← België

Arrest 138913 - - 03/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.913 Rolnummer: A. 102496/XIV-2943 Zaak: Arrest 138913 - - 03/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 05:49 Fiche Arrest nr 138.913 van 3 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.913 van 3 januari 2005 in de zaak A.102.496/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat I. SAELEN, kantoor houdende te 2900 SCHOTEN, Lodewijk de Weerdtstraat 1 tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 31 juli 1957 en XXX, geboren op 27 augustus 1961, beiden van XXX nationaliteit, op 9 januari 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 december 2000 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen respectievelijk ter kennis gebracht op 14 en op 15 december 2000; Gelet op de beschikking van 11 april 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; XIV-2943-1/10 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 december 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. SAELEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  7. De verzoekende partijen komen België binnen op 5 december 1999 en verklaren zich vluchteling op 7 december
  8. 1.
  9. Op 13 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  10. Op 5 december 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, een XXX staatsburger van R. origine, zou op 19 november 1999 samen met zijn echtgenote XXX (O.V. 4.907.039) en zijn twee kinderen K. en K. XXX verlaten hebben richting België. Betrokkene zou op 5 december 1999 in België aangekomen zijn waar hij twee dagen later het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig identiteitsdocument. Volgens betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 30 augustus 2000) zou hij XXX verlaten hebben omdat hij er problemen had omwille van zijn R. afkomst. Betrokkenes persoonlijke problemen zouden begonnen zijn op 8 maart 1997 toen betrokkene en zijn familie aangevallen werden door vier à vijf XXX. Betrokkene zou toen achttien dagen in het ziekenhuis gelegen hebben. Hij zou ook klacht bij de politie ingediend hebben waar hij echter niets meer van zou gehoord hebben. In augustus 1998 zouden betrokkenes zonen aangevallen zijn door een groep XXX die zeiden dat ze samen met hun ouders XXX moesten verlaten. I. zou na deze aanval een maand in het ziekenhuis gelegen hebben. Betrokkene zou opnieuw klacht bij de politie ingediend hebben die beloofd zou hebben iets te doen maar er zou nooit iemand gestraft zijn. Eind december 1998 zou betrokkenes jongste zoon aangevallen zijn in de schooldiscotheek. De XXX zouden ook van betrokkene geëist hebben dat hij zijn huis zou verkopen. Ze zouden gezegd hebben dat hij zijn huis aan hen moest laten voor 1.500 dollar wat betrokkene veel te XIV-2943-2/10 weinig vond. Op 26 augustus 1999 zouden de twee waakhonden van betrokkene vergiftigd geweest zijn. De XXX zeiden dat ze met betrokkene hetzelfde zouden doen. Op 11 november 1999 zou betrokkene zijn huis voor 1.500 dollar verkocht hebben. Daarna zouden ze naar België vertrokken zijn. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene aangehaalde systematische vervolging door de etnisch-XXX bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport XXX van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000; Informatie XXX Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de R. bevolkingsgroep. Er moet aldus worden vastgesteld dat betrokkene bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door betrokkene tot staving van zijn asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit de op het Commissariaat- generaal beschikbare informatie blijkt immers niet dat men omwille van zijn etnie niet op bescherming van de XXX overheden zou kunnen rekenen. Integendeel, uit de informatie blijkt juist dat zeker de hogere XXX autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat betrokkene omwille van zijn R. etnie niet op bescherming zou kunnen rekenen. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van betrokkene geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie weerhouden worden. De door betrokkene neergelegde documenten (medisch attest, geboorteakte, twee diploma's van betrokkene, twee diploma's van betrokkenes vrouw, attest middelbaar onderwijs I., attest middelbaar onderwijs A.) wijzigen, gezien de op het Commissariaat-generaal voorhanden zijnde informatie, niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet. Aangezien uit betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat betrokkenes aanvraag kennelijk ongegrond is en zijn asielmotieven strijdig zijn met de op het Commissariaat-generaal voorhanden zijnde informatie, achtte de Commissaris- generaal het niet nodig om betrokkene op te roepen voor een interview in dringend beroep. Ook in het kader van de asielprocedure van betrokkenes echtgenote XXX (O.V. 4.907.039) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval , de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 13 september
  11. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. De bevestigende beslissing met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene, een XXX staatsburger van R. origine, zou op 15 november 1999 samen met haar man XXX (O.V. 4.907.039) en hun kinderen K. en K. XXX verlaten hebben in de richting van België. Betrokkene zou op 5 december 1999 in België aangekomen zijn waar ze twee dagen later het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van een geldig identiteitsdocument. Volgens betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 30 augustus 2000) zou betrokkene XXX verlaten hebben omdat ze er problemen had omwille van haar R. afkomst. Op 8 maart 1997 zouden betrokkene en haar man aangevallen zijn door onbekende XXX die zeiden dat ze XXX moesten verlaten. Betrokkenes man zou na deze aanval achttien dagen in het ziekenhuis gelegen hebben. Midden augustus 1998 zou betrokkenes oudste zoon zeer hard door XXX geslagen zijn en zou hij een maand in het ziekenhuis gelegen hebben. Op 25 of 26 december 1998 zou betrokkenes jongste zoon aangevallen zijn door etnische XXX in de schooldiscotheek. Betrokkene en haar XIV-2943-3/10 man zouden verschillende malen klacht ingediend hebben maar niemand van de agenten zou hen hulp hebben willen verlenen. Op een zeker ogenblik zouden de buren gevraagd hebben dat ze hun huis zouden verkopen voor 1.500 dollar. Daarna zouden de honden van betrokkene vergiftigd zijn. Uiteindelijk zouden ze hun huis voor 1.500 dollar aan de buren verkocht hebben en daarna zouden ze XXX verlaten hebben. Er dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene aangehaalde systematische vervolging door de etnisch-XXX bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport XXX van de Immigratieambtenaar Minister van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000 en Informatie XXX Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de R. bevolkingsgroep. Er moet aldus worden vastgesteld dat betrokkene bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door betrokkene tot staving van haar asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit de op het Commissariaat- generaal beschikbare informatie blijkt immers niet dat men omwille van zijn etnie niet op bescherming van de XXX overheden zou kunnen rekenen. Integendeel, uit de informatie blijkt juist dat zeker de hogere XXX autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat betrokkene omwille van haar R. etnie niet op bescherming zou kunnen rekenen. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van betrokkene geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. De door betrokkene neergelegde documenten (medisch attest van haar man, geboorteakte van betrokkene en haar man, huwelijksakte, werkboekje van betrokkene en haar man, twee diploma's van betrokkene, twee diploma's van haar man, attest middelbaar onderwijs Igor, attest middelbaar onderwijs A.) wijzigen, gezien de strijdigheid van betrokkenes verklaringen met de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie, niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet. Aangezien uit betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat betrokkenes aanvraag kennelijk ongegrond is en haar asielmotieven strijdig zijn met de op het Commissariaat-generaal voorhanden zijnde informatie, achtte de Commissaris- generaal het niet meer nodig om betrokkene op te roepen voor een interview in dringend beroep. Ook in het kader van de asielprocedure van betrokkenes echtgenoot XXX (o.v. 4.907.039) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 13 september
  12. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  13. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie aanvoert van onontvankelijkheid ratione temporis; dat uit nazicht van de stukken van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissingen aan de verzoekende partijen werden ter kennis gebracht respectievelijk op 14 en op 15 december 2000; dat bijgevolg het op 9 januari 2001 ingediende verzoekschrift tijdig werd ingediend; XIV-2943-4/10
  14. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1.
  15. Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 57/6, in fine, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekers in essentie stellen dat de argumentatie van het Commissariaat-generaal gebaseerd op de in de bestreden beslissingen aangehaalde documentatie, geen melding maakt van de vervolgingen die door verzoekers worden aangehaald; dat verzoekers daaraan toevoegen dat de in de bestreden beslissingen aangehaalde documenten en krantenartikels betrekking hebben op de algemene toestand in XXX en niet op de specifieke toestand van verzoekers; dat verzoekers aanvoeren dat zij XXX reeds verlieten, vóór de grote stroom asielzoekers die vanaf november 1999 vanuit XXX naar België is gekomen; dat in het Missierapport van de Immigratieambtenaar wel melding wordt gemaakt van problemen in XXX, van discriminatie van etnische R., en van het feit dat individuele gevallen van vervolging nooit zijn uit te sluiten; 3.1.
  16. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat enerzijds uit de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er geen sprake is van vervolging van de R. bevolkingsgroep, en dat anderzijds moet worden vastgesteld dat de door verzoekers tot staving van hun asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kunnen worden gekwalificeerd; dat elke asielaanvraag afzonderlijk wordt onderzocht; dat rekening wordt gehouden met de situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissingen; dat in dit verband een veelheid van bronnen werd geraadpleegd die tot dezelfde conclusie komen, namelijk dat er spanningen mogelijk zijn maar dat systematisch etnisch geïnspireerd geweld in XXX is uitgesloten; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.1.
  17. Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord verwijzen naar de uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift en hieraan toevoegen dat de informatie waarover de verwerende partij beschikt eenzijdig is, of minstens eenzijdig wordt geïnterpreteerd; 3.1.
  18. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel de bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure omschrijft; dat de bestreden beslissingen enkel beogen verzoekers al dan niet voorlopig toe te laten op het grondgebied teneinde een grondig onderzoek te voeren over de eventuele toekenning van het XIV-2943-5/10 statuut van vluchteling, en derhalve werden genomen in de ontvankelijkheidsfase, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van asielaanvragen; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoekers geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.
  19. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers heeft besloten omdat “de door betrokkene(n) aangehaalde systematische vervolging door de etnisch-XXX bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (...) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de R. bevolkingsgroep.”; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in voorliggend geval tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen van verzoekers heeft besloten op grond van de overweging dat “de door betrokkene(n) tot staving van (...) (hun) asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de XIV-2943-6/10 Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie blijkt immers niet dat men omwille van zijn etnie niet op bescherming van de XXX overheden zou kunnen rekenen. Integendeel, uit de informatie blijkt juist dat zeker de hogere XXX autoriteiten zeer gevoelig zijn voor elke vorm van etnische spanningen en geweld. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat betrokkene(n) omwille van (...) (hun) R. etnie niet op bescherming zou(den) kunnen rekenen.”; Overwegende dat verzoekers deze motieven aanvechten door te verwijzen naar bepaalde passages uit het Missierapport van de Immigratieambtenaar en andere rapporten waarin wordt gesteld dat individuele gevallen van vervolging niet uit te sluiten zijn en waarin wordt erkend dat er discriminatie is van de R. bevolking op het vlak van tewerkstelling bij de overheid en op het vlak van huisvesting en onderwijs; Overwegende dat de Commissaris-generaal de asielaanvragen van verzoekers heeft getoetst aan objectieve informatie over de toestand in hun land van herkomst; dat een verwijzing naar de zinsnede “er zijn natuurlijk altijd individuele gevallen” geen afbreuk doet aan de andere vaststellingen van het Missierapport waarnaar de Commissaris- generaal verwijst in de bestreden beslissingen; dat dit de conclusies van de Commissaris- generaal niet weerlegt; dat uit de gegevens van het dossier niet blijkt dat verzoekers bij de Dienst Vreemdelingenzaken of naar aanleiding van hun dringend beroep, melding hebben gemaakt van discriminatie op het vlak van tewerkstelling bij de overheid of op het vlak van huisvesting en onderwijs; dat de verwijzing naar rapporten die dit zouden erkennen bijgevolg niet ter zake dienend is; dat de Commissaris-generaal op goede gronden kon vaststellen dat de asielaanvragen van verzoekers bedrieglijk zijn en kennelijk ongegrond; dat wat verzoekers grief met betrekking tot het tijdstip van de vlucht uit hun land van herkomst betreft, blijkt dat verzoekers naar aanleiding van hun vluchtelingenverklaring verklaarden XXX te hebben verlaten op 15 november 1999, zijnde midden in de door hen en door de krantenartikelen opgegeven periode van vertienvoudiging van het aantal asielaanvragen in België van personen afkomstig uit XXX; dat niet wordt ingezien welk belang verzoekers hebben bij het aanvoeren van dit feit; dat de bestreden beslissingen steun vinden in pertinente, afdoende en ter zake dienende motieven; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
  20. Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de rechten van de verdediging; dat zij niet werden uitgenodigd voor verhoor in dringend beroep; dat zonder verder onderzoek werd verwezen naar documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat de documenten die verzoekers hebben ingediend opzij werden geschoven; dat verzoekers werden gelijkgeschakeld met personen die via reisbureaus vanuit XXX naar België kwamen, hoewel zij reeds in augustus 1999 de beslissing hadden genomen om XXX te verlaten, dus vóór de toevloed van personen uit XXX; dat verzoekers verwijzen naar bij het verzoekschrift gevoegde informatie beschikbaar op het internet; dat de situatie van etnische R. in K. niet overeenstemt met de inhoud van het rapport XIV-2943-7/10 van de Immigratieambtenaar; dat het Commissariaat-generaal als onafhankelijke instantie niet zomaar mag voortgaan op een verslag van een ambtenaar van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, evenmin als op krantenartikels die daarop zijn gebaseerd; 3.2.
  21. Overwegende dat de eerste verwerende partij uiteenzet dat het dringend beroep een administratieve beroepsprocedure is, die niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege, waar de waarborg van de hoorplicht en de rechten van de verdediging onverminderd moeten worden gerespecteerd; Overwegende dat er geen verplichting tot verhoor bestaat en dat de Commissaris-generaal telkens beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissingen; dat in casu uit verzoekers verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken bleek dat hun asielaanvragen kennelijk ongegrond waren en strijdig met de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie; dat de Commissaris-generaal rekening heeft gehouden met de documenten die verzoekers hebben neergelegd, maar dat deze documenten niet van aard zijn om te besluiten tot de onwettigheid van de bestreden beslissingen; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.2.
  22. Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord verwijzen naar de uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift, en hieraan toevoegen dat hun persoonlijke problemen veralgemeend worden omdat zij afkomstig zijn uit XXX; 3.2.
  23. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging en de hoorplicht niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchtelingen te horen alvorens te beslissen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissingen; dat hij van een verhoor kan afzien wanneer hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaken om gemotiveerde beslissingen te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat- vluchtelingen nuttig voor hun belangen kunnen opkomen; dat verzoekers bij het indienen van hun dringend beroep de mogelijkheid hadden hun relaas schriftelijk uiteen te zetten; dat het hen bovendien vrij stond een vragenlijst aan te vragen of een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissingen kon nemen zonder verzoekers te horen; dat verzoekers niet aantonen welke elementen tijdens een mondeling verhoor zouden kunnen leiden tot het ontvankelijk verklaren van hun asielaanvragen; XIV-2943-8/10 Overwegende dat verzoekers de informatie van het internet die zij bij het verzoekschrift voegen, niet hebben ingediend bij het Commissariaat-generaal; dat zij geen reden opgeven waarom zij dit niet hebben gedaan; dat met deze stukken bijgevolg geen rekening kon worden gehouden bij het nemen van de bestreden beslissingen; dat het de Raad van State niet toekomt om voor de eerste maal te oordelen over de bewijswaarde van deze documenten, aangezien de Raad enkel een wettigheidscontrole uitoefent op de bestreden beslissingen; Overwegende dat in de bestreden beslissingen rekening wordt gehouden met de stukken die verzoekers hebben ingediend bij het Commissariaat-generaal; dat deze stukken in beide beslissingen worden vermeld; dat het een medisch attest betreft, geboorteakten, een huwelijksakte, werkboekjes, diploma’s, en attesten middelbaar onderwijs van de kinderen; dat in de bestreden beslissing van XXX wordt overwogen dat deze stukken niets wijzigen aan de inhoud van de bestreden beslissing, gelet op de informatie die voorhanden is op het Commissariaat-generaal; dat in de bestreden beslissing van XXX wordt overwogen dat deze stukken niets wijzigen aan de inhoud van de bestreden beslissing, gelet op de strijdigheid van verzoeksters verklaringen met de beschikbare informatie op het Commissariaat-generaal; dat verzoekers in het verzoekschrift niet aantonen dat deze vaststellingen van de Commissaris-generaal onredelijk zijn en in welke mate deze documenten de beslissingen inzake hun asielaanvragen in positieve zin zouden kunnen ombuigen; dat niet kan worden ingezien waarom de Commissaris-generaal geen gebruik zou mogen maken van objectieve informatie verkregen door de Belgische overheid; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-2943-9/10 BESLUIT: Artikel
  24. De beroepen worden verworpen. Artikel
  25. De kosten van de beroepen, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-2943-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.