id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.845 Rolnummer: A. 137575/XIV-15411 Zaak: Arrest 138845 - - 23/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-12 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 17:16 Fiche Arrest nr 138.845 van 23 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.845 van 23 december 2004 in de zaak A. 137.575/XIV-15.
- In zake : XXX, (verkeerdelijk geregistreerd als XXX) die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN PRAET, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, (verkeerdelijk geregistreerd als XXX), van Iraanse nationaliteit, op 4 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-15.411-1/6 Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DUYCK, die loco advocaat B. VAN PRAET verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 december 2002 en zich op 18 december 2002 vluchteling verklaart; dat op 22 januari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Teheran. U zou in de 11de maand van het jaar 1375 (volgens de Iraanse kalender; komt overeen met januari/februari 1997) uw studies aan de vrije universiteit van Saveh aangevangen hebben. U zou tijdens uw studentenjaren deelgenomen hebben aan verschillende manifestaties. Als lid van ‘Kanoun Daneshdjou Yane Azadikhan Daneshgah’ (‘centrum voor studenten voor de vrijheid’) zou u ook een manifestatie georganiseerd hebben waardoor u nadien samen met uw vriendin, XXX, en nog andere gesanctioneerd werd en één maand de lessen niet mocht bijwonen. Op 23/04/1378 (14 juli 1999) zou u tijdens een herdenkingsmanifestatie door de Gorouhé Feshar (anti-oproer eenheid) zijn aangehouden. Zij zouden enkel uw gegevens uw studentenkaart overgemaakt hebben aan de universiteit. In de vijfde maand van het jaar 1380 (juli/augustus 2001) zou u afgestudeerd zijn. Vanaf de achtste maand van het jaar 1381 (oktober/november 2002) zou u samen met XXX pamfletten, waarin studentenmanifestaties aangekondigd werden, hebben uitgedeeld. Deze vriendin, van wie u de pamfletten kreeg, zou tot een studentenbeweging behoren. Op 29/08/1381 (20 november 2002) tijdens een manifestatie voor de vrijlating van Mr. Aghadjari zou u door de Gorouhé Feshar opgepakt en meegenomen zijn naar het politiebureau omdat u pamfletten aan het uitdelen was. Diezelfde avond zou u door bemiddeling van kolonel Hedayat Sadjadi van de Niroye Entezami, de schoonbroer van uw oom, vrijgelaten zijn. U zou een document hebben ondertekend waarin staat dat u niet meer mag deelnemen aan manifestaties. Als borg zou er een eigendomsakte zijn afgegeven en u zou later nog voor de rechtbank moeten verschijnen. Na uw vrijlating zou u bij uw tante, XXX, te Shahriar ingetrokken zijn. Na 01/09/1381 (22 november 2002) zou uw vader opgepakt zijn omwille van het feit dt hij over een satellietantenne beschikt. Hij zou gedurende drie dagen vastgehouden zijn. Er zou hem ook gevraagd zijn naar uw verblijfplaats. Er zou een convocatie van de rechtbank voor u aangekomen zijn maar u zou zich nooit bij de Revolutionaire rechtbank gemeld hebben. Op 26 of 27/09/1381 (17 of 18 december 2002) zou u met een vals Iraans paspoort een vlucht naar Brussel genomen hebben. Op 18 december 2002 heeft u in België asiel aangevraagd. B. Motivering XIV-15.411-2/6 Er dient te worden opgemerkt dat aan uw relaas geen geloof kan worden gehecht en wel om de volgende reden. Zo verklaart u dat u op 29/08/1381 (20 november 2002) tijdens de manifestatie voor de vrijlating van Mr. Aghadjari door de Gorouhé Feshar in Teheran gearresteerd werd (gehoorverslag Dringend Beroep (DB), p 7 en 8). Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd blijkt echter dat er tijdens de demonstraties in Teheran nav de situatie van Mr. Aghadjari geen mensen werden gearresteerd. Enige uitzondering was de arrestatie van vier studentenleiders die later vrijgelaten werden na het ondertekenen van een verklaring. Verder legt u tijdens het gehoor in Dringend Beroep tegenstrijdige verklaringen af omtrent de convocaties van de rechtbank. Eerst beweert u dat u hier in België van uw tante vernomen heeft dat er een nieuwe convocatie voor u is toegekomen (gehoorverslag DB, p 3), terwijl u daarna, tijdens hetzelfde gehoor, verklaart dat u niet weet of er nieuwe convocaties voor u zijn aangekomen (gehoorverslag DB, p 4). Daarnaast, zo stelt u, heeft u van uw tante vernomen dat uw vriendin gearresteerd is waaruit uzelf concludeert dat zij u wel zal verklikt hebben bij de Iraanse politiediensten (gehoorverslag DB, p 7). Deze redenering valt echter niet te rijmen met uw eerdere verklaring dat u al eens gearresteerd werd en dat de autoriteiten u bijgevolg al kennen. Bovendien is het ten zeerste opmerkelijk dat u niet weet tot welke studentenbeweging uw vriendin behoort terwijl u al sinds uw studentenjaren met haar actief was tijdens manifestaties en uw verklaart dat uw probleem voortvloeit uit het feit dat u met haar bevriend bent (gehoorverslag DB, p 5 en 6). Bovenstaande opmerkingen doen verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw relaas. Vervolgens kan u geen enkel begin van bewijs voorleggen in verband met uw arrestatie, vrijlating of borg en/of convocatie van de Revolutionaire rechtbank. Dit terwijl u wel een convocatie van het comité voorlegt doch geen enkel bewijsstuk in verband met uw convocatie van de Revolutionaire rechtbank die de kern uitmaakt van uw relaas (gehoorverslag DB, p 3 en 4). De door u voorgelegde documenten, namelijk twee schorsingen uitgevaardigd door het ‘comité disciplinaire’ van de vrije universiteit van Saveh, tonen wel aan dat u tijdens uw studentenjaren twee keer gedurende een welbepaalde periode geen lessen mocht bijwonen maar uit deze documenten kan er niet afgeleid worden om welke reden deze sanctie u werd opgelegd. Bovendien vermogen deze documenten, gezien bovenstaande opmerkingen met betrekking tot de geloofwaardigheid van uw relaas, niet de appreciatie van uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Daarnaast verschaffen uw shenesnameh (identiteitskaart) en uw diploma wel enige informatie omtrent uw identiteit, maar voegen geen nieuwe elementen aan uw asielaanvraag toe. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel machtsafwending opwerpt; dat zij aanvoert dat uit haar relaas duidelijk blijkt dat zij omwille van vreedzame politieke acties systematisch wordt vervolgd, dat er machtsafwending is doordat de verwerende partij de asielprocedure gebruikt om de immigratiestromen te beperken en niet om gerechtvaardigde asielaanvragen te onderzoeken en te beoordelen, dat haast alle persberichten van de verwerende partij verwijzen naar de aantallen ingekomen en verwerkte aanvragen en niet naar het inhoudelijke werk; 2.1.
- Overwegende dat van machtsafwending enkel sprake is wanneer een ongeoorloofd doel het enige oogmerk van een administratieve rechtshandeling; dat de verzoekende partij zulks niet aannemelijk maakt met de algemene opmerking dat de XIV-15.411-3/6 verwerende partij herhaaldelijk statistieken betreffende het aantal verwerkte aanvragen bekendmaakt; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan de motieven van de bestreden beslissing; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel machtsoverschrijding en de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat zij aanvoert dat haar terugleiding naar Iran zeer ernstige gevolgen voor haar fysieke en psychische integriteit zou hebben omdat zij er opnieuw zou blootstaan aan arrestatie, opsluiting en vervolging omwille van haar vreedzamen politieke activiteiten, dat de verwerende partij hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden, dat de verwerende partij aldus haar appreciatiebevoegdheid heeft overschreden en dat de bestreden beslissing aldus onvoldoende is gemotiveerd; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij uitsluitend argumenten inbrengt tegen de uitspraak van de verwerende partij met betrekking tot haar terugleiding; dat de uitspraak van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met de terugleiding slechts een advies uitmaakt dat niet bindend is; dat dit onderdeel van de bestreden beslissing bijgevolg niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het tweede middel onontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat zij aanvoert dat de zogenaamde ongeloofwaardige verklaringen, tegenstrijdigheden e.d. foutief zijn vastgelegd en perfect kunnen worden weerlegd, dat de verzoekende partij op de door haar genoemde demonstraties wel degelijk samen met een aantal andere studenten werd opgepakt en dezelfde avond na borgstelling door een familielid werd vrijgelaten, dat de waarachtigheid van het relaas ook blijkt uit de convocatie die zij inmiddels kan voorleggen, dat de verzoekende partij gedurende haar verhoor enkel heeft gesteld dat zij niet weet of er na die (tweede) convocatie nog andere convocaties zijn gekomen, dat de verzoekende partij lid was van dezelfde studentenbeweging als haar vriendin XXX, het KDA, en enkel heeft gezegd dat zij niet wist bij welke politieke beweging deze XXX actief was omdat die daar nooit verder op is willen ingaan, dat de verzoekende partij niet de mogelijkheid heeft gekregen om deze punten nader toe te lichten en dat de verzoekende partij daaromtrent stukken neerlegt; 2.3.
- Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep XIV-15.411-4/6 is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat bij de beoordeling van de motivering van de bestreden beslissing geen rekening kan worden gehouden met stukken waarvan de verwerende partij bij het nemen van die beslissing geen kennis had en die pas nadien zijn neergelegd; dat de tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, blijken voor te komen in de verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij niet ernstig kan voorhouden dat haar de mogelijkheid had moeten worden gegeven om nadere toelichting of uitleg te geven, nu zij zowel op de dienst Vreemdelingenzaken als het commissariaat-generaal werd gehoord en zij ook in het dringend beroep de feiten nader had kunnen uiteenzetten; dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element van die motivering de bestreden beslissing op zichzelf kan dragen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.411-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.411-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.