← België

Arrest 138894 - - 29/12/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.894 Rolnummer: A. 145335/XIV-18017 Zaak: Arrest 138894 - - 29/12/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 17:25 Fiche Arrest nr 138.894 van 29 december 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.894 van 29 december 2004 in de zaak A. 145.335/XIV-18.017. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 juli 1972 en van Syrische afkomst, op 25 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2004 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-18.017-1/7 Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij en gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 19 december 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 7 januari 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 28 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U zou van Koerdische origine zijn en afkomstig zijn van Swediye, Syrië. U zou niet beschikken over de Syrische nationaliteit, maar geregistreerd zijn bij de Syrische autoriteiten als “vreemdeling”. In februari 2001 zou u lid zijn geworden van de “Partiya Yekiti Kurd li Sur”. U zou sindsdien voor de partij de twee partijkranten en pamfletten hebben verspreid. Op 16 november 2002 zou de Ba'thpartij de verjaardag van het aan de macht komen van Bashar al- 'Assad hebben gevierd. In uw dorp zou onder andere de verantwoordelijke van Ba'th in uw dorp, XXX, een toespraak hebben gegeven. Hierna zou hij de dorpelingen de kans hebben gegeven iets te zeggen. U zou hebben gezegd dat u Koerd bent en geen nationaliteit heeft en dat u niet kan studeren. Daarop zou hij hebben gerepliceerd dat u een gevaar was voor de staatsveiligheid en zou hij u fysiek hebben aangevallen. U zou zich hebben verdedigd. Nadat de dorpelingen tussen beide(

  1. n)kwamen, zou u naar uw zus in Gerasor zijn gevlucht. Hammo zou de Mukhabbarat hebben opgebeld. Diezelfde avond zouden de Mukhabbarat uw huis hebben doorzocht. Daarbij zouden ze exemplaren van de partijkranten hebben gevonden. U zou vervolgens naar Derik zijn gevlucht. Op 25 november 2002 zou u naar Aleppo zijn gegaan vanwaaruit u op 29 november 2002 Syrië zou hebben verlaten. Op 19 december 2002 zou u in België zijn aangekomen en diezelfde dag vroeg u hier asiel aan. B. Motivering XIV-18.017-2/7 Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd waardoor de oprechtheid van uw asielaanvraag ernstig in twijfel kan worden getrokken. Zo verklaart u tijdens uw gehoor in dringend beroep dat u naast het verspreiden van publicaties, geen andere activiteiten had voor de partij (CG p.8). In uw verzoekschrift dringend beroep verklaarde u echter dat u ook als taak had met de mensen te gaan praten over de partij, hun doelstellingen, en hun geschiedenis (verzoekschrift p.2). Het is ook uiterst bevreemdend dat u in dringend beroep geen enkele melding maakt van problemen met de Syrische autoriteiten vóór 16 november 2002. In uw verzoekschrift dringend beroep verklaarde u immers reeds meermaals te zijn geconvoceerd voor ondervraging. Toen u lid zou zijn geworden, zou u nog vaker zijn opgeroepen. U verklaart zelfs dat ze wachtten op een verkeerde stap om u te kunnen arresteren (verzoekschrift p.7). Ook tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u niets gezegd over deze ondervragingen. Daarnaast verklaart u in dringend beroep dat u uw schriftelijke aanvraag om lid te worden van Yekiti, aan uw celverantwoordelijke, Salah, heeft afgegeven (CG p.8). In uw verzoekschrift verklaarde u in strijd hiermee dat u deze brief aan de verantwoordelijke van het regionaal committee, Abu Kawa, had gegeven (verzoekschrift p.1). Bijgevolg kan ernstig getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Verder moet worden opgemerkt dat u zeer vaag blijft over de inhoud van de pamfletten en partijkranten die u zou hebben verspreid en gelezen. Zo kan u slechts één voorbeeld geven van de inhoud van de pamfletten die u heeft verspreid, namelijk over de opvolging van Hafez al- 'Assad door Bashar al-'Assad. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze opvolging dateert uit 2000 en dus uit de periode dat u zelf nog geen pamfletten verspreidde. Meer recentere pamfletten kan u zich niet herinneren (CG p. 10B). Over de krant "Yekiti" kan u wel zeggen dat daarin nieuwe gebeurtenissen zoals manifestaties of beslissingen van de partij worden behandelt, maar u kan hier geen concrete voorbeelden van geven. De enige concrete voorbeelden die u kan geven is de verkiezing van de secretaris-generaal van de partij in 2000 en een decreet van het ministerie van binnenlandse zaken over verloren identiteitsdocumenten van Koerden (CG p.9-10). Het feit dat u zo weinig kan zeggen over de inhoud doet twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van uw politiek activisme. Bovenstaande vaststellingen laten niet toe geloof te hechten aan uw vluchtrelaas. Bovendien moet worden vastgesteld dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie aan het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat u reeds een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland. Tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u echter, in strijd hiermee, verklaard dat u niet eerder in een ander land een verzoek om erkenning als vluchteling heeft ingediend (DVZ vraag 16). Ook tijdens uw gehoor in dringend beroep heeft u geen (enkele) melding gemaakt van een eerdere asielaanvraag. Hieruit kan worden afgeleid dat u de Belgische autoriteiten bewust heeft pogen te misleiden. Gezien bovenstaande vaststellingen kan geen geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Het document dat u voorlegt ter ondersteuning van uw asielaanvraag, namelijk een fax van een attest van uw identiteit vanwege de mukhtar van uw dorp, is niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier wijzigt. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van het redelijkheids - en het zorgvuldigheidsbeginsel, de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.1. Overwegende dat verzoeker niet aantoont hoe en waarom de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet werden geschonden; dat hetzelfde geldt voor de XIV-18.017-3/7 beweerde schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, zodat dit onderdeel van het enig middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoeker niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit het middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat hij bijgevolg de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht, zodat het enig middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.2. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- voegdheid tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten; dat de bestreden beslissing is gebaseerd op de volgende pertinente en draagkrachtige motieven, die steun vinden in het administratief dossier en die samengevat als volgt luiden: - verzoeker heeft in de loop van zijn asielprocedure tegenstrijdige verklaringen afgelegd waardoor de oprechtheid van zijn asielaanvraag ernstig in twijfel kan worden getrokken. Deze verklaringen hebben betrekking op zijn activiteiten voor de partij, op het feit dat hij in dringend beroep en op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van ondervra- gingen door de Syrische autoriteiten vóór 16 november 2002 terwijl hij dat in zijn dringend beroepsschrift wél deed, en op de persoon aan wie hij zijn schriftelijke aanvraag gaf om lid te worden van de partij; - verzoeker blijft zeer vaag over de inhoud van de pamfletten en de partijkranten die hij zou hebben verspreid en gelezen. Dit doet twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van zijn politiek activisme; - uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en die bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat verzoeker reeds een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland, waarvan hij geen melding heeft gemaakt. Hieruit kan worden afgeleid dat hij de Belgische autoriteiten bewust heeft pogen te misleiden; Overwegende dat verzoeker vooreerst de tegenstrijdigheid omtrent zijn activiteiten voor de partij betwist; dat hij aanvoert dat hij in zijn verzoekschrift dringend beroep verklaarde dat hij als taak had met de mensen over de partij te “communiceren (gaan praten staat niet in de tekst)” en dat dit gebeurde via het verspreiden van pamfletten; dat uit het administratief dossier evenwel blijkt dat verzoeker in zijn dringend beroepsschrift verklaarde dat zijn taak erin bestond “de me (
  2. se)mêler aux gens et leur parler (...)”; dat verzoekers argumentatie derhalve feitelijke grondslag mist; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht dit motief kon weerhouden; dat verzoeker vervolgens aanvoert dat hij over de problemen van vóór 16 november 2002 niet gesproken heeft op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal, omdat het hem niet werd gevraagd, waarbij hij verwijst naar de nota’s van Advocaat LAMOOT, die zou XIV-18.017-4/7 aanwezig geweest zijn bij het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat het evenwel aan de kandidaat-vluchteling toekomt om, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die aan de basis liggen van zijn vlucht uit zijn land van herkomst weer te geven aan de overheden, die bevoegd zijn om kennis te nemen van zijn asielaan- vraag; dat aan verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken werd gevraagd uiteen te zetten wat zijn vluchtmotieven waren (zie opschrift vraag 42); dat verzoeker aldus de mogelijkheid had om zijn asielrelaas uitgebreid toe te lichten; dat hij redelijkerwijze kon melding maken van de problemen die hij had met de Syrische autoriteiten vóór november 2002 zowel op het Commissariaat-generaal als op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat wat de verwijzing naar de nota’s van Advocaat LAMOOT betreft, uit het administratief dossier blijkt dat Mr. VANDENBERGHE aanwezig was tijdens het interview; dat overigens aan de Commissaris-generaal geen kopie van nota’s werd overgemaakt, zodat hij er geen rekening kon mee houden bij het nemen van zijn beslissing; dat zij overigens evenmin werden gevoegd bij het inleidend verzoekschrift; dat verzoekers argument met betrekking tot de persoon aan wie hij zijn schriftelijke vraag gaf om lid te worden van Y. , feitelijke grondslag mist aangezien uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij ze aan “Salah” heeft gegeven, terwijl uit zijn dringend beroepsschrift blijkt dat het om “Abou Kawi”, “ (
  3. le)responsable de la région”, ging; dat verzoekers verwijzing naar de nota’s van Advocaat LAMOOT om eerder genoemde redenen irrelevant is; dat verzoeker zich met betrekking tot zijn vage kennis van de inhoud van de pamfletten en de partijkranten in zijn verzoekschrift beperkt tot het letterlijk overnemen van de motivering van de bestreden beslissing, waarbij hij zijn middel louter baseert op het ontkennen van de motieven, zonder een poging te ondernemen om deze te weerleggen; dat het louter ontkennen van de motieven geen middel inhoudt en de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantast; dat verzoeker ten slotte het motief betreffende zijn asielaanvraag in Nederland en het misleiden van de Belgische autoriteiten niet betwist; dat hij enkel aanvoert dat de Commissaris-generaal ten onrechte stelt dat hij mag worden teruggeleid naar de grenzen van het land dat hij is ontvlucht (namelijk Syrië); dat verzoeker voorhoudt dat hij in toepassing van artikel 11 van de Conventie van Dublin moet teruggeleid worden naar Nederland; dat artikel 11 van genoemde Conventie evenwel in casu niet dienstig kan worden aangevoerd daar het enkel de mogelijkheid geeft aan lidstaten om een verzoek tot overname van de behandeling van een asielverzoek in te dienen; dat verzoekers argument niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat verzoeker ten slotte aanvoert dat het feit “dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, (...) een schending uit(maakt) van de boven vermelde wetsartikelen”; dat een dergelijk motief niet is terug te vinden in de bestreden beslissing, zodat dit argument van verzoeker een stijlformule is, die in bijna alle verzoekschriften ingediend door Advocaat F. LANDUYT voorkomt; dat een dergelijk argument geen ontvankelijk onderdeel van een middel uitmaakt XIV-18.017-5/7 omdat dit motief berust op een foutieve lezing van de bestreden beslissing, lezing die haaks staat op verzoekschriften die met de nodige ernst worden ingediend bij de Raad van State; 2.3. Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat hij geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat het enig middel, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. XIV-18.017-6/7 De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-18.017-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.894 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.