← België

Arrest 138838 - - 23/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.838 Rolnummer: A. 60621/IX-90 Zaak: Arrest 138838 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 17:15 Fiche Arrest nr 138.838 van 23 december 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.838 van 23 december 2004 in de zaak A. 60.621/IX-

  1. In zake : Jan BRAMS, wonende te BEKKEVOORT, Netelzeepstraat 26 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD en advocaat K. RONSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan BRAMS op 28 oktober 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het schrijven van de NMBS van augustus 1994, waarbij wordt gesteld dat hij onder toepassing valt van de bepalingen van paragraaf 73 van het ARPS - bundel 575, gewijzigd met het bericht nr. 29PS van 16 juni 1994, en dat hij op 1 oktober 1994 vroegtijdig op pensioen zal worden gesteld bij beslissing van het directiecomité, en van de impliciete weigering verzoeker in een betrekking van het kader te reaffecteren; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 30 september 1997 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-90-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 9 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. PETITAT, die loco advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD en advocaat K. RONSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is sinds 1977 als vakbediende (sporen) in dienst bij de NMBS. Op 5 januari 1989 wordt hij definitief en volledig ongeschikt verklaard voor zijn functie. Volgens een niet tegengesproken verklaring van verzoeker blijft hij evenwel verder tewerkgesteld door de NMBS in een andere functie buiten kader. 1.
  5. Bij brief van augustus 1994 wordt hem meegedeeld dat hij, vermits hij volledig en definitief medisch ongeschikt is verklaard voor zijn functie en hij tot dan toe nog niet kon worden herklasseerd, met toepassing van de bepalingen van § 73 van het ARPS - bundel 575, gewijzigd bij bericht nr. 29PS van IX-90-2/14 16 juni 1994, ambtshalve vroegtijdig op pensioen zal worden gesteld wegens invaliditeit met ingang van 1 oktober
  6. 1.
  7. Op 1 oktober 1994 wordt verzoeker gepensioneerd bij beslissing van het directiecomité van 17 oktober
  8. Over de juiste aanduiding van het eerste voorwerp van het beroep. 2.
  9. Overwegende dat uit het verzoekschrift blijkt dat wat verzoeker in werkelijkheid bestrijdt de beslissing is waarbij hij op pensioen wordt gesteld; dat die beslissing veeleer moet worden gesitueerd in de beslissing van 17 oktober 1994 van het directiecomité dan in de brief van augustus 1994, welke verzoeker als de bestreden beslissing aanwijst in zijn verzoekschrift, doch die niets meer doet dan een nakende beslissing aankondigen; dat niet blijkt dat verzoeker dat besluit kende toen hij zijn vordering instelde; dat de vordering geacht moet worden in eerste instantie gericht te zijn tegen de beslissing van het directiecomité van de NMBS waarbij hij effectief op pensioen wordt gesteld;
  10. Over de ontvankelijkheid van het tweede voorwerp van het beroep. 3.
  11. Overwegende dat verzoeker bijkomend de nietigverklaring vraagt van de impliciete weigering om hem te herklasseren; dat dit beroep alleen maar ontvankelijk kan zijn indien er voor verzoeker een recht op herklassering bestaat; dat derhalve moet worden uitgemaakt of een dergelijk recht bestaat; dat volgens verzoeker die verplichting gelezen kan worden in § 35 van het ARPS - bundel 575; dat hij dit aanvoert in wat hierna zijn tweede middel wordt genoemd; dat het onderzoek van de ontvankelijkheid wat dit voorwerp van de vordering betreft derhalve wordt gevoegd bij het onderzoek van het tweede middel; IX-90-3/14
  12. Over de gegrondheid van het beroep. 4.1.
  13. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing geen geldige rechtsgrond heeft; dat hij in een eerste onderdeel betoogt dat de bepaling waarop de bestreden beslissing steunt, zijnde § 73 van het ARPS - bundel 575 : het algemeen reglement betreffende de wedergeschiktmaking, de wederopleiding en de herklassering van de bedienden die ongeschikt zijn wegens gezondheidsredenen, zoals deze paragraaf werd gewijzigd bij bericht nr. 29PS van 16 juni 1994, niet geldig kan worden ingeroepen omdat hij niet werd goedgekeurd door de Nationale Paritaire Commissie en dat hij tot stand is gekomen in strijd met artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, dat bepaalt dat aan het statuut van het personeel geen wijzigingen kunnen worden aangebracht zonder de toestemming met tweederde meerderheid van de Paritaire Commissie; dat hij in een tweede onderdeel aanvoert dat de wijziging aan de reglementering die vervat is in het bericht nr. 29PS en op grond waarvan hij vervroegd op pensioen werd gesteld, niet onderworpen is aan een gefundeerd onderzoek of gemotiveerd advies van de Nationale Paritaire Commissie, terwijl overeenkomstig artikel 5 van hoofdstuk XIII van het personeelsstatuut die commissie bevoegd is om al de kwesties te onderzoeken die voor het personeel rechtstreeks van belang zijn en dit onderzoek een substantiële voorwaarde is; dat hij in een derde onderdeel aanvoert dat het feit dat hij niet werd gereaffecteerd in een betrekking van het kader niet belet dat hij regelmatig werd wederbenut en dat hij effectief diensten heeft verricht; dat hij betoogt dat de verwerende partij zich ook niet zou kunnen beroepen op artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zoals gewijzigd bij artikel 42 van de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector; dat hij vooreerst laat uitschijnen dat deze wet niet van toepassing zou zijn op het personeel van de NMBS en hij voorts stelt dat, mocht ze toch van toepassing zijn, een ambtenaar die medisch ongeschikt werd verklaard om op regelmatige wijze zijn functies uit te oefenen maar die geschikt bleef voor de uitoefening van een ander ambt, niet ambtshalve definitief op pensioen kan worden gesteld wanneer hij binnen het tijdsbestek van één jaar IX-90-4/14 volgend op de betekening van de beslissing houdende definitieve ongeschiktheid in om het even welke functie werd wedertewerkgesteld en, zoals verzoeker, ononder- broken diensten uitvoerde voor de NMBS; 4.1.2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij, in antwoord op het eerste en tweede onderdeel, toegeeft dat het statuut slechts kan worden gewijzigd met instemming van twee derde van de leden van de Nationale Paritaire Commissie, maar dat zij betoogt dat het bericht nr. 29PS geen wijziging van het statuut is, maar slechts van een reglement, dat door het directiecomité wordt vastgesteld en waarvoor de Nationale Paritaire Commissie terzake slechts een adviserende bevoegdheid heeft, zodat haar goedkeuring niet is vereist; dat de Nationale Paritaire Commissie effectief is geraadpleegd over het bericht nr. 29PS in haar vergadering van 15 juni 1994 en dat tijdens de vergaderingen van de Nationale Paritaire Subcommissie van 24 januari, 27 april, 20 mei, 3 juni en 6 juli 1994 hierover is gedebatteerd; 4.1.2.
  15. Overwegende dat wat het derde onderdeel betreft, de verwerende partij doet gelden dat het bestreden besluit zijn rechtsgrond vindt in artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zoals gewijzigd bij artikel 42 van de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector, welk artikel, naar blijkt uit het arrest DEBUS, nr. 43.392, van 18 juni 1993, van toepassing is op de NMBS niettegenstaande elke daarvan afwijkende NMBS-reglementering; dat uit de betekenis die aan de in het genoemde artikel gebruikte term “wedertewerkstelling” wordt gegeven in artikel 16 van het koninklijk besluit van 13 november 1967 strekkende tot rationele spreiding van het personeel over de verscheidene rijksbesturen -welk besluit evenwel niet van toepassing is op de NMBS- bedoeld wordt : wedertewerkstelling op een betrekking van het kader; dat verzoeker na zijn ongeschiktverklaring nooit benuttigd is geweest binnen het NMBS-kader en derhalve nooit wedertewerkgesteld is in de zin van voornoemd artikel 117, § 3, derde lid; IX-90-5/14 4.1.
  16. Overwegende dat vooreerst het derde onderdeel van het eerste middel hierna wordt onderzocht; 4.1.3.
  17. Overwegende dat tot de bestreden pensionering werd besloten met toepassing van de nieuwe tekst van § 73 van het genoemde ARPS - bundel 575, ingevoerd bij het bericht nr. 29PS van 16 juni 1994; dat volgens de nu vervangen tekst een definitief volledig ongeschikt verklaard bediende vervroegd op pensioen kon worden gesteld wegens fysieke ongeschiktheid indien hij na één jaar weder- tewerkstelling niet herklasseerd was omdat hij niet de vereiste geschiktheid had of omdat hij afstand had gedaan van zijn rechten op herklassering; dat volgens de nieuwe tekst een bediende die volledig en definitief ongeschikt is verklaard voor zijn normale functies ambtshalve op pensioen wordt gesteld indien hij na twee jaar niet herklasseerd is; 4.1.3.
  18. Overwegende dat § 73 van het ARPS - bundel 575 volgens de verwerende partij teruggaat op artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zoals gewijzigd bij artikel 42 van de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector; dat de tekst hiervan als volgt luidt: "Indien de betrokkene bij het verstrijken van een termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis is gegeven van de definitieve beslissing waarbij hij ongeschikt wordt verklaard voor de uit- oefening van zijn ambt doch geschikt verklaard blijft voor de uitoefening van een ander ambt bij wijze van wedertewerkstelling, niet wedertewerkgesteld werd, verkrijgt hij ambtshalve een definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de voormelde termijn"; 4.1.3.
  19. Overwegende dat, nu zoals de verwerende partij zelf verklaart, de bestreden pensionering in eerste instantie gegrond is op het genoemde artikel 117, § 3, derde lid, enerzijds en dat anderzijds, zoals in het arrest DEBUS, nr. 43.392, van 18 juni 1993 voor recht werd gezegd, deze bepaling krachtens artikel 113 van IX-90-6/14 de wet van 14 februari 1961 van toepassing is op de NMBS zoals op de andere personeelsleden van de openbare diensten, ongeacht alle ervan afwijkende wetsbepalingen of reglementeringen, eerst nagegaan moet worden of de bestreden pensionering hiermee in overeenstemming is; dat, inderdaad, mocht dit zo zijn, het zonder belang is of zij eventueel strijdig zou zijn met van die wettelijke bepaling afwijkende NMBS-reglementen, aangezien de overtreding van die reglementaire bepalingen niet tot nietigverklaring zou kunnen leiden, daar zij op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing zouden moeten worden gelaten; 4.1.3.
  20. Overwegende dat volgens de verwerende partij de term "weder- tewerkstelling" in artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 moet worden opgevat als het definitief aangesteld worden in een vacante betrekking van het kader waarvoor de betrokkene geschikt is bevonden; dat dit evenwel niet de betekenis is welke in de Nederlandse tekst van het ARPS - bundel 575 daaraan wordt gehecht; dat "wedertewerkstelling" aldaar duidelijk wordt onderscheiden van "wederaanstelling" en "herklassering", wat een definitieve aanstelling in een post van het kader inhoudt, terwijl de "wedertewerkstelling" een voorlopig karakter heeft en voorkomt onder de vormen "wederopleiding", "wedergeschiktmaking" en "wederbenuttiging", en voorbereidend is tot een eventuele herklassering of wederaanstelling; dat verzoeker, overeenkomstig de terminologie van de verwerende partij, "wedertewerkgesteld" was; dat volgens de verwerende partij echter, hij moest worden gepensioneerd omdat hij, eveneens in haar termen, niet was "herklasseerd", wat volgens haar overeenstemt met "wedertewerkstelling" in de zin van de wet van 14 februari 1961, waaraan de voorrang moet worden gegeven; dat zij onder meer als argument daarvoor aanvoert dat in de Franse tekst van het ARPS - bundel 575 "wedertewerkstelling", "remise au travail" wordt genoemd, wat niet hetzelfde is als de Franse term voor "wedertewerkstelling" in artikel 117 van de wet van 14 februari 1961, welke daar "réaffectation" heet; 4.1.3.
  21. Overwegende dat weliswaar blijkens artikel 117, § 1, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals vervangen door de wet van 21 mei 1991, het IX-90-7/14 vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid definitief toegekend mag worden indien de in § 2 bedoelde medische instanties oordelen dat het personeelslid definitief ongeschikt is om op een regelmatige wijze zijn functies of andere functies ingevolge wedertewerkstelling of wederbenuttiging, krachtens de reglementering van toepassing in de verschillende openbare diensten, in een ander ambt dat beter met zijn lichamelijke geschiktheid overeenkomt, te vervullen en dat in alle andere gevallen met uitzondering van dat bedoeld in § 3, derde lid -bepaling van toepassing op verzoeker- het pensioen tijdelijk wordt toegekend voor een maximumduur van twee jaar; dat, evenwel, zelfs zo de verwijzing naar de "reglementen van toepassing in de verschillende openbare diensten" zou betekenen dat "wedertewerkstelling" en "wederbenuttiging" moeten worden verstaan in de betekenis welke die reglementen daaraan geven en zulks ook zou gelden voor § 3 van artikel 117, dat de eigenlijke rechtsgrond vormde voor de bestreden beslissing, het interpretatieprobleem daardoor niet is opgelost, omdat de Franse benaming "réaffectation" welke in de wet het equivalent is van "wederte- werkstelling", in het ARPS - bundel 575 niet overeenstemt met "wedertewerk- stelling", maar wel met "wederaanstelling", wat luidens § 13 van voormelde bundel bij de verwerende partij één van de twee vormen is waaronder ongeschikt verklaarde personeelsleden definitief weer op een post behorende tot het kader kunnen worden opgenomen, de andere "herklassering" zijnde; dat de ook in artikel 117, § 1, van de wet voorkomende term "wederbenuttiging” - “réutilisation" in het Frans - volgens § 12 van het ARPS - bundel 575 een vorm is van tewerkstelling op een post van het kader, zij het voorlopig; dat indien de voorkeur aan de Franse tekst wordt gegeven, deze dus veeleer wijst op tewerkstelling in een betrekking van het kader; dat, aangezien de terminologische overeenkomst tussen de wet en het NMBS-reglement verschillend is naargelang men de Nederlandse of de Franse teksten vergelijkt, de term "wedertewerkstelling" te interpreteren is volgens de betekenis welke de wetgever eraan heeft willen hechten; 4.1.3.
  22. Overwegende dat de regel dat een definitief voor zijn functie ongeschikt verklaarde ambtenaar kan worden gepensioneerd wegens fysieke ongeschiktheid indien de overheid waarvan de ambtenaar afhangt bij het verstrijken IX-90-8/14 van een termijn van twaalf maanden vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot ongeschiktverklaring verklaart dat het niet mogelijk is geweest om hem weder tewerk te stellen, ingevoerd werd door artikel 86 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, teneinde een oplossing te zoeken voor het feit dat het Rekenhof opmerkingen maakte over de pensionering wegens lichamelijke ongeschiktheid van personen die niet definitief ongeschikt waren verklaard voor elke functie; dat de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector dan de verklaring van de overheid betreffende de onmogelijkheid van wedertewerkstelling heeft afgeschaft; dat de wetgever alzo een soort vermoeden van volledige ongeschiktheid voor elke andere functie heeft ingevoerd dat steunt op het feit van na één jaar nog niet wedertewerkgesteld te zijn, waarbij indien er na één jaar nog geen geschikt werk kon worden aangeboden, aangenomen mag worden dat er voor de betrokkenen geen geschikt werk meer kan worden gevonden; dat het daarbij bezwaarlijk de bedoeling kan zijn geweest de betrokkenen in dienst te houden zolang zij fysiek geschikt worden geacht om een bepaalde betrekking waar te nemen, doch zonder dat hen zulk een, binnen het kader vrijgekomen betrekking kan worden aangeboden; dat ambtenaren immers niet buiten elke reglementaire betrekking om in dienst moeten worden gehouden; 4.1.3.
  23. Overwegende, immers, dat zowel bij de diensten die onderworpen zijn aan het statuut van het rijkspersoneel als bij de verwerende partij de normale wijze van langdurige tewerkstelling die is in een betrekking welke voorkomt op het personeelskader; dat voor de verwerende partij als autonoom overheidsbedrijf die regel thans volgt uit artikel 29 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waaraan de verwerende partij sinds 14 oktober 1992 onderworpen is, en luidens hetwelk "de personeelsleden van een autonoom overheidsbedrijf worden aangeworven en tewerkgesteld krachtens het personeelskader en het personeelsstatuut die door de raad van bestuur (...) worden vastgesteld"; dat in de reglementering van de verwerende partij het opnieuw opnemen op een vacante betrekking in het kader aangeduid wordt met de term herklassering; dat in de hele reglementering betreffende de wedertewerkstelling IX-90-9/14 dit ook de enige vorm van tewerkstelling is die blijvend kan zijn; dat verzoeker niet werd herklasseerd, dat met andere woorden hij niet werd wedertewerkgesteld in de zin van artikel 117, § 1, van voornoemde wet van 14 februari 1961; dat het derde onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; dat het dienvolgens overbodig is het eerste en het tweede onderdeel te onderzoeken aangezien de bestreden maatregel zijn rechtsgrond vindt in voornoemd artikel 117, § 3, en het dienvolgens van geen belang is te weten of de wijziging die bij bericht nr. 29PS van 16 juni 1994 aan het ARPS werd aangebracht alsdan niet op een rechtsgeldige manier is tot stand gekomen; 4.2.
  24. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing een schending uitmaakt van artikel 35 van het ARPS - bundel 575 omdat het feit dat verzoeker niet werd gereaffecteerd in een betrekking van het kader niet belet dat hij regelmatig werd wederbenut en dat hij effectief diensten heeft verricht en omdat de verwerende partij geen inspanning heeft gedaan om verzoeker te reaffecteren; 4.2.
  25. Overwegende dat, in acht genomen hetgeen bij het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel werd gewezen, het middel alleen nog moet worden onderzocht in zoverre het aanvoert dat de verwerende partij geen inspanning heeft gedaan om verzoeker te reaffecteren; 4.2.
  26. Overwegende wat dat aspect betreft, dat de verwerende partij betoogt dat er alleen een verplichting bestaat om te pogen een ongeschikt verklaarde bediende te herklasseren; dat zij stelt dat zij daar niet in geslaagd is omdat de aanbodmogelijkheden afhangen van allerlei factoren zoals de geneeskundige tewerkstellingsbeperkingen van de betrokkenen, hun graad en diploma, het bestaan van passende kaderposten, de rangschikking voor de toewijzing van een post, wat samenhangt met de anciënniteit; dat zij betoogt dat zij wel degelijk al het mogelijke heeft gedaan om verzoeker te herklasseren via een wederopleiding of het organiseren van examens, maar dat verzoeker aan examens waarvoor hij in IX-90-10/14 aanmerking kwam niet heeft deelgenomen en hij zich voor de vakopleidingen evenmin heeft ingeschreven; 4.2.
  27. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar het arrest FLOREAL, nr. 51.996, van 7 maart 1995, waarin gesteld wordt dat van een zorgvuldig optredend bestuur zou kunnen worden verwacht dat het, bij het invoeren van de nieuwe tijdslimiet van twee jaar, aan de personeelsleden die onder de toepassing ervan vallen nog twee jaar de tijd zou laten om op een of andere wijze, het weze door het afleggen van proeven, door ander geschikt werk te zoeken en dies meer, te proberen aan de gevolgen ervan te ontkomen; 4.2.5.
  28. Overwegende in zoverre verzoeker stelt dat de verplichting hem te herklasseren niet werd nagekomen, dat uit de behandeling van het derde onderdeel van het eerste middel volgt dat er voor de verwerende partij geen absolute rechtsplicht bestond om verzoeker te herklasseren, althans niet in de zin welke verzoeker voorstaat, te weten zonder dat een betrekking in het kader vacant is; dat de door verzoeker ingeroepen § 35 van het ARPS - bundel 575 daaraan geen afbreuk doet, aangezien aldaar is voorgeschreven dat de herklassering gebeurt op een geschikte post van het kader, en voor het overige de verplichtingen van de NMBS enkel worden aangeduid als : "er moet worden gezocht" en "er moet naar gestreefd worden"; dat het beroep derhalve niet ontvankelijk is wat betreft haar tweede voorwerp, namelijk de impliciete weigering verzoeker te herklasseren; 4.2.5.
  29. Overwegende dat in artikel 1 van hoofdstuk XI van het statuut van het personeel van de NMBS, alsook in § 35 van het ARPS - bundel 575 wel de verplichting ligt besloten om bedienden die voor hun normale functie volledig en definitief ongeschikt zijn verklaard, maar die geschikt blijven om te werken, pogen te herklasseren, hetgeen dan toch een bijzondere inspanning vanwege de verwerende partij vereist; dat zij dan ook alles in het werk dient te stellen om de betrokkenen daadwerkelijk de kans te geven om aan de vervroegde pensionering te ontsnappen; dat zoals hierna zal blijken de verwerende partij verzoeker die kans niet heeft gegeven; IX-90-11/14 4.2.5.
  30. Overwegende dat vo'o'r het invoeren van de nieuwe tekst van § 73 van het ARPS - bundel 575 het personeelslid dat ongeschikt was verklaard voor de functie waarin hij was benoemd en die, zoals dat heet in termen van de verwerende partij, was wedertewerkgesteld in een andere, weliswaar niet vacante of niet op het personeelskader voorkomende betrekking waarvoor hij echter wel geschikt werd geacht, niet moest verwachten vervroegd op pensioen te worden gesteld; dat, immers, voorheen, de verwerende partij de haar door artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961, zoals gewijzigd door de wet van 21 mei 1991, opgelegde verplichting om personeelsleden die definitief ongeschikt werden verklaard voor de uitoefening van hun ambt doch geschikt werden verklaard voor een ander ambt en die niet konden worden wedertewerkgesteld, op pensioen te stellen, niet had uitgevoerd; dat in acht genomen de houding die de verwerende partij tot vo'o'r het bericht van augustus 1994 zelf had aangenomen, het aannemelijk is dat verzoeker in de waan werd gelaten dat gelet op zijn effectieve tewerkstelling in een andere, weliswaar niet vacante of op het personeelskader voorkomende betrekking, de verwerende partij hem niet vervroegd op pensioen zou stellen; dat dus niets erop wees dat hij het risico liep te worden gepensioneerd indien hij niet snel werd herklasseerd; dat dan ook verzoeker niet kan worden verweten geen bijzondere inspanning te hebben gedaan om via wederopleiding en examens aan de vroegtijdige pensionering te ontsnappen; 4.2.5.
  31. Overwegende dat de verwerende partij ter gelegenheid van het wijzigen van § 73 van het ARPS - bundel 575 bij bericht nr. 29PS van 16 juni 1994 -of dat reglement, gelet op zijn soepeler regeling, al dan niet strijdig is, geheel of gedeeltelijk, met artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 is hier niet relevant- de vervroegde pensionering van personeelsleden, die, zoals verzoeker, sedert een bepaalde datum volledig en definitief ongeschikt waren bevonden voor de normale functies en niet werden herklasseerd, maar wel aan het werk bleven, op een abrupte wijze effectief doorvoert, -zo werd aan verzoeker met een brief van augustus 1994 medegedeeld dat hij met ingang van 1 oktober 1994 gepensioneerd zou worden- zonder dat betrokkene nog de tijd werd gelaten om op een of andere wijze te proberen aan de vervroegde pensionering te ontsnappen, terwijl tot vo'o'r de IX-90-12/14 doorgevoerde wijziging niets in de houding van de verwerende partij erop wees dat die personeelsleden dergelijk risico liepen; dat zulk een houding haaks staat op de verplichting van de verwerende partij de nodige inspanningen te doen, dus om alles in het werk te stellen om de voor hun normale functies ongeschikt verklaarde personeelsleden pogen te herklasseren, teneinde ertoe te komen zo weinig mogelijk van die personeelsleden vervroegd op pensioen te stellen; dat, integendeel, de verwerende partij door te handelen zoals zij heeft gedaan, ertoe komt zo veel mogelijk personeelsleden vervroegd te pensioneren door zo weinig mogelijk personeelsleden pogen te herklasseren; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  32. Vernietigd wordt het schrijven van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen van augustus 1994, waarbij wordt gesteld dat Jan BRAMS onder toepassing valt van de bepalingen van paragraaf 73 van het ARPS - bundel 575, gewijzigd met het bericht nr. 29PS van 16 juni 1994, en dat hij bij beslissing van het directiecomité op 1 oktober 1994 vroegtijdig op pensioen zal worden gesteld. Artikel
  33. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. IX-90-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-90-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.838 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.