← België

Arrest 138930 - - 05/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.930 Rolnummer: A. 142117/XIV-16911 Zaak: Arrest 138930 - - 05/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 05:51 Fiche Arrest nr 138.930 van 5 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.930 van 5 januari 2005 in de zaak A. 142.117/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. GILLARD, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-7 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 25 september 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen, enerzijds, van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en, anderzijds, van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen van 29 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV-16.911-1/5 Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. GILLARD, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H.VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Liberiaanse nationaliteit, komt in België binnen op 16 juni 2003 waar hij zich op 17 juni 2003 vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 27 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  5. Op 29 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  6. Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker zowel een verzoek tot schorsing indient van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk, als van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat artikel 63/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het XIV-16.911-2/5 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) luidt als volgt : “Tegen de beslissing waarbij (de Minister), of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52, de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart, kan een dringend beroep worden ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.”; dat, gelet op de devolutieve kracht van dit dringend beroep, het verzoek tot schorsing tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, onontvankelijk dient verklaard te worden; 2.2.
  8. Overwegende dat artikel 3, 5/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de voornoemde bepaling zo moet worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan; dat het de Raad van State mogelijk moet zijn met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is, en het moet de tegenpartijen mogelijk zijn om zich tegen de door de verzoekende partij aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen; dat de verzoekende partij gegevens dient aan te voeren die, enerzijds, wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat zij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die, anderzijds, wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; 2.2.
  9. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift het volgende stelt : “MOEILIJK TE HER(T)STELLEN ERNSTIG NADEEL
  10. Overwegende dat het gepast voorkomt om te verwijzen naar de feitelijke omstandigheden die verzoeker ertoe gebracht hebben zijn land te verlaten ten einde aan te tonen dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich zou meebrengen (cfr. supra sub I);
  11. Overwegende dat de Commissaris Generaal de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft bevestigd, hetgeen impliceert dat het bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 27 juni 2003 om het grondgebied te verlaten opnieuw uitvoerbaar wordt; Dat onder deze omstandigheden de onmiddellijke uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen daar de feiten die hij heeft ingeroepen niet rechtsgeldig door de Commissaris Generaal werden ontkracht (R.v.St., 67.236, 30 juni 1997 en R.v.St., 70.140, 10 december 1997); XIV-16.911-3/5 Dat bovendien verzoeker geen andere mogelijkheid zal hebben dan terug naar zijn land van oorsprong te keren, waar hij het risico loopt bij zijn aankomst te worden aangehouden zonder dat de fundamentele rechten zouden worden geëerbiedigd en gewaarborgd gelet op de zwaarwichtigheid van de hem ten onrechte ten laste gelegde feiten; Dat tenslotte de onmiddellijke uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten onherstelbare gevolgen zou inhouden waardoor de latere vernietiging van de bestreden beslissingen louter symbolisch zou zijn; Dat dienvolgens de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vervuld;”; 2.2.
  12. Overwegende dat dient opgemerkt dat verzoekers uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet beantwoordt aan de vereiste van precisie en nauwkeurigheid, die noodzakelijk is om het de Raad van State mogelijk te maken de ernst van het aangevoerde nadeel te beoordelen; dat de uiteenzetting van het nadeel, zoals door verzoeker geformuleerd, te algemeen en te summier is; dat verzoeker er zich toe beperkt te verwijzen naar de feiten van zijn asielrelaas en voor het overige verwijst naar de mogelijkheid dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten onmiddellijk ten uitvoer zou worden gelegd; dat verzoeker echter met geen enkel concreet element aannemelijk maakt dat ook daadwerkelijk zal worden overgegaan tot een onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, te meer daar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn advies omtrent de terugleiding van verzoeker er de Minister van Binnenlandse Zaken attent op maakt dat het “niet aangewezen is dat (verzoeker) gedwongen zou worden teruggeleid naar de grens van het land dat (hij) ontvlucht (is)”, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten worden voorbehouden. XIV-16.911-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.911-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.930 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.