← België

Arrest 138935 - - 05/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.935 Rolnummer: A. 140272/XIV-16331 Zaak: Arrest 138935 - - 05/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-21 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 05:54 Fiche Arrest nr 138.935 van 5 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.935 van 5 januari 2005 in de zaak A. 140.272/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 11 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-16.331-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. KUSTERS die, loco Advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Afghaanse nationaliteit, is in België binnengekomen op 7 april 2003 en heeft zich op 8 april 2003 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 14 april 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 april 2003 tot weigering van verblijf luidt als volgt : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart afkomstig te zijn van Afghanistan, van origine Pashtun te zijn en geboren te zijn in de provincie Kabul, district Guldara, in het dorp Dasta. U verklaart dat u uw land van herkomst diende te ontvluchten op 20.10.2002, via Pakistan, Iran en Turkije richting België waar u op 08.04.2003 een asielaanvraag indiende. U zegt dat één dag voordat de Taliban uit Kabul werden verdreven, u met één zoon in de stad verbleef. Toen u in de namiddag terug thuis kwam, bleek het huis volledig vernield te zijn tijdens één van de bombardementen die al een paar dagen bezig was. Uw ouders, twee broers, uw echtgenote en een zoon kwamen hierbij om het leven. Na de begrafenis vertrok u met uw zoontje naar Jallalabad, waar uw schoonfamilie verblijft. Na drie maanden ging u terug naar Kabul omdat u uw grond wilde verkopen. Tijdens uw maaltijd in een hotel, werd u door twee gewapende mannen herkend als zijnde de zoon van XXX, een commandant van Hezb-i-Islami. U had ze nooit eerder gezien, maar veronderstelde dat ze van de regering waren. Noch u, noch één van uw jongere broers had iets te maken met politieke partijen. U werd meegenomen naar het militaire centrum van Guzar, waar Amanullah commandant was. Na een kop thee moest u zeggen waar zich de wapens bevonden - uw vader had in de tijd zijn wapens overhandigd aan de Taliban. Uw vader XIV-16.331-2/6 was commandant vanaf 1362 (Gregoriaanse kalender 1983) en had de Russen bevochten, maar ook Amanullah, commandant van Massood. Bij het aan de macht komen van de Taliban overhandigde hij zijn wapens maar vocht sindsdien niet meer. U werd negen maanden vastgehouden en geslagen en vervolgens werd u via het betalen van losgeld aan een commandant van Amanullah, Alam Pasha, zonder medeweten van de eerste, vrijgelaten. U vluchtte naar Jallalabad, bleef er één nacht, reisde naar Peshawar en direct verder naar Quetta, waar u een maand verbleef om vervolgens door te reizen naar u (een) voor u onbekende plaats. Dan ging u naar Mashad, verbleef er drie dagen , verder richting Turkije, waar u 22 dagen bleef om na drie dagen reizen in België aan te komen. U legt geen documenten neer. B. Motivering Er dient te worden gewezen op een aantal eigenaardigheden en tegenstrijdigheden in uw verklaringen, waardoor er ernstig kan worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas, met name uw recent vertrek vanuit Afghanistan. Zo werd u op het Commissariaat-generaal (CGVS) gevraagd een tiental dorpen van uw district, Guldara, te situeren ten opzichte van uw dorp. Hierbij blijkt dat u van de dorpen die u werden voorgelezen enkel één zeer vaag weet te situeren. Op de vraag hoe het komt dat u de dorpen van Guldara niet kent, noemt u spontaan een zestal dorpen, maar vier van deze blijken in het district Shakardara te liggen, terwijl de andere twee niet werden teruggevonden. U gevraagd naar de districten rond Guldara noemt u er twee, namelijk Shaqardara en Qarabagh. Deze laatste zou naar uw eigen zeggen heel ver weg gesitueerd zijn van Guldara, terwijl het in werkelijkheid een aangrenzend district betreft. Het door u genoemde district Saraij Khoja is als dusdanig niet gekend en u bevraagd over de drie andere buurdistricten van Guldara , geeft u na lang nadenken enkel zeer vage plaatsaanduidingen in de zin van "achter" Guldara, of "na" Guldara. Deze geografische vaagheid valt op, immers telkens u gevraagd wordt een door u genoemde plaats nauwkeuriger te situeren, zegt u dat ze "op de weg naar Shamali ligt" ( de weg naar het noorden), staat in sterk contrast met het feit dat, u gevraagd naar de weg om van Guldara naar Kabul te gaan, zonder nadenken vijf dorpen opnoemt, waarvan er één, Qalai Morad big, kon worden teruggevonden, terwijl de correcte benaming van het door u genoemde Pul-e-Sufian Qalai Sufi is (Afghanistan, 1: 300 000, Islamabad: Afghanistan Information Management System (AIMS), 2002, kaartnummer P142-07). Verder zegt u dat de mannen die u meenamen “Farsi” spraken (verhoorverslag CGVS p.8), terwijl Dari de algemenere benaming is voor het in Afghanistan gesproken Perzisch en Farsi de Perzische taal is dat in Iran wordt gesproken. Betreffende uw vluchtrelaas dient te worden gewezen op volgende tegenstrijdigheden. lnitieel verklaart u dat uw vader, sinds 1362 of 1363 commandant van Hezb-i-Islam van Gulbuddin in de regio Shaqardara tegen de Russen vocht (verhoorverslag CGVS, p.p.2 & 3). Pas later - bij expliciete bevraging- zegt u dat hij in Guzar ook tegen Amanullah had gevochten in de Russische context (verhoorverslag CGVS, p.4 &5), vervolgens zou hij ook nog ná Najib hebben gevochten, zonder dat u spontaan enige specifiëring geeft. Daarna zou hij niet meer gevochten hebben sinds de komst van de Taliban, terwijl u later in het verhoor dan weer verklaart dat hij heeft gevochten van 1362 tot 1382 (Gregoriaanse kalender: 1983 tot 2003) (gehoorverslag CGVS p.5). Essentieel voor de geloofwaardigheid van uw hoofdmotief, namelijk vervolgd omwille van uw vader, is de vaststelling dat u in uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) geen enkele melding maakt van het feit(e) dat uw vader heeft gevochten tegen Amanullah, waardoor er geen band is met het feit dat u herkend, gearresteerd en opgesloten wordt in de "basis" van Amanullah Gozar, omdat u vader wapens zou hebben gegeven aan Taliban. Ook het feit dat u zonder medeweten van Amanullah werd vrijgelaten via de betaling aan commandant Alam Pascha (gehoorverslag CGVS p. 10) heeft u niet aangehaald op de Dienst Vreemdelingenzaken en gezien het verband houdt met uw vluchtreden is dit een significante ommissie. Verder is het vreemd dat u tijdens het gehoor in dringend beroep verklaart, dat uw broers geen van beiden iets van doen hadden met partijen (gehoorverslag CGVS p.5), terwijl u in de annex betreffende de gezinssamenstelling, gevoegd bij uw beroepsschrift, vermeldt dat uw broer een Mojahed is. Betreffende de gezinssamenstelling is het eveneens bijzonder bevreemdend dat u in dringend beroep gevraagd wordt of uw zussen ook in het huis aanwezig waren, waarop u een XIV-16.331-3/6 ontkennend antwoord geeft, maar wel bevestigt dat ze in Dasta zijn (gehoorverslag CGVS p. 1), terwijl u later (p.9) zegt dat u helemaal geen zus heeft , terwijl dit wel zo aangegeven is op de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoorverslag DVZ vraag 10 en vraag 42). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken. (...).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “2.1.
  8. Verzoeker werpt een eerste en enige middel op dat bestaat uit de schending van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaat-generaal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het voorhanden zijn van de opgeworpen, beweerdelijke contradicties. De Commissaris-generaal meende enkele beweerdelijke contradicties te moeten onderkennen, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoeker waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid die verzoeken dient te weg te filteren, die "manifestement abusives ou non fondée" zijn ( exposé et motif de la loi de 14 juillet 1987, document parlementaire, cession 1986 et 1987,689/1, p. 7). Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoeker heeft in casu een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat hij voldoet aan deze voorwaarden van de Conventie van Genève. “Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot “een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur volledig op de hoogte te zijn van de feiten “die de besluitvorming kunnen beïnvloeden”. (A. VAN MEENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.212, nr.250.) De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten tot het voorhanden zijn van enkele beweerdelijke tegenstrijdigheden, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde , dat erin bestaan zou hebben “de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden” op hun merites te hebben onderzocht. De feiten die verzoeker heeft aangebracht, zijn van een zodanige aard dat ze niet zonder meer; niet zonder een onderzoek ten gronde konden worden afgedaan als "bedrieglijk" . XIV-16.331-4/6 Door desalniettemin er enige zij het vlugge en oppervlakkige aandacht aan te hebben besteed, heeft de Commissaris-generaal zelf laten verstaan dat de door verzoeker ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn -hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen: een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. De Commissaris-generaal meent dat er een aantal eigenaardigheden en tegenstrijdigheden zijn in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker. Zo kon verzoeker het district waarin hij woonde, zijnde Guldara, niet situeren ten opzichte van andere districten en steden. Dit is niet zo opmerkelijk als de Commissaris-generaal laat uitschijnen. Verzoeker heeft immers zijn ganse leven gewoond en gewerkt in zijn district en heeft de grenzen ervan nooit verlaten, tenzij om te vluchten. Verzoeker werd vervolgd omwille van het feit dat zijn vader gevochten heeft tegen Amanullah. Na de komst van de Talliban heeft zijn vader niet meer gevochten en zijn wapens overhandigd aan de Talliban. Toen verzoeker werd herkend als zoon van zijn vader, werd hij gearresteerd en opgesloten door Amanullah. Een van de broers van verzoeker was Mojahed, maar niet politiek actief en verzoeker had geen zussen. Er kan dan ook niet getwijfeld worden aan het asielrelaas van verzoeker.”; 2.
  9. Overwegende dat in casu de asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard op basis van het feit dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; dat het bedrieglijk karakter kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier of wanneer de verklaringen van de verzoekende partij afgelegd tijdens het eerste en het tweede verhoor, volledig van elkaar verschillen, zodat het eerste en het tweede asielrelaas haast niets met elkaar te maken hebben, wat in casu het geval is, zoals blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag, noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat dit evenwel niet het onderzoek is dat plaats vindt in de gegrondheidsfase die volgt op de ontvankelijkheidsfase; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase dient onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Conventie van Genève en bovendien niet tegenstrijdig zijn met zijn eigen eerdere verklaringen of verklaringen van eventueel vergezellende familieleden of kennissen; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de gegevens die worden verstrekt door de kandidaat- vluchteling op hun geloofwaardigheid worden beoordeeld; dat, om tot de vaststellingen in de bestreden beslissing te komen, er enkel een dergelijk onderzoek nodig was, dat niet kan worden beschouwd als het onderzoek dat wordt bedoeld met het onderzoek in de gegrondheidsfase; dat, op basis van deze vaststellingen en bij gebrek aan weerlegging of ontkrachting ervan, niet kan worden besloten dat de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze is genomen; dat het enig middel niet gegrond is; XIV-16.331-5/6
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.331-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.