← België

Arrest 138842 - - 23/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.842 Rolnummer: A. 103028/XIV-3131 Zaak: Arrest 138842 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 17:16 Fiche Arrest nr 138.842 van 23 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.842 van 23 december 2004 in de zaak A. 103.028/XIV-3131. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. RAES, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Ernest Allardstraat 35-37 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 juni 1965 en van Kirgizische nationaliteit, op 13 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-3131-1/5 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 december 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. RAES, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 16 januari 2001 en verklaart zich vluchteling op 16 januari 2001. 1.2. Op 23 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 14 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 5 februari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Raes. Betrokkene verklaart een staatsburger van Kirgizistan te zijn van Oeigoerse origine. Op 4 april 2000 zou haar echtgenoot zijn verhoord door de wijkpolitie op verdenking van de moord van 28 maart 2000 op de leider van de Oeigoerse gemeenschap. Haar echtgenoot zou opnieuw vrijgelaten zijn en de daaropvolgende dag niet meer zijn thuis gekomen van zijn werk. Betrokkene zou op 6 april 2000 de ROVD (wijkpolitie) hebben gecontacteerd om de verdwijning van haar echtgenoot te melden. Betrokkene zou haar telefoonnummer hebben achtergelaten en nadien een dreigtelefoon van de ROVD hebben ontvangen. Op 6 april 2000 zou betrokkene ook de procureur hebben ingelicht van de verdwijning van haar man. Hieraan zou echter geen gevolg gegeven zijn. Op 20 april 2000 zouden twee personen van de politie betrokkene hebben bedreigd op haar werk aangezien ze de verblijfplaats van haar echtgenoot niet kon meedelen. Op 28 april 2000 zouden opnieuw vier agenten betrokkene hebben bedreigd XIV-3131-2/5 en zou betrokkene tevens verwond zijn. Twee weken later zou betrokkene opnieuw de wijkpolitie hebben gecontacteerd die beloofde(

  1. n)te helpen maar volgens de verklaring van betrokkene niets hebben (heeft) ondernomen. Betrokkene zou verder dreigtelefoons hebben ontvangen waarbij melding werd gemaakt van de klacht die ze zou hebben neergelegd bij de ROVD en het parket. Op 15 december 2000 zou betrokkene Kirgizistan hebben verlaten met het vliegtuig, samen met haar minderjarig zoontje, (
  2. en)gevlucht zijn naar Moskou. Op 28 december 2000 zou betrokkene de trein hebben genomen naar Praag om vervolgens ongeveer twee weken later met de wagen verder te vluchten naar België. Op 16 januari 2001 zou betrokkene in België zijn aangekomen waar zij dezelfde dag asiel heeft aangevraagd. Betrokkene is in het bezit van een kopie van haar paspoort, kopie van de geboorteakten van haar en van haar zoon, een getuigschrift verpleegkunde en attesten van de school. De geloofwaardigheid van betrokkenes relaas wordt ondermijnd doordat haar opeenvolgen- de verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen. Inzake de opeenvolgende verblijfsadressen is betrokkenes verklaring bij de Dienst Vreemdelingenzaken compleet tegenstrijdig met haar verklaring bij het Commissariaat-generaal. Betrokkene verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken (punt 42) gedurende de periode april- december verbleven te hebben bij haar ouders in Bishek. Zij voegde eraan toe ook daar telefonische bedreigingen te hebben ontvangen. Bij het Commissariaat-generaal (p. 15, 16) verklaarde betrokkene pas twee weken vóór haar vertrek te hebben gependeld tussen haar eigen huis en dat van haar ouders en de laatste twee à drie dagen verbleven te hebben bij haar ouders. De geloofwaardigheid van betrokkenes relaas wordt verder ondermijnd door haar tegenstrijdige verklaringen inzake de dreigtelefoons die zij zou ontvangen hebben. Betrokkene verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken (punt 42) na haar eerste contact met de politie, op 6 april 2000, regelmatig dreigtelefoons te hebben ontvangen maar aan de andere kant van de lijn hoorde zij echter altijd een stilte. Dit in tegenstelling tot haar verklaring bij het Commissariaat-generaal (p. 6, 7) waar zij meedeelde reeds op 6 april 2000 een dreigtelefoon te hebben gekregen van de ROVD. Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat geen geloof (nog) kan gehecht worden aan het asielrelaas van betrokkene. De door betrokkene neergelegde documenten kunnen bovenstaande vaststellingen niet wijzigen aangezien deze documenten enkel persoonsgegevens bevatten die niet in twijfel worden getrokken. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 23 januari 2001. De Commissaris-generaal. meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen; dat deze overwegingen afdoende dienen te zijn; dat de bestreden beslissing geen juridische overweging bevat; dat de inhoudelijke motivering van de beslissing geen evaluatie inhoudt van de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling van verzoekster; dat de motivering niet pertinent en afdoende is; 2.2. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing XIV-3131-3/5 kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een evaluatie heeft gemaakt van de ontvankelijkheid van haar asielaanvraag; dat in tegenstelling tot wat verzoekster aanvoert, de bestreden beslissing, naast een uiteenzetting van het feitenrelaas, de vereiste tweeledige motivering bevat, met name een motivering in rechte en in feite; dat de Commissaris-generaal op basis van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) enerzijds overweegt dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is, hetgeen de juridische motivering uitmaakt, en anderzijds overweegt dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoekster wordt ondermijnd door tegenstrijdigheden tussen haar opeenvolgende verklaringen, hetgeen de feitelijke motivering uitmaakt; dat deze tegenstrijdigheden worden opgesomd in de bestreden beslissing, zoals blijkt uit de integrale weergave van deze beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest: - de geloofwaardigheid van verzoeksters relaas wordt ondermijnd omdat haar opeenvolgende verklaringen tegenstrijdigheden bevatten; - bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) verklaarde verzoekster dat zij in de periode april- december verbleef bij haar ouders in Bishek, zij kreeg ook daar telefonische bedreigingen; bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (CGVS) verklaarde ze pas twee weken vóór haar vertrek te hebben gependeld tussen haar eigen huis en dat van haar ouders, en slechts de laatste twee à drie dagen bij haar ouders te hebben verbleven; - bij de DVZ verklaarde verzoekster dat zij na haar eerste contact met de politie op 6 april 2000 regelmatig dreigtelefoons ontving waarbij ze aan de andere kant van de lijn stilte hoorde; bij het CGVS verklaarde ze reeds op 6 april 2000 een dreigtelefoon te hebben ontvangen van de ROVD; - de door verzoekster neergelegde documenten kunnen bovenstaande vaststellingen niet wijzigen gezien deze enkel persoonsgegevens betreffen die niet in twijfel worden getrokken; Overwegende dat verzoekster deze tegenstrijdigheden niet betwist of poogt te weerleggen; dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met de door verzoekster ingeroepen bepalingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwe- gingen bevat die eraan ten grondslag liggen, en die juist en pertinent zijn; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende XIV-3131-4/5 bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-3131-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.842 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.