← België

Arrest 138882 - - 24/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.882 Rolnummer: A. 158517/VII-33950 Zaak: Arrest 138882 - - 24/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 17:22 Fiche Arrest nr 138.882 van 24 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.882 van 24 december 2004 in de zaak A. 158.517/XIV-21.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij: Advocaat J. BERTEN, kantoor houdende te 4430 ANS rue Walthère Jamar 105 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 22 december 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 december 2004, tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2004 houdende weigering van verblijf; Gelet op de beschikking van 22 december 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 22 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 december 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BERTEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché F. VEREECKEN, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-21.408-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij op 20 januari 2000 uit XXX is gevlucht en zich op 8 februari 2000 een eerste maal vluchteling heeft verklaard in België; dat die asielaanvraag op 28 februari 2003 definitief is verworpen door de Vaste Beroepscommis- sie voor de Vluchtelingen; Overwegende dat de verzoekende partij op 26 november 2003 een tweede asielaanvraag indient; dat op 9 april 2004 de minister van Binnenlandse zaken beslist tot weigering van verblijf; dat op 17 december 2004 de commissaris-generaal deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U, die van K. origine bent en afkomstig van N., verklaart een XXX staatsburger te zijn. Sinds 1993 zou u sympathisant zijn van de K. “P.”. U zou vanwege uw steun aan de “P.” vervolgd zijn geweest door de XXX autoriteiten. Tevens zou u geviseerd zijn door uw autoriteiten vanwege het ontduiken van uw dienstplicht. Op 20 januari 2000 ontvluchtte u XXX en op 8 februari 2000 vroeg u in België asiel aan. Op 28 februari 2003 nam het Commissariaat-generaal (CGVS) een beslissing inzake uw asielaanvraag en werd u de hoedanigheid van vluchteling geweigerd. Op 2 september 2003 bevestigde de Vaste Beroepscommissie deze beslissing. Op 26 november 2004 diende u een tweede asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties en verklaarde u nooit te zijn teruggekeerd naar uw land van herkomst. U steunt uw tweede asielaanvraag op een arrestatiebevel dat tegen u zou zijn uitgevaardigd vanwege een veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 9 maanden op beschuldiging van hulp en collaboratie mat de terroristische organisatie “P.”. U zou dit arrestatiebevel van uw broer uit XXX hebben ontvangen die het op zijn beurt van een advocaat zou hebben bekomen. U zou telefonisch van uw broer vernomen hebben dat de XXX autoriteiten in augustus 2004 uw vader en broer voor 48 uur in voorhechtenis zouden hebben genomen voor ondervraging omtrent uw schuil- plaats. Ze zouden gedurende hun opsluiting zijn geslagen. U verklaart uit vrees voor arrestatie en detentie door de XXX autoriteiten op beschuldiging van collaboratie met de “P.” niet meer te kunnen terugkeren naar uw land van herkomst. B. Motivering Vooreerst dient opgemerkt dat uw eerste asielaanvraag, gesteund op uw ingeroepen vervolgingsproblemen met de XXX autoriteiten vanwege uw vermeende steun voor de “P.” en uw dienstplichtontduiking, door het CGVS en de Vaste Beroepscommissie ongeloofwaardig en ongegrond is bevonden. Omtrent uw voorgelegde arrestatiebevel ("Y.") ter staving van uw tweede asielaanvraag dient aangestipt dat uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier is toegevoegd blijkt dat het motief van de veroordeling niet in een dergelijk document wordt vermeld, dit terwijl in uw neergelegd document het motief wel vermeld staat, namelijk "hulp en collaboratie met de terroristische organisatie P.”, Ook blijkt uit diezelfde informatie waarover het CGVS beschikt dat het een intern document betreft dat niet op een legale wijze wordt vrijgegeven. Uw verklaring als zou uw broer dit document via een advocaat hebben ontvangen is bijgevolg ongeloofwaardig (zie gehoorverslag CGVS, p. 6 bis). Uit bovengaande vaststellingen rijzen er twijfels over de authenticiteit van het door u voorgelegde arrestatiebevel en kan er bijgevolg geen verder geloof worden gehecht aan uw asielrelaas. C. Conclusie XIV-21.408-2/5 Op basis van de elementen uit uw dossier. bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke, integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993 : artikel 17, par. 2, al.2.).”. 2.
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  6. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 21 van het K.B. van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen in de procedure die dienen gevolgd te worden door de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij haar asielaanvraag in het Frans heeft ingediend, dat haar nooit een beslissing van behandeling van haar aanvraag in het Nederlands is betekend, dat de verzoekende partij zich gedurende de verhoren steeds in het Frans heeft uitgedrukt en dat artikel 21 van het K.B. van 11 juli 2003 de mogelijkheid voor de kandidaat-vluchteling voorziet om een tolk te weigeren; 2.1.
  7. Overwegende dat uit stuk 218 van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op 2 december 2004 een verklaring heeft ondertekend waarmee zij bijstand van een XXX tolk vroeg en erkende erover ingelicht te zijn dat haar asielaanvraag in het Nederlands zou worden behandeld; dat de verzoekende partij het in het Nederlands opgestelde verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken samen met de vertaler zonder enig voorbehoud heeft ondertekend; dat de verzoekende partij bij het verhoor op het commissariaat-generaal evenmin enig voorbehoud heeft geformuleerd; dat het eerste middel prima facie feitelijke grondslag mist en derhalve niet ernstig is; XIV-21.408-3/5 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van het beginsel van onpartijdigheid en objectiviteit van de rechter; dat zij aanvoert dat de juriste bij het verhoor op het commissariaat-generaal een hoofddoek droeg, dat dit de uiting vormt van een bepaalde politieke en religieuze overtuiging en dat de onpartijdigheid van de rechter ernstig in twijfel kan worden getrokken, temeer daar de juriste een andere islamiet moet beoordelen die niet noodzakelijk haar radicale en fundamentalistische opvattingen deelt; 2.2.
  9. Overwegende dat, in de veronderstelling dat de betrokken juriste inderdaad een hoofddoek droeg, de verzoekende partij blijkens het verhoorverslag van het commissariaat-generaal daaromtrent geen enkele opmerking heeft gemaakt; dat het bovendien gaat om een ambtenaar op een dienst van actief bestuur en niet om een magistraat noch om een rechtscollege; dat de verzoekende partij prima facie geen belang kan doen gelden bij het tweede middel, dat derhalve niet ernstig is; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending opwerpt van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoert dat de vaststellingen van de commissaris-generaal betreffende het door de verzoekende partij bijgebrachte document over haar veroordeling, als zou dat stuk niet behoorlijk zijn betekend en slechts een intern document zijn, niet volstaan voor de verwerping van de asielaanvraag in de ontvankelijkheidsfase, dat de commissaris-generaal nadere inlichtingen bij de XXX raadsman van de verzoekende partij had kunnen opvragen en dat de informatie van de commissaris-generaal niet tegensprekelijk is noch volstaat om tot de bestreden beslissing te komen; 2.3.
  11. Overwegende dat de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen prima facie betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiverings- plicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-21.408-4/5 Overwegende dat de verzoekende partij zich prima facie beperkt tot de bevestiging van haar eigen standpunt op grond van het door haar bijgebrachte document; dat zij niet in concreto aantoont dat de vaststellingen dienaangaande van de commissaris-generaal onjuist zouden zijn noch nadere concrete gegevens bijbrengt die kunnen wijzen op de geloofwaardigheid van het kwestieuze document; dat de verzoekende partij geen bepaling aanduidt waaruit kan blijken dat de commissaris-generaal ertoe is gehouden zijn vaststelling- en aan een tegensprekelijk debat te onderwerpen; dat de verzoekende partij prima facie niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk is; dat het derde middel niet ernstig is;
  12. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig december tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-21.408-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.882 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.