← België

Arrest 138880 - - 24/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.880 Rolnummer: A. 136811/X-11416 Zaak: Arrest 138880 - - 24/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-28 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 17:22 Fiche Arrest nr 138.880 van 24 december 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.880 van 24 december 2004 in de zaak A. 136.811/X-11.

  1. In zake : Pascal CANNAERT, die woonplaats kiest bij Advocaat L. OCKIER, kantoor houdende te 8510 KORTRIJK, Pieter Breughelstraat 25 tegen : de stad MENEN, die woonplaats kiest bij Advocaat I. LIETAER, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Rooseveltplein 1 tussenkomende partij : de v.z.w. HEILIG HART ZIEKENHUIS, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pascal CANNAERT op 16 mei 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 14 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen waarbij aan de v.z.w. HEILIG HART ZIEKENHUIS de stedenbouw- kundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een verloskwartier op een bestaand gebouw en het plaatsen van een luifel op een perceel gelegen te Menen, Rijselstraat 71-73, kadastraal bekend Sectie E, nr. 931k; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-11.416-1/4 Gelet op de beschikking van 4 september 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2003; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ROTSAERT, die loco Advocaat L. OCKIER verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. LIETAER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat C. GYSEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de v.z.w. HEILIG HART ZIEKENHUIS met een verzoekschrift van 6 juni 2003 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende, met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van de vordering, dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden diende betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad; dat het evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij mag liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; dat het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer X-11.416-2/4 én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, meebrengen dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden wordt om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de vage opmerking dat zij slechts "geruime tijd na de beslissing" kennis heeft gekregen van de bestreden beslissing, zonder dit op enige wijze te concretiseren; dat haar raadsman ter terechtzitting slechts stelt dat de verzoekende partij "op een bepaald ogenblik" heeft vernomen dat de kwestieuze vergunning was verleend; dat dit des te meer klemt nu de verzoekende partij in haar feitelijke uiteenzetting zelf het volgende stelt : "Verzoeker heeft, nadat hij kennis had van het bestaan van de hier bestreden bouwvergunning, overigens nog contact opgenomen met de vergunninghouder in een poging om de werken anders te laten uitvoeren of om ervan af te zien en om de uitbreiding te voorzien op een van de andere locaties die het ziekenhuis in eigendom heeft."; dat de verzoekende partij stelt dat zij al meerdere jaren in contact stond met de directie van de tussenkomende partij; dat de verzoekende partij in die concrete omstandigheden niet aantoont wanneer zij kennis heeft gekregen van de bestreden beslissing, noch aantoont dat zij binnen een redelijke termijn gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om kennis te nemen van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning; dat de verzoekende partij die mogelijkheid zeker had en dat verwacht kan worden dat zij zich tot het gemeentebestuur heeft gewend nu zij zelf ook nog stelt dat zij een antwoord verwachtte op de bezwaren die zij had ingediend; dat op grond van dit alles dient te worden aangenomen dat de verzoekende partij meer dan zestig dagen vóór het instellen van het beroep kennis had of had kunnen hebben van de bestreden beslissing; dat de vordering tot schorsing laattijdig is ingesteld, BESLUIT: Artikel
  3. X-11.416-3/4 Het verzoek tot tussenkomst van de v.z.w. HEILIG HART ZIEKENHUIS in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  4. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig december 2004, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. C. ADAMS. X-11.416-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.880 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.