id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.829 Rolnummer: A. 155645/VII-32761 Zaak: Arrest 138829 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-29 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 17:11 Fiche Arrest nr 138.829 van 23 december 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.829 van 23 december 2004 in de zaak A. 155.645/VII-32.
- In zake : Paul PLADIJS, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de n.v. SPE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. FAURE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul PLADIJS op 15 september 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelings- samenwerking van 16 juli 2004 waarbij het beroep dat de n.v. SPE had ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 4 maart 2004 houdende de weigering van de milieuvergunning om een windturbinepark, gelegen te 8380 Zeebrugge, Westerdam z/n, te exploiteren, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-32.761-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GOETHALS die, loco Advocaat A. LUST verschijnt voor verzoeker, van Advocaat P. LOUAGE die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. CRAUWELS die, loco Advocaat M. FAURE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 5 oktober 2004 de n.v. SPE als begunstigde van de bestreden beslissing heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Op 5 november 2003 heeft de n.v. SPE, huidige tussenkomende partij, bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een aanvraag ingediend om een windmolenpark te exploiteren gelegen te Zeebrugge, Westerdam z/n, omvattende 7 windturbines van 2 MW en 7 transformatoren van elk 2.100 kVa. Deze aanvraag kadert in een globaal project van 14 windturbines, waarvan de overige 7 windturbines zich bevinden voorbij de laagwaterlijn waarvoor de Belgische Staat bevoegd is. Met betrekking tot deze turbines heeft de tussenkomende partij een vergunningsaanvraag ingediend, aanvraag die geweigerd werd bij besluit van de federale Vice-Eerste Minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven van 14 juni
- De tussenkomende partij heeft tegen deze VII-32.761-2/10 beslissing een verzoek tot schorsing en vernietiging ingediend. De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest nr. 137.954 van 2 december
- 2.
- Op 4 maart 2004 beslist de bestendige deputatie de in het geding zijnde vergunning te weigeren. 2.
- Tegen deze beslissing tekent de tussenkomende partij op 8 april 2004 beroep aan bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu . Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen ingewonnen : - de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie op 13 mei 2004 : gunstig op grond van de overweging dat de locatie windtechnisch uitermate geschikt is en dat het project leidt tot een aanzienlijke toename van het reeds te land opgesteld vermogen; - de afdeling Natuur - cel Kustzonebeheer op 17 mei 2004 : ongunstig in essentie omdat de plaatsing een significant negatieve impact kan hebben op de vogelpo- pulatie waaronder een aantal vogelsoorten die in bijlage I van de Vogelrichtlijn als beschermd zijn opgenomen; - de cel Monumenten en Landschappen deelt op 24 mei 2004 mee dat de gevraagde inrichting niet gelegen is binnen een beschermd landschap, noch dat het een beschermd monument, stads- of dorpsgezicht betreft; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 3 juni 2004 : voorwaardelijk gunstig; uit dat advies blijkt onder meer dat de turbines 1, 3, 5 en 7 gelegen zijn in een gebied voor milieubelastende industrie volgens het gewestplan, en dat de turbines 2, 4 en 6 buiten de contouren van dit gewestplan vallen en in zee komen te liggen; omwille van het reeds sterk geïndustrialiseerd karakter van de site wordt deze als bijzonder geschikt beschouwd; de conclusie van het advies luidt als volgt : "De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen geeft bijgevolg een gunstig advies voor de voorliggende aanvraag, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat voor het gevraagde inzake de problematiek betreffende de Europese vogelrichtlijngebieden en het decreet Natuurbehoud inzake de broedende sternen en de trekvogels langsheen de kust een oplossing kan worden geboden, bijvoorbeeld door het opleggen van voorwaarden, reduceren van de turbinehoogte en/of schrappen van één of meerdere turbines. Dit lijkt immers de enige piste om op die plaats turbines te realiseren ten ware men bij overheids- beslissing het algemeen belang van de energie-opwekking (veel) hoger plaatst dan die vanuit het natuurbehoudsdecreet (én Europa)"; - het Instituut voor Natuurbehoud op 18 juni 2004 : ongunstig met de volgende conclusie : VII-32.761-3/10 "Uit het voorgaande kunnen wij enkel besluiten dat in toepassing van de Vlaamse en internationale richtlijnen en wetgeving, elke nieuwe inplanting van bijkomende windturbines in de voorhaven van Zeebrugge ongunstig moet geadviseerd worden. In de eerste plaats dienen alternatieve locaties onderzocht te worden"; - de afdeling Milieuvergunningen op 16 juni 2004 : deels gunstig, met name voor de twee meest noordelijk en zeewaarts gelegen turbines, in essentie omdat het plaatsen van de 7 turbines een te grote impact zou hebben op de avifauna; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 21 juni 2004 : volgt het advies van de afdeling Milieuvergunningen. 2.
- Op 13 juli 2004 bezorgt de tussenkomende partij aan de afdeling Milieuvergunningen nog een aanvullende nota bij het MER betreffende de recente evoluties in de problematiek van de avifauna, opgesteld door erkend MER- deskundige Mia JANSSEN. Haar conclusie is dat door de verschuiving van de broedgebieden van de westelijke dam naar de oostelijke dam -waar een sterneneiland is aangelegd- het aantal vliegbewegingen, en bijgevolg ook het aantal aanvaringen, zal afnemen, zodat de plaatsing van de 7 windturbines geen significante impact zal hebben op de beschermde sternenpopulaties die aanwezig zijn in de Zeebrugse voorhaven. 2.
- Op 16 juli 2004 besluit de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu het beroep van de tussenkomende partij gegrond te verklaren en vergunning te verlenen voor de plaatsing van 7 windturbines. Dit is de bestreden beslissing;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat, wat de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, verzoeker in zijn verzoekschrift de volgende uiteenzetting geeft : VII-32.761-4/10 "Verzoekende partij is residentieel woonachtig in de Adriaan de Gerlachestraat, nr. 2/
- Het betreft een appartementsgebouw naast het gekende en gerangschikte hotel Res. Palace, dat beeldbepalend is voor de Zeebrugse zeedijk. Hij betrekt er het hoekappartement op de eerste verdieping. De vensters van zijn dagelijkse woonruimte geven uit op de zeedijk zodat hij een prachtig zicht heeft op het strand en de zee voor hem (zie foto, genomen tijdens de wegruiming van de jaarlijkse zandsculpturen, wat verklaart waarom er ook enige strandvreemde zaken op te zien zijn). Het bestreden besluit vergunt zeven windturbines van het grootste type dat alsnog operationeel is, namelijk 2 MW elk en met een ashoogte ten opzichte van het water van 76 meter en een rotordiameter van 80 meter, weze derhalve in werking 116 meter hoog ten opzichte van het water. Ze worden niet lineair ingeplant maar afwisselend en geschrankt op de dam en op het strand, zodat zij door de verzoekende partij als een dubbele rij zullen waargenomen worden. De dichtste turbine is gelegen op een afstand van 850 meter. De visuele pollutie van het windmolenpark, zeker in (omzeggens bestendige) molenwiekende bezigheid, zal voortaan verzoekers uitzicht op het strand en de zee totaal domineren gezien hun wederzijdse territoriale situatie ten opzichte van mekaar. Verzoeker zal immers een rechtstreeks zicht hebben op de vergunde constructies en de werking ervan, zelfs zonder zich te moeten begeven naar eerder ongebruikelijke plaatsen van zijn woning of de plaatsgesteldheid ervan te moeten wijzigen. Overigens mag iemands nadeel niet enkel beoordeeld worden (...) vanuit een of meer plaatsen van zijn woning alleen. Een mens immers niet alleen in een ommuurde woning, maar ook er buiten. Ofschoon zij hem geen eigen tuingenoegen verschaft, heeft de verzoekende partij voor die woning gekozen omdat hij, van zodra hij ze verlaat, de mooiste en de meest natuurlijk Uw Raad aanvaardt in de regel dat belangrijke visuele hinder een MTHEN uitmaakt (R.v.St., nr. 76.973 dd. 18 november 1998 en 77.360 dd. 3 december 1998, T. Gem., 2000, blz. 100 en blz. 103). In zijn rapport in de zaken A/A 82.082 en 82.083 (huisvuilverbrandingsinstal- latie Drogenbos) heeft de eerste auditeur-afdelingshoofd dit gegeven voldoende ernstig geacht in volgende termen : In het arrest nr. 99.794 dd. 15 oktober 2001 heeft Uw Raad die visie gevolgd. Ook te dezen is het vooral het aspect Nutteloos zou men voorhouden dat de visuele hinder, veroorzaakt door aanhoudend in beweging zijnde windmolens, zeer verscheiden kan beleefd worden en mitsdien van subjectieve aard is. Uw Raad verwerpt zulk argument als niet-relevant, zoals o.m. blijkt uit het arrest nr. 74.105 Rondelez, dd. 3 juni 1998, dat o.m. overweegt : VII-32.761-5/10 inhoudt, gelet op wat hiervoor werd overwogen en op het niet betwistbare feit dat het rechtstreeks uitzicht van verzoeker aanzienlijk zal worden beperkt door de uitvoering van de verleende bouwvergunning'. Dit arrest is gewezen in een geval waar de verzoekende partij op het gelijkvloers woonde van een appartementsgebouw langs de zeedijk te Blanken- berge, waardoor zij een mooi zicht had op de zee en de bekende Pier, zicht dat dreigde gehypothekeerd te worden door de vergunning voor het overdekken van het landhoofd van de Pier met het oog op het inrichten van een zgn. evenementenhal. Uw Raad bevond toen de aantasting van dat zicht op zee een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In Jabbeke werd de bouwvergunning van een funerarium geschorst, niet omwille van het gebouw op zich, maar omwille van de omstandigheid dat de buur niet zou kunnen leven met de gedachte bestendig naast opgebaarde lijken te moeten leven (R.v.St., nr. 59.077 Vannest, 15 april 1996). Dit is uiteraard een subjectieve beleving. Ook in het arrest nr. 112.680, DEBACKER, dd. 19 november 2002 oordeelde Uw Raad dat de daar bestreden vergunning van drie windmolens van 104 meter een MTHEN zou veroorzaken : Te dezen gaat het om zeven machines, die bovendien nog merkelijk hoger zijn. Uw Raad heeft reeds een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangenomen erin bestaande te moeten uitkijken op een GSM-mast van 23 meter. Weliswaar werd hij opgesteld op slechts enkele meters van de perceelsgrens, wat te dezen uiteraard niet het geval is, maar hier betreft het niet één mast van 23 meter maar wel zeven (draaiende) torens van 120 meter (R.v.St. nr. 118.573, van Herck, dd. 24 april 03; R.v.St. nr. 106.155 dd. 29 april 02 dat een GSM-project van 20 meter betreft; het arrest nr. 100.514 dd. 31 oktober 01 verwerpt de schorsingsvraag tegen een stedenbouwkundige vergunning voor een zendinstallatie met drie antennes tegen het gevelvlak van de kerktoren van Zwalm omdat de middelen niet ernstig bevonden werden, hetgeen er op wijst dat de Raad wel een MTHEN bewezen achtte; R.v.St. nr 87.875, Lorent, 7 juni 2000; ook de rechtbank van eerste aanleg van Gent achtte de visuele stoornissen van een GSM zendmast een buitensporige burenlast: T.M.R, 03, 154). Ten onrechte zou men inroepen dat verzoeker reeds nu moet uitzien op drieëntwintig windmolens die op de oostelijke strekdam zijn gebouwd. Die hinder is immers totaal niet vergelijkbaar met wat hem thans te wachten staat. Die hinderbron is gelegen op meer dan 4 km van zijn woning. Om drie molens van het ganse turbinepark te kunnen zien, moet de verzoekende partij VII-32.761-6/10 rechtstaand plaats gaan nemen vóór het raam van zijn woonplaats. Neemt hij plaats in zijn zetel, waar deze gewoonlijk staat, ziet hij enkel in de verte de top van één turbine. Indien hij zijn zetel in zijn woonplaats speciaal herpositioneert, kan hij er maximaal twee bemerken. Van op de zeedijk, die uiteraard veel lager ligt, is er helemaal geen zicht, gezien de aanwezigheid van de westelijke havendam. Evenzeer ten onrechte zou men voorhouden dat verzoeker ook nu reeds met bronnen van visuele hinder wordt geconfronteerd, zoals kranen om de schepen te laden en te lossen, verlichtingspalen enz. Deze bronnen van hinder zijn hem in het kader van de uitbreiding van de Zeebrugse voorhaven opgedrongen. Maar vooral kan uit de omstandigheid dat er reeds aanzienlijke bronnen van hinder zijn die de mens moet ondergaan, niet afgeleid worden dat hij om het even welke supplementaire hinderbron er dan maar moet bijnemen. En die supplementaire bron zal niet gering zijn doordat de draaiende wieken bestendig het licht van de verlichtingsbronnen zal breken. De combinatie kust/strand en haven is al een bijzonder moeilijke combinatie die van de burger reeds heel wat draagkracht vereist. Zo er een grens is aan de draagkracht van de ruimte (artikel 4 decreet 18 mei 1999), zo is er gewis ook een grens aan de draagkracht van de mens. Door thans een aantal windturbines zelfs in het zeelandschap te bouwen, wordt die grens overschreden. Voor de verzoekende partij is het bezoedeld haveng- ebied rechts gelegen. Het strand en de zee vóór hem en westwaarts tot in Blankenberge is een ongeschonden landschap. En ook dat wordt nu aangetast"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : "
- Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, wat erop neerkomt, en wat overigens bevestigd werd in de rechtspraak van Uw Raad, dat een louter beroep tot nietigverklaring niet tot een nuttige oplossing van het geschil kan leiden indien de bestreden rechtshandeling bij de afloop van dit beroep effectief onwettig zou blijken en vernietigd zou dienen te worden.
- Voor een schorsing is derhalve de cumulatieve vervulling van vijf voorwaarden vereist : 1/ dat er nadeel berokkend wordt of kan worden, 2/ dat dit nadeel ernstig is, 3/ dat dit nadeel moeilijk te herstellen is, 4/ dat dit nadeel veroorzaakt wordt door de bestreden rechtshandeling en 5/ dat de verzoeker persoonlijk dit nadeel ondervindt.
- Verzoekende partij poneert dat de visuele pollutie van het windmolenpark, in molenwiekende bezigheid, haar uitzicht op strand en zee zullen domineren.
- De verzoekende partij laat na in haar betoog het nadeel voldoende concreet aan te tonen, en in het bijzonder ook nadelige aspecten aan te halen die specifiek verband houden met de exploitatie van de inrichting. De geuite grieven zijn niet gericht tegen de aangevochten toelating, maar wel de bestemmingsvoorschriften die deze werken mogelijk maken. Het ingeroe- pen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat louter voortvloeit uit een gebeurlijke inplanting van de windmolen op deze plaats, staat dan ook niet in causaal verband met de bestreden milieuvergunning.
- In casu dient erop te worden gewezen dat de verzoekende partij er zelf voor heeft gekozen te leven aan de rand van een gebied milieubelastende industrieën. De keuze om op dergelijke plaats te wonen houdt ook een VII-32.761-7/10 aanvaarding in de gevolgen van het leven nabij milieubelastende industrie. Bijgevolg moet het onderzoek van de vermeende nadelen gebeuren binnen deze context.
- Het past te deze te verwijzen naar het auditoraatsverslag dat tussenkwam in het schorsingsberoep van de heer Johan Decloo tegen de verleende milieuvergunning en waarin werd gesteld : 'Eerste verzoeker woont in het gebied voor milieubelastende industrie, tweede en derde verzoeker wonen aan de rand ervan. Wie op dergelijke locatie woont kan en moet verwachten dat hij zal moeten uitkijken op industriële constructies en exploitaties, en er mag van hem terzake een grotere tolerantie worden verwacht dan van bewoners van gebieden waar dergelijke constructies niet thuishoren. De hier gewraakte constructies lijken wat hun visuele hinderlijkheid betreft niet de perken te buiten te gaan van wat normaal is voor een gebied voor milieubelastende industrie. Men kan ter vergelijking bijvoorbeeld denken aan koeltorens, opslagsilo's en fabriekshallen. (...) Een windturbine die stroom levert aan één bedrijf is niet meer of minder industrieel dan een windturbine die aan een openbaar net levert, en ook de hinderlijkheid ervan verschilt niet. (.. .)' In het arrest van de Raad van State nr. 125.815 van 28 november 2003 wordt voormelde stelling bevestigd en wordt de vordering tot schorsing onder meer om die reden verworpen.
- Voor wat betreft de opgeworpen visuele hinder dient erop te worden gewezen dat verzoekende partij verzuimt uit te leggen wat haar bestaande uitzicht is dat ze nu beweert te verliezen, zodat ze niet aannemelijk maakt dat haar uitzicht van die aard zou zijn, rekening houdende met de ligging van haar woning ten aanzien van het industriegebied, dat het verlies ervan een nadeel zou opleveren. Bovendien blijkt uit het administratief bundel dat de dichtstbijgelegen woning aan de zeedijk op 960 m van de meest zuidelijk ingeplante windturbine is gelegen. Gezien de toch wel grote afstand van de windturbines ten opzicht van desbetreffende woningen, stond het aan verzoekende partij in haar verzoekschrift concrete gegevens aan te brengen over de mate waarop het windmolenpark enige ernstige visuele hinder voor haar meebrengt.
- Minstens dient te dezen te worden vastgesteld dat na belangenafweging, het nadeel van verzoekende partij bestaande uit hoofdzakelijk visuele en geluidshinder, niet opweegt tegen het nadeel voor het algemeen belang, met name het voorzien in een duurzame energie en de voordelen van windenergie. Aan de voorwaarde opdat tot schorsing van de tenuitvoerlegging zou kunnen worden overgegaan is dan ook niet voldaan"; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst als volgt repliceert : "Artikel 17 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging enkel kan worden bevolen indien niet alleen ernstige middelen worden aangevoerd, bovendien moet de verzoekende partij het bewijs leveren dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Met name komt het aan de verzoekende partij toe om de precieze en concrete omstandigheden aan te duiden omtrent de aard en het omvang van het nadeel. VII-32.761-8/10 Verzoekende partij haalt daartoe aan dat hij een belangrijke visuele hinder zal ondervinden van de plaatsing van de windturbines, gegund in het bestreden besluit. Uit de door verzoekster in tussenkomst voorgelegde foto's (stuk 6) blijkt dat het appartement van verzoekende partij op een afstand van 1000 meter ligt van de meest landinwaarts gelegen turbine. Verder blijkt dat de verzoekende partij vanuit zijn appartement weliswaar zicht op zee heeft, doch dat de havendam dermate verafgelegen is dat ze nauwelijks zichtbaar is. Een visuele hinder zou derhalve hoogstens kunnen worden ondervonden door het zijzicht vanuit het appartement van verzoekende partij, doch uit de voorgelegde foto's blijkt afdoende dat zij uitkijkt op de haven van Zeebrugge waar het zicht voornamelijk wordt beheerst door metershoge kranen geplaatst op de loskades. De enkele windturbines waarop de verzoekende partij vanuit die positie uitkijkt brengen geen of amper bijkomende visuele hinder met zich mee en brengt geen wijziging in de bestaande toestand. De eventuele Zoals verzoekende partij reeds zelf aanhaalt in zijn verzoekschrift beschouwt uw Raad visuele hinder enkel als een MTHEN indien het gaat om hinder. Er is slechts sprake van een MTHEN indien de betrokken inrichting zich in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de klagende appartementen bevindt, wat in casu allerminst het geval is. Het gewraakt windmolenpark is niet van aard om visuele hinder te veroorzaken die in belangrijke mate erger is dan kan worden verwacht in een industriegebied (vgl. R.v.St. nr. 127.083). Het vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel is derhalve niet voorhanden"; 3.
- Overwegende, vooreerst, dat de aangevoerde visuele hinder in essentie voortvloeit uit de nog te verlenen bouwvergunning voor de windmolens en dat enkel het draaien van de molenwieken in directe relatie staat met de bestreden milieuvergunning; dat uit de neergelegde stukken, onder meer uit het door verzoeker neergelegd "Algemeen Overzichtsplan", blijkt dat de windturbines zich bevinden ofwel op de westelijke strekdam van de haven van Zeebrugge binnen een gebied voor milieubelastende industrie ofwel vlak ernaast in het water, dat de dichtstbijzijnde turbine is gelegen op ten minste 850 meter van de zeedijk en dat, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, de plaatsing van de turbines langsheen de westelijke dam van de haven het landschap van strand en zee tussen Zeebrugge en Blankenberge -waarop hij vanuit zijn appartement zicht heeft- niet aantast en dat, ingeval men de haven van Zeebrugge in het gezichtsveld betrekt, er ook nu reeds geen sprake is van een ongerept landschap van strand en zee; dat gelet op deze elementen en mede in acht genomen het gegeven dat het een normale zaak is dat een zeehaven gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie wordt gekenmerkt door industriële construc- ties en exploitaties, niet kan worden aangenomen dat de exploitatie van de windmolens voor verzoeker, die ervoor heeft geopteerd zich in de omgeving van een zeehaven te vestigen, als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangemerkt; VII-32.761-9/10 3.
- Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. SPE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.761-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.829 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.