id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.830 Rolnummer: A. 67573/VII-13663 Zaak: Arrest 138830 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 17:12 Fiche Arrest nr 138.830 van 23 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.830 van 23 december 2004 in de zaak A. 67.573/VII-13.
- In zake : Reinhilde BOOGAERTS, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Reinhilde BOOGAERTS op 15 februari 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 december 1995 waarbij haar beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 december 1993 houdende weigering van de vergunning om een bestaand kalverenbedrijf, gelegen te Rijkevorsel, Bolk 21, te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 63.557 van 12 december 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 23 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-13.663-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoekster; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoekster, en van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoekster exploiteert in Rijkevorsel, Bolk 21, een kalvermesterij (kadastrale ligging : eerste afdeling, sectie B, nummers 205a, 206, 207a en 208; gewestplan : agrarisch gebied, op ongeveer 550 m ten zuiden van het bedrijf is een gebied voor verblijfsrecreatie gelegen). Zij beschikt daarvoor over volgende vergunningen : - exploitatievergunning tot 12 februari 1996 voor een stal met 598 mestkalveren; - milieuvergunning tot 12 februari 1996 voor de opslag van 600 m3 dierlijke mest; - exploitatievergunning tot 31 augustus 2011 voor elektromotoren van 8,51 kW; - milieuvergunning tot 19 mei 2013 voor de opslag van 438 m3 dierlijke mest en elektromotoren van 10,75 kW. Op 7 oktober 1991 verstrekt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel aan Ad Jespers-Boogaerts, Bolk 21, Rijkevorsel, een vergunning voor het "bouwen van mestopslag-berging - uitbreiden kalverenstal". VII-13.663-2/5 Verzoekster dient op 13 augustus 1993 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in om de voormelde inrichting uit te breiden met : - 242 kalveren tot een totaal van 840 kalveren; - bijkomende mestopslag van 200 m3 tot een totaal van 1.238 m3; - bijkomende opslagplaats voor 5.400 liter gasolie in een ondergrondse houder. De bestendige deputatie weigert op 23 december 1993 de vergunning omdat de mestafzet niet volledig gewaarborgd is. Verzoekster stelt op 25 januari 1994 beroep in tegen het besluit van de bestendige deputatie. De Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting verwerpt het beroep met een besluit van 20 juni 1994 en bevestigt de beslissing van 23 december
- Ook zijn beslissing is gesteund op het feit dat een ecologisch verantwoorde afzet van alle door de inrichting geproduceerde dierlijke mest niet gewaarborgd is. Bij arrest nr. 51.202 van 19 januari 1995 beveelt de Raad van State de schorsing van voormelde beslissing op basis van het middel ontleend aan de schending of het verkeerd toepassen van het meststoffendecreet van 23 januari 1991; bij arrest nr. 54.267 van 14 juli 1995 wordt hetzelfde besluit vernietigd. Dit arrest wordt bij schrijven van 27 juli 1995 aan de partijen betekend en het Vlaamse Gewest ontvangt de aangetekende zending op 31 juli
- Na deze vernietiging wordt de beroepsprocedure hernomen. Nadat de vereiste adviezen werden uitgebracht wordt op 20 december 1995 de bestreden beslissing genomen : opnieuw wordt het beroep ongegrond bevonden en wordt de uitbreiding geweigerd omdat de aanvraag niet verenigbaar is met de artikelen 5.9.8.3., § 3 en 5.9.2.3, § 1, van Vlarem II;
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Overwegende dat uit de weergegeven feiten blijkt dat de basisver- gunning is verstreken sedert 12 februari 1996; dat dienvolgens de vraag rijst of verzoekster nog beschikt over het rechtens vereiste actuele belang om de gevraagde vernietiging te vorderen; 2.
- Overwegende dat met een brief van 3 april 2002 aan verzoekster werd gevraagd of zij meende nog belang te hebben bij het beslechten van de zaak en, in bevestigend geval, aan te geven waaruit haar belang dan bestaat; VII-13.663-3/5 2.
- Overwegende dat met een brief van 5 mei 2002 de raadsman van verzoekster laat weten dat zijn cliënte nog altijd belang heeft bij het beslechten van de zaak omdat zij nog een andere zaak hangende heeft bij de Raad van State, gekend onder het nummer G/A. 79.266/VII-16.882 en een beslissing van de ene zaak invloed heeft op de uitkomst van de andere zaak; 2.
- Overwegende dat uit het feit dat de basisvergunning waarop de gevraagde omvorming betrekking had verstreken is, noodzakelijkerwijze voortvloeit dat, na een gebeurlijke vernietiging door de Raad van State, de verwerende partij alleen de aanvraag zou kunnen afwijzen bij gebrek aan een voorwerp; dat dit principe met betrekking tot de milieuvergunning wordt verwoord in artikel 30, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), dat bepaalt dat de vergunning voor de verandering van een inrichting verleend wordt voor een bepaalde duur waarvan de einddatum deze van de lopende vergunning niet mag overschrijden; dat een vernietigingsarrest er niet toe kan leiden dat aan de verzoekende partij alsnog de gevraagde vergunning wordt verleend; Overwegende dat verzoekster ter adstructie van haar actueel belang verwijst naar de nog hangende zaak G/A. 79.266/VII-16.882 en stelt dat een beslissing van de ene zaak een invloed heeft op de uitkomst van de andere zaak; dat zij evenwel nalaat uit een te zetten welke die invloed dan wel zou kunnen zijn; dat evengenoemde zaak betrekking heeft op de vergunningsaanvraag van verzoekster voor het verder in het bedrijf houden van haar inrichting zonder dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde uitbreiding wordt gevraagd; dat verzoekster de hernieuwing van haar vergunning heeft verkregen, evenwel met een reductie van het aantal mestkalveren met 25 %, dit in uitvoering van artikel 4, § 1, 2/, d, van het vergunningenbesluit van 20 december 1995, bepaling die geldt voor niet-gezinsvee- teeltbedrijven; dat de betwisting in die zaak enkel gaat om de toepassing van de doorgevoerde reductie met als argumentatie dat op het ogenblik van de genomen beslissing de inrichting van verzoekster niet als een niet-gezinsveeteeltbedrijf had mogen zijn beschouwd; dat nergens naar de onderhavige bestreden beslissing wordt gerefereerd; dat de betwisting in de ene zaak dan ook losstaat van de betwisting in de huidige zaak, zodat niet valt in te zien hoe de uitkomst in deze zaak een invloed kan hebben op de uitkomst in de later aanhangig gemaakte zaak; Overwegende dat zo het de bedoeling is van verzoekster om op basis van haar hernieuwde vergunning de door haar gewenste verandering te VII-13.663-4/5 verkrijgen, het noodzakelijk is dat zij daartoe een nieuwe vergunningsaanvraag indient; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, verzoekster niet meer over het vereiste actueel belang bij de gevorderde vernietiging beschikt; dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, en gelet op het feit dat het beroep initieel niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond was, het gepast voorkomt de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-13.663-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.830 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.63.557 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.