij zelf dit nadeel zal ondergaan. Waar betreffende verzoekende partij stelt dat haar nadeel moreel van aard is, volstaat de vaststelling dat, mocht dit nadeel al ernstig zijn, niet blijkt waarom dit niet zou kunnen worden goedgemaakt door de mogelijke morele voldoening welke een in voorkomend geval tussen te komen annulatiearrest teweegbrengt. Het is evenwel ondenkbaar dat openbare besturen zich gekrenkt of benadeeld voelen wegens een beslissing genomen door een andere overheid op het vlak van, zoals in casu het geval is, de stedenbouw. In voorliggende geval gaat het om een stad die zich wenst te verzetten tegen een bouwvergunning afgeleverd door een ander bestuur. Dat tegen dergelijke beslissing het bestuur een procedure bij de Raad van State kan aanhangig maken wordt niet betwist. Vraag is echter of een stad/gemeente kan beweren een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden door de tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing, om aldus de schorsing ervan te bekomen. (R.v.St., gemeente Meise, nr. 38.267, 5 december 1991) Dat een vergunning in strijd zou zijn afgegeven met het gemeentelijk stedenbouwkundig beleid de autoriteit van een gemeente zou kunnen ondermijnen, werd nog in andere arresten niet aanvaard als ernstig nadeel. R.v.St., gemeente Houthalen-Helchteren, nr.39.269, 30 april
  21. De Raad van State stelt dan ook als principe duidelijk voorop In casu voert de stad Brugge niet aan dat de geciteerde wetsbepalingen haar als gemeentebestuur niet de nodige en doeltreffende rechtsmiddelen bieden om, in de hypothese dat een bouwvergunning wordt vernietigd, het herstel van de plaats in de vorige staat te verkrijgen. Bovendien dient erop te worden gewezen dat niet a priori kan worden gesteld dat het voor een openbaar bestuur een ernstig nadeel uitmaakt om tot de gedwongen uitvoering van een vonnis te moeten beslissen of over te gaan'. Hetzelfde kan, mutatis mutandis, worden gesteld met betrekking tot het afleveren van een milieuvergunning door een ander bestuur. Dat verzoekende partij meent dat het windmolenpark in het desbetreffend gebied niet thuis hoort, kan in haar hoofde geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel opleveren.
  22. Bovendien zet verzoekende partij niet uiteen waarom het bestreden besluit een bijkomend risico op haar grondgebied betekent. Het desbetreffend gebied maakt een onderdeel uit van een grootschalig industriegebied in ontwikkeling. Uit het administratief dossier blijkt dat het windmolenpark zich situeert in een gebied voor milieubelastende industrie. Het gebied is bijgevolg in het bijzonder voor dergelijke werken bestemd. Het betreft aldus een zone-eigen project. Verzoekende partij concretiseert niet in welke zin het gebied een unieke waardevolle locatie van haar grondgebied uitmaakt, en in welke zin het bestreden besluit daaraan afbreuk doet. Immers, blijkt uit het bestreden besluit, meer bepaald uit een aanvullende nota van 6 juli 2004 opgemaakt door de erkende MER- deskundige fauna en flora mevrouw Mia Janssen dat er geen significante effecten te verwachten vallen op de sternenpopulatie door het windmolen- project op de westelijke dam. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat de invloed van het windmolenpark op de vogelpopulatie eveneens beperkt blijft. VII-32.760-7/10 Het MER stelt duidelijk dat het veiligheidsriscico van het geplande project minimaal is. In de nota van 2 april 2004 van de heer Luc Vangeenberghe -erkend deskundige externe veiligheid risico's voor zware ongevallen- , wordt gesteld dat het windmolenpark geen significante risico’s zal meebrengen. Hij stelt in zijn nota dat het 10-6 -criterium is gebaseerd op een permanente blootstelling aan het risico van een referentie-individu, namelijk 10 tot 14-jarige en dat de natuurlijke sterftekans van dit referen- tieindividi van 10-4/jr. bedraagt daarbij als achtergrondwaarde geldt voor het risico en als niet significant wordt aanzien een risico dat 10 maal lager is dan deze achtergrondwaarde. De permanente blootstelling aan het risico in onderhavig dossier is volgens de deskundige in het geheel niet aan de orde en het 10-6 -criterium is niet toepasselijk. Bijgevolg, ziet verwerende partij niet in in welke zin het grondgebied van verzoekende partij met bijkomende veiligheidsrisico’s wordt bedreigd. Verzoekende partij laat na deze bijkomende risico's in haar verzoekschrift concreet aan te tonen. Het betreft in deze aldus een louter hypothetisch nadeel.
  23. Minstens dient te dezen te worden vastgesteld dat na belangenafweging, het nadeel van verzoekende partijen bestaande uit hoofdzakelijk beweerde verdere polluering van haar strandzone niet opweegt tegen het nadeel voor het algemeen belang, met name het voorzien in een duurzame energie en de voordelen van windenergie; Aan de voorwaarde opdat tot schorsing van de tenuitvoerlegging zou kunnen worden overgegaan is dan ook niet voldaan"; 3.
  24. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst als volgt repliceert : "Artikel 17 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging enkel kan worden bevolen indien niet alleen ernstige middelen worden aangevoerd, bovendien moet de verzoekende partij het bewijs leveren dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Met name komt het aan de verzoekende partij toe om de precieze en concrete omstandigheden aan te duiden omtrent de aard en het omvang van het nadeel. In dit verband argumenteert de verzoekende partij dat zij als lokale overheid een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt omdat zij als lokale overheid de taak heeft de veiligheid op haar grondgebied maximaal te waarborgen. Verder blijkt uit haar uiteenzetting dat zij heeft beslist zich formeel te verzetten tegen elk windmolenproject zolang er geen duidelijk wettelijk kader is (sic!). Tot slot refereert zij naar de zogenaamde visuele hinder die het welzijn van haar inwoners, toeristen en recreanten zou storen. Het dient daarbij in de eerste plaats te worden opgemerkt dat het vermeende en voorgehouden risico op ongevallen miniem is. Het veiligheidsaspect werd trouwens ook gunstig beoordeeld door de MER deskundige. Bovendien is de zone die grenst aan de inplanting van de windmolens reeds ontoegankelijk gemaakt voor baders en zal het terrein worden afgesloten. Het havengebied zelf is reeds ontoegankelijk voor onbevoegden. Verzoekster bewijst derhalve niet dat zij nadeel zou lijden, minstens is het mogelijke nadeel uiterst theoretisch. Evenmin wordt bewezen dat het omschreven nadeel moeilijk te herstellen zou zijn. Wat het visuele aspect betreft wijst verzoekster tot tussenkomst erop dat het windmolenpark wordt ingeplant in het havengebied waar reeds industriële activiteiten worden ontwikkeld en waarvan nu reeds bekend is dat deze VII-32.760-8/10 activiteiten zullen worden uitgebreid. Uit de door verzoekster tot tussenkomst bijgevoegde foto’s blijkt overigens dat de plaatsing van de windmolens op zich niets zullen veranderen aan de ruimtelijke situatie en in het niets vallen tegenover de reeds bestaande toestand en de geplande uitbreiding (stuk 6). Opvallend is trouwens dat in de Omzendbrief EME 2000.01 te lezen valt : De houding van de verzoekende partij kan trouwens kwalijk genoemd worden. Ter gelegenheid van de vergunningsprocedure voor de windmolens op de oostelijke strekdam heeft het College van Burgemeester en Schepenen zelfs gunstig geadviseerd en waren argumenten zoals zij die thans naar voor schuift nergens te bespeuren. Integendeel was het College van Burgemeester en Schepenen van oordeel dat de plaatsing van twee extra windmolens op de oostelijke strekdam geen bijkomende hinder op visueel-esthetisch vlak met zich zou brengen gelet op de afstand tot de woonzone en dat de inpasbaarheid en ruimtelijke draagkracht hierdoor niet in het gedrang zouden komen (stuk 5). Het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel is derhalve niet voorhanden"; 3.
  25. Overwegende dat de verzoekende partij niet aantoont dat het risico op ongevallen met de windturbines en het daaruit voortvloeiend veiligheidsrisico niet beneden een aanvaardbaar risico blijft; dat daarentegen uit het MER en de aanvullen- de nota van de veiligheidsdeskundige blijkt dat het veiligheidsrisico in casu aanvaardbaar is; dat de verzoekende partij wel beweert dat de plaatsing van de windturbines haar ertoe noopt dat zij personeel op andere plaatsen met veiligheidsrisico's dient weg te trekken om het in te zetten bij de windturbines, doch dat zij deze bewering in haar verzoekschrift op geen enkele wijze staaft; dat daarenboven in de eerste plaats de tussenkomende partij, als exploitant van de windturbines, verantwoordelijk is voor de veiligheid en daartoe personeel dient in te zetten; Overwegende dat de betrokken strandzone thans reeds belast is door havenactiviteiten en dat de windturbines zullen worden geplaatst langsheen de westelijke strekdam van de haven, zodat het project geen oppervlakte van de strandzone tussen Zeebrugge en Blankenberge zal inpalmen; dat dan ook niet valt in te zien, en de verzoekende partij niet in concreto aantoont, hoe door de bestreden beslissing een "unieke waardevolle locatie" van het grondgebied van de verzoekende partij wordt "gepollueerd"; dat de beweerde verdere polluering van de strandzone dan ook niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoeken- de partij kan worden aangemerkt; VII-32.760-9/10 3.
  26. Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  27. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. SPE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.760-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.828 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.959 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.