← België

Arrest 138831 - - 23/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.831 Rolnummer: A. 79266/VII-16882 Zaak: Arrest 138831 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-30 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 17:12 Fiche Arrest nr 138.831 van 23 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.831 van 23 december 2004 in de zaak A. 79.266/VII-16.

  1. In zake : Reinhilde BOOGAERTS, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Reinhilde BOOGAERTS op 7 juli 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 3 juni 1998 waarbij het beroep aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 20 november 1997 houdende het gedeeltelijk verlenen van de definitieve vergunning na een proefperiode aan verzoekster om een inrichting gelegen te 2310 Rijkevorsel, Bolk 21, verder in bedrijf te houden, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoekster; VII-16.882-1/7 Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 november 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoekster, en van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoekster exploiteert een mestkalverenbedrijf aan de Bolk nr. 21 te Rijkevorsel. 1.
  5. Op 3 juni 1996 dient verzoekster een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder in bedrijf houden van voormelde inrichting met als voorwerp : - het houden van 598 mestkalveren; - een ondergrondse mazouttank van 5.400 liter; - een mestopslag van 678 m³. 1.
  6. Op 12 december 1996 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning, behalve voor wat betreft de mestopslag. De vergunning wordt verleend op proef voor een termijn van één jaar, dit op basis van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit), en niet omwille van de hinder. VII-16.882-2/7 1.
  7. Op 20 november 1997 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een definitieve vergunning na de proefperiode, omvattende : - stallen voor 448 mestkalveren; - de ondergrondse opslag van 5.400 liter mazout. De vergunning wordt geweigerd voor het houden van 150 mestkalveren. De vergunning wordt verleend voor een termijn eindigend op 19 mei
  8. De reductie met 150 mestkalveren wordt opgelegd in toepassing van artikel 4, § 1, 2/, d, van het vergunningenbesluit. Deze bepaling strekt ertoe dat voor niet-gezinsveeteeltbedrijven bij de hernieuwing van de vergunning een reductie kan worden doorgevoerd tot 75 % van de voorheen vergunde mestproductie. 1.
  9. Verzoekster stelt tegen deze beslissing een administratief beroep in, omdat zij zich niet akkoord kan verklaren met de reductie tot 448 mestkalveren. Zij betoogt dat zij sinds 1 januari 1997 voldoet aan de voorwaarden om beschouwd te worden als een gezinsveeteeltbedrijf. 1.
  10. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht : - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen : gunstig; - de administratie Gezondheidszorg : gunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij: slechts gedeeltelijk gunstig, met name voor 448 mestkalveren. In dit advies wordt gesteld dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een inrichting behorende tot een bedrijf dat niet genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf; - de afdeling Milieuvergunningen : gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : slechts gedeeltelijk gunstig, met name voor 448 mestkalveren. 1.
  11. Op 3 juni 1998 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Dit houdt in dat de reductie met 25 % van het aantal mestkalveren behouden blijft. Deze reductie wordt in het bestreden besluit als volgt gemotiveerd : VII-16.882-3/7 "Overwegende dat, zoals blijkt uit het voorgaande, de aanvraag betrekking heeft op het vernieuwen van een vergunning van een inrichting behorende bij een niet-gezinsveeteeltbedrijf; dat bijgevolg artikel 4, § 1, 2/, d), van het Vergun- ningenbesluit van toepassing is; dat in vermeld artikel wordt gesteld dat voor dergelijke inrichting de vergunning moet gereduceerd worden met minimaal 25 % van de vergunde mestproductie, tenzij het bedrijf waartoe deze inrichting behoort daardoor een aantal vergunde dieren zou verkrijgen dat lager is dan de maxima voor een gezinsveeteeltbedrijf; dat de vergunde mestproductie, zoals hierboven vermeld, 3.110 kg P2O5 /jaar bedraagt; dat derhalve een reductie met minimaal 25 % van de vergunde mestproductie neerkomt op een vergunning voor een dierenpopulatie met een overeenkomstige mestproductie van maximaal 2.333 kg P2O5 /jaar of maximaal 448 mestkalveren; dat het bedrijf waartoe deze inrichting behoort na deze reductie nog een aantal dieren bekomt van 7.481; dat in toepassing van de formule van artikel 2bis van het Mestdecreet dit resultaat nog altijd > 1, nl. 7.481/600 = 12,47 (is); dat bedoelde reductie dus van toepassing is";
  12. De gegrondheid van het beroep 2.
  13. Overwegende dat verzoekster als enig middel de schending aanvoert van "artikel 2bis van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991, zoals ingevoegd bij artikel 3 van het Decreet van 20 december 1995"; dat zij het middel als volgt toelicht : "De verwerende partij gaat ervan uit dat het bedrijf van verzoekster geen gezinsveeteeltbedrijf zou zijn, en steunt zich hiervoor op de aangifte bij de Mestbank van een ander bedrijf, dat destijds eigenaar was van de dieren die in de inrichting werden gehouden. Die situatie is inmiddels grondig gewijzigd, en verzoekster is thans eigenares van de op de inrichting gehouden dieren, en zij is verantwoordelijk voor de voedering en de verzorging van het vee. Die situatie werd in 1997 aangegeven bij de Mestbank voor wat de bedrijfssituatie 1996 betreft. Het is volledig ten onrechte dat de verwerende partij uitgaat van de vroegere, voorbijgestreefde situatie, zonder rekening te houden met het actuele statuut van het bedrijf, dat als gezinsveeteeltbedrijf moet worden in aanmerking genomen, zodat de verwerende partij ten onrechte het door de Bestendige Deputatie geweigerde gedeelte van de vergunning eveneens heeft geweigerd in graad van beroep. In artikel 2bis wordt ondermeer als voorwaarde gesteld dat de natuurlijk persoon-producent de exploitatie van het bedrijf als hoofdberoep moet hebben en, met name, uit het bedrijf een inkomen verwerft dat 50% of meer bedraagt van zijn arbeidsinkomen en aan de werkzaamheden buiten het bedrijf minder dan 50% van zijn totale arbeidsduur besteedt. Hij moet eigenaar zijn van het vee en instaan voor de voeding en verzorging ervan. De aangifte en de notificatie als gezinsveeteeltbedrijf dienen jaarlijks te gebeuren (artikel 2bis, par. 1, en artikel 3, par. 1 van het Meststoffendecreet). Voor de controle van deze voorwaarden wordt doorgaans de situatie van het jaar voorafgaand aan de aangifte in aanmerking genomen. Voor de voorwaarde omtrent de exploitatie als hoofdberoep gebeurt de controle aan de hand van het aanslagbiljet en de berekeningsnota en de landbouwbijlage van de meest recente aangifte in het kader van de wet op de inkomstenbelastingen (artikel 2, tweede VII-16.882-4/7 lid, 1/, van het besluit van 20 december 1995 tot uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen). De samenlezing van voormelde bepalingen leidt tot de conclusie dat de vergunningsaanvrager op het moment van de vergunningsaanvraag niet altijd moet voldoen aan alle voorwaar- den voor de notificatie als gezinsveeteeltbedrijf en in sommige gevallen zelfs niet kan bewijzen dat hij voldoet aan die voorwaarden"; 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat bedrijven waar vee gehouden wordt een jaarlijkse aangifte moeten doen bij de Mestbank, en dit uiterlijk op 15 maart van elk jaar, dat wie een notificatie als gezinsveeteeltbedrijf wil bekomen op eer moet verklaren dat hij voor het aangiftejaar en het daaraan voorafgaande jaar aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoet, en dat tevens een aantal documenten dienen te worden overgelegd, dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij van 12 maart 1998 blijkt dat voor de aanslagjaren 1996 en 1997 (bedrijfssituatie in 1995 en 1996) door verzoekster geen aangifte van dieren bij de Mestbank werd gedaan, dat de in haar inrichting aanwezige dieren immers werden aangegeven door Vleeshandel VAN- LOMMEL uit Westerlo, een integrator met wie verzoekster blijkbaar een integratie- contract had afgesloten, dat bijkomende informatie, ingewonnen bij de Mestbank, leert dat verzoekster (of haar echtgenoot Adrianus JESPERS) op 14 maart 1997 (aanslagjaar 1997) aangifte deed bij de Mestbank met aanvraag tot notificatie als gezinsveeteeltbedrijf doch dat deze aanvraag op 12 september 1997 werd geweigerd om reden dat het bedrijf niet voldeed aan de vereisten inzake de minimumproductie (300 kg P2O5), dat op 12 maart 1998 (aanslagjaar 1998) opnieuw een aanvraag tot notificatie als gezinsveeteeltbedrijf bij de Mestbank werd ingediend doch dat bij beslissing van september 1998 deze aanvraag opnieuw geweigerd werd wegens het niet voldoen aan de vereiste van de economische zelfstandigheid, dat beide voormelde beslissingen aan verzoekster ter kennis werden gebracht, dat het dan ook duidelijk is dat verzoeksters bedrijf noch in het verleden noch tot op heden genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf, dat de vraag te weten of op het tijdstip van het indienen van de vergunningsaanvraag tot hernieuwing dan wel later, het bedrijf van verzoekster als gezinsveeteeltbedrijf dient genotificeerd te zijn om te ontsnappen aan de reductie van de vergunde mestproductie dan ook niet relevant is; dat de verwerende partij nog aanstipt dat uit de lezing van artikel 4 van het vergunningenbesluit af te leiden valt dat niet alleen op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag dient voldaan te zijn aan elk van de erin opgenomen voorwaarden, doch evenzeer dat op hetzelfde tijdstip het bedrijf desgevallend als een gezinsveeteeltbedrijf dient genotificeerd te zijn; VII-16.882-5/7 2.
  15. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoekster nog betoogt dat er een verschil bestaat tussen het kunnen beschouwd worden als een gezinsveeteeltbedrijf en anderzijds de notificatie, dat het niet is omdat een bedrijf niet werd genotificeerd dat dit bedrijf geen milieuvergunning zou kunnen aanvragen en verkrijgen wanneer het voldoet aan alle voorwaarden die aan een gezinsveeteeltbedrijf worden gesteld; 2.4.
  16. Overwegende dat uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt dat de reductie met 150 mestkalveren gebaseerd is op artikel 4, §1, 2/, d), van het vergunningenbesluit; dat evengenoemde bepaling luidt als volgt : "§
  17. Als de Vlaamse regering vaststelt dat één van de in artikel 33, § 1, van het decreet bepaalde maxima overschreden is, mag de bevoegde vergunningverlenende overheid, voor een inrichting behorende bij een bedrijf dat niet voldoet aan de voorwaarden gesteld voor het gezinsveeteeltbedrijf, in afwijking van de bepalingen van artikel 3, alleen een vergunning verlenen of een melding van overname akteren met betrekking tot de rubrieken 9.3 tot 9.8 van de indelingslijst in de volgende gevallen : (...) 2/ De vergunningsaanvraag heeft betrekking op de hernieuwing van een vergunning of op een verandering zonder uitbreiding van de mestproductie, van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een niet-gezinsveeteeltbedrijf. Bij de vergunningsaanvraag dient aan elk van de volgende voorwaarden voldaan te zijn : (...) d) bij de hernieuwing van de vergunning wordt door de bevoegde vergunningverlenende overheid de vergunning ambtshalve dermate gereduceerd, dat daardoor de vergunde mestproduktie van de inrichting maximaal 75 % bedraagt van de te hernieuwen vergunde mestproduktie. Als het bedrijf hierdoor een vergunning zou verkrijgen die lager is dan de in artikel 2bis, § 2, 2/, b) en c) van het decreet bepaalde maxima, dient de vergunning ambtshalve slechts gereduceerd te worden tot een dierenpopulatie gelijk aan de in dit artikel bepaalde maxima"; 2.4.
  18. Overwegende dat uit die bepaling blijkt dat indien de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een bestaande veeteeltinrichting horende bij een niet-gezinsveeteeltbedrijf, aan bepaalde voorwaarden dient voldaan te zijn, waaronder de reductie van de vergunde mestproductie; dat het duidelijk is dat artikel 4, § 1, 2/, d), diende te worden toegepast op bedrijven die op het ogenblik van de "vergunningsaanvraag" zelf geen gezinsveeteeltbedrijven waren, ongeacht of ze dat achteraf wel waren; 2.4.
  19. Overwegende dat de vergunningsaanvraag dateert van 3 juni 1996, hetgeen verzoekster niet betwist; dat uit niets blijkt dat verzoekster op dat moment aan de voorwaarden voldeed om als een gezinsveeteeltbedrijf te kunnen worden VII-16.882-6/7 beschouwd; dat integendeel in haar beroepschrift verzoekster zelf uiteenzet dat zij sinds 1 januari 1997 -dus na de vergunningsaanvraag tot hernieuwing- aan die voorwaarden zou voldoen; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.882-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.