id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.892 Rolnummer: A. 145962/XIV-18243 Zaak: Arrest 138892 - - 29/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-07 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 17:25 Fiche Arrest nr 138.892 van 29 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.892 van 29 december 2004 in de zaak A. 145.962/XIV-18.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 oktober 1982 en van beweerde Soedanese nationaliteit, op 29 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 augustus 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-18.243-1/6 Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 13 juni 2003 en verklaart zich vluchteling op 16 juni
- 1.
- Op 2 juli 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U stelde de Soedanese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Jeba North in de stad Opanai (in het noorden van Soedan). U bent Engelstalig. Op tweejarige leeftijd werd u door uw moeder meegenomen naar Nigeria waar u woonde in de stad Beni (het noorden van Nigeria). In juni 2002 keerde u, op vraag van uw vader, terug naar uw geboorteplaats Jeba North in Soedan. Kort na uw terugkeer werd u verliefd op Philip Kelly, een christen waardoor u ook interesse kreeg voor deze religie. Omwille van uw relatie met deze man kreeg u enerzijds problemen met uw familie en anderzijds met de "Dinka"-mensen, een moslimgroepering die verantwoordelijk is voor het doden van de mensen die de moslimwetten niet naleven. Beiden wilden dat u uw relatie met uw vriend zou stopzetten. U werd tevens met de dood bedreigd indien u hieraan geen gevolg wou geven. U weigerde echter uw relatie te beëindigen en in november 2002 werd u zwanger. Op 10 juni 2003 kwamen enkele mensen van de "Dinka"- groepering bij u thuis. Uw vader verstopte u vervolgens onder een bed en sloot het huis zodat ze niet binnen konden. Hierna trok hij naar het huis van uw vriend om hem te waarschuwen. De Dinka's waren echter ook naar het huis van de familie K. getrokken waar ze eerst uw vader stenigden en vervolgens het huis van uw vriend vernielden en nog drie andere familieleden van uw vriend vermoordden. Uw vriend was echter kunnen ontsnappen en kwam u halen. Samen trokken jullie naar het huis van zijn oom, die eveneens in Jeba North woonde. De volgende dag werd uw vriend meegenomen door de Dinka's uit het huis van zijn oom. U was veilig aangezien XIV-18.243-2/6 ze niet wisten dat u zich ook in het huis bevond. De oom van uw vriend beloofde vervolgens uw vlucht uit het land te regelen. Op 12 juni 2003 verliet u Soedan via de luchthaven van Jeba North. Op 13 juni 2003 kwam u in België aan waar u op 16 juni 2003 asiel aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Op 4 juli 2003 werd in België uw dochter Destiny geboren. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u voor het Commissariaat-generaal (hierna CGVS) in het geheel niet aannemelijk maakt van Soedan afkomstig te zijn. Uw algemene kennis over het land en de stad, waarvan u beweert afkomstig te zijn, bleek tijdens het gehoor in dringend beroep uiterst gebrekkig te zijn. Zo kan u tijdens het gehoor in dringend beroep niet aangeven tot welke stam u behoort, alhoewel dit een essentieel element vormt van de identiteit (zie gehoor CGVS p. 1). U kan ook geen enkel dorp of stad in de omgeving van uw woonplaats te Jeba North (Saint Jebba North) in Opanai noemen. Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij uw administratief dossier werd gevoegd, blijkt bovendien dat noch Opanai, noch Jeba of Jebba terug te vinden is op kaarten van Soedan. Daarenboven blijkt uit diezelfde informatie dat in Nigeria wel een stad "Jebba" bestaat. U stelt verder dat er rivieren stromen in de omgeving waar u beweerde te hebben gewoond, maar de namen stelt u niet te kennen. Met uitzondering van Khartoum, kan u geen enkele Soedanese stad, dorp of rivier bij naam noemen. U kan ook geen buurlanden van Soedan geven. U weet de verschillende waarden van de in Soedan in omloop zijnde Dinar-bankbiljetten niet correct weer te geven (zie gehoor CGVS p.6 & 7). U kan ook geen Soedanese etnieën benoemen. Met uitzondering van het Engels en het Arabisch, kan u geen enkele in Soedan gesproken taal noemen. U verklaart niet te weten wie 'Omar Hassan Al Bashir' is, hoewel hij de huidige Soedanese president is, en beweert foutief dat 'Hassan Mohammed' de huidige Soedanese president is. U kan ook geen enkele politieke partij uit Soedan opgeven. Wanneer u tijdens het gehoor in dringend beroep gevraagd wordt naar de problemen die zich in uw land afspelen, moet u hierop een antwoord schuldig blijven. U kan niet verklaren waarvoor het letterwoord 'SPLA' of 'SPLM' staat en u heeft er geen enkel idee van wie 'John Garang' is (zie gehoor CGVS p. 12). U verwijst naar Dinka als zijnde een moslimgroepering bestaande uit mensen die die mensen doden die iets hebben gedaan dat indruist tegen de moslimwetten (zie gehoor CGVS p.2b). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij uw administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat de Dinka een overwegend animistische bevolkingsgroep is en allesbehalve een moslimgroepering. Bovendien blijkt uit diezelfde informatie dat de Dinka in één adem genoemd worden met SPLA, een rebellenleger uit het zuiden van Soedan en dat heeft in het geheel geen linken met de Soedanese autoriteiten in tegenstelling tot wat u beweerde. Het feit dat u verklaarde dat u vanaf uw twee jaar in Nigeria bent opgegroeid en slechts één jaar vóór uw vlucht bent teruggekeerd naar Soedan, kan geen afdoende verklaring bieden voor uw uiterst rudimentaire kennis over uw regio en land van herkomst aangezien de algemene vragen die u voor het Commissariaat-generaal in dringend beroep werden gesteld betrekking hebben op de dagdagelijkse realiteit in Soedan. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat u gepoogd heeft de Belgische autoriteiten te misleiden door uw ware afkomst te verbergen. Bijgevolg kan geen geloof meer worden gehecht aan de door u ingeroepen asielmotieven. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig identiteits- of reisdocument dat de controle van uw identiteit of reisweg mogelijk maakt. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van het redelijkheids - en het zorgvuldigheidsbeginsel, de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); XIV-18.243-3/6 2.
- Overwegende dat verzoekster niet aantoont hoe en waarom de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet werden geschonden; dat hetzelfde geldt voor de beweerde schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, zodat dit onderdeel van het enig middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekster niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat zij bijgevolg de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht, zodat het enig middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- voegdheid tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten, omdat zij: “voor het Commissariaat-generaal (...) in het geheel niet aannemelijk maakt van Soedan afkomstig te zijn. Uw (haar) algemene kennis over het land en de stad, waarvan u (zij) beweert afkomstig te zijn, bleek tijdens het gehoor in dringend beroep uiterst gebrekkig te zijn.”; dat de Commissaris-generaal tot dit besluit komt omdat verzoekster het (correcte) antwoord diende schuldig te blijven op vragen over de stam waartoe zij behoort, over de namen van dorpen of steden in de omgeving van haar woonplaats te Jeba North in Opanai (niet terug te vinden op de kaart van Soedan), over de namen van rivieren en buurlanden, en over bankbiljetten en Soedanese etnieën; dat de Commissaris-generaal verder vaststelt dat zij geen enkele in Soedan gesproken taal kan noemen, buiten het Engels en het Arabisch, en dat zij geen (correct) antwoord kent op vragen over de politieke situatie in Soedan en de problemen die zich in het land afspelen; dat hij bovendien opmerkt dat uit de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat de “Dinka”, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, geen moslimgroepering zijn en dat het SPLA geen banden heeft met de Soedanese autoriteiten; dat de Commissaris-generaal besluit dat : “Het feit dat u verklaarde dat u vanaf uw twee jaar in Nigeria bent opgegroeid en slechts één jaar vóór uw vlucht bent teruggekeerd naar Soedan, kan geen afdoende verklaring bieden voor uw uiterst rudimentaire kennis over uw regio en land van herkomst aangezien de algemene vragen die u voor het Commissariaat-generaal in dringend beroep werden gesteld betrekking hebben op de dagdagelijkse realiteit in Soedan. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat u gepoogd heeft de Belgische autoriteiten te misleiden door uw ware afkomst te verbergen. Bijgevolg kan geen geloof meer worden gehecht aan de door u ingeroepen asielmotieven.”; Overwegende dat verzoekster de voornoemde motieven niet weerlegt, maar een verklaring tracht te geven voor haar gebrek aan kennis; dat zij aanvoert dat zij niet weet tot welke stam zij behoort, omdat dit haar tijdens haar verblijf in Nigeria niet duidelijk is gemaakt; dat zij haar gebrek aan geografische kennis toeschrijft aan haar jarenlange afwezigheid en aan het feit dat zij haar dorp niet verliet; dat zij eveneens aanvoert dat zij niet XIV-18.243-4/6 buiten kwam wegens moeilijkheden met de Dinka, zodat zij de bankbiljetten niet kent en geen Soedanese etnieën kan opsommen; dat zij ook haar onwetendheid van de politieke situatie in Soedan wijt aan haar geïsoleerde bestaan; dat zij ten slotte van mening is dat de vragen van de Commissaris-generaal een grondige geografische en politieke kennis veronderstellen; dat de Commissaris-generaal in het kader van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag evenwel een aantal elementaire vragen stelt om de juistheid van haar vluchtverhaal te achterhalen; dat een onderzoek naar verzoeksters kennis van haar dorp en haar land van herkomst onontbeerlijk is om het waarheidsgehalte van haar beweringen omtrent haar nationaliteit en herkomst te achterhalen, aangezien documenten ontbreken die hierover uitsluitsel kunnen verschaffen; dat de kennisvragen die aan verzoekster werden gesteld betrekking hadden op de dagdagelijkse realiteit, en/of dermate evident en eenvoudig waren dat zij in staat mocht worden geacht ze correct te beantwoorden, indien zij werkelijk uit Soedan afkomstig was, zelfs al verbleef ze er maar één jaar; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster meestal het (juiste) antwoord schuldig bleef op de gestelde vragen zodat de Commissaris-generaal terecht dit motief kon weerhouden om te besluiten tot de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag; dat de argumentatie van verzoekster omtrent haar geïsoleerde bestaan en haar jarenlange afwezigheid hieraan geen afbreuk doet; dat laatstgenoemde argumenten overigens niet verklaren waarom zij onjuiste informatie verstrekt over de “Dinka”, met wie zij wel in aanraking kwam en waarmee ze problemen had, die behoren tot de kern van haar asielrelaas; Overwegende dat verzoekster ten slotte aanvoert dat het feit “dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, (...) een schending uit(maakt) van de boven vermelde wetsartikelen”; dat een dergelijk motief niet is terug te vinden in de bestreden beslissing, zodat dit argument van verzoekster een stijlformule is, die in bijna alle verzoekschriften ingediend door Advocaat F. LANDUYT voorkomt; dat een dergelijk argument geen ontvankelijk onderdeel van een middel uitmaakt omdat dit motief berust op een foutieve lezing van de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat zij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; dat het enig middel, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot XIV-18.243-5/6 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-18.243-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.892 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.