← België

Arrest 138938 - - 05/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.938 Rolnummer: A. 144445/XIV-17712 Zaak: Arrest 138938 - - 05/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-21 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 05:54 Fiche Arrest nr 138.938 van 5 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.938 van 5 januari 2005 in de zaak A. 144.445/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. BEIRNAERT, kantoor houdende te 9160 LOKEREN, Durmelaan 10 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Macedonische nationaliteit, op 25 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 december 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-17.712-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. BEIRNAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Macedonische nationaliteit, is België binnengekomen op 27 april 2003 en heeft zich op 28 april 2003 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 13 mei 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 28 oktober 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt : “A. Vluchtrelaas U verklaarde een Rom-zigeuner afkomstig uit Stip (Macedonië) te zijn. In 1988 zou u samen met uw ouders, broers en zussen naar Duitsland gegaan zijn en er asiel hebben aangevraagd. In 1991 zou u naar Macedonië teruggekeerd zijn om er uw partner XXX op te halen. Zes maanden later zou u met haar naar Duitsland teruggekeerd zijn maar er als vluchteling geweigerd zijn. U zou er een tweede maal asiel hebben aangevraagd maar in 1996 zou u dit opnieuw geweigerd zijn. Van 1996 tot 2001 zou u illegaal in Duitsland verbleven hebben. In 1997 zouden u en uw partner uiteengegaan zijn. In december 2001 zou u door de Duitse autoriteiten naar Macedonië teruggeleid zijn. Onmiddellijk na uw aankomst daar zou u een nieuw Macedonisch paspoort verkregen hebben. U zou eveneens een nationaliteitsattest op de gemeente van Stip hebben aangevraagd, maar hiervoor diende u dermate grote som geld te betalen dat u het zou nagelaten hebben u van dit document te voorzien. Twee weken later zou u nog eenmaal naar de gemeente gegaan zijn met een aanvraag voor een nationaliteitsdocument, maar hetzelfde zou u meegedeeld zijn. U zou in Macedonië traditioneel gehuwd zijn met XXX en samen zouden jullie een dochter XXX hebben. In augustus 2002 zou de voorzitter van de partij "VMR" (in werkelijkheid VMRO - Internal Macedonian Revolutionary Organization) van Stip u gevraagd hebben tijdens de verkiezingen propaganda voor deze partij te maken. U zou deze taak op zich genomen hebben. Van 15 tot 25 september of oktober 2002 zouden er verkiezingen hebben plaatsgevonden. Op 25 september 2002 of 25 oktober 2002 zou de partij "SDS" ( SDSM - Social XIV-17.712-2/9 Democratic Union of Macedonia) de overwinning opgeëist hebben. De volgende morgen zouden vier politieagenten onder leiding van de agent Drage naar uw woning gekomen zijn. U en uw partner zouden die dag thuis geweest zijn, maar enkel u zou voor verhoor meegenomen zijn. Drage zou u gevraagd hebben waarom u op de VMR gestemd had en waarom u voor deze partij reclame had gemaakt. U zou verhoord zijn tot de volgende dag 7.00 uur. Vervolgens zou u vrijgelaten zijn op voorwaarde dat u van 15 tot 25 oktober 2002 geen reclame meer voor de “VMR” zou maken. Ergens tussen 22 en 25 november 2002 zou Drage opnieuw om 9.00 uur naar uw woning gekomen zijn. Uw partner zou geen problemen hebben gekend, maar u zou opnieuw voor verhoor meegenomen zijn. Rond 20.00 uur diezelfde dag zou u vrijgelaten zijn. Daarom zou u uiteindelijk uw reclame voor de partij stopgezet hebben en u zou in november 2002 en in december 2002 als taxichauffeur gewerkt hebben. Telkens wanneer u met uw wagen op de halte van de bussen stond, zou de politie u verjaagd hebben. In deze periode zouden Rom-zigeuners aan wie u had aangeraden op de "VMR" te stemmen, u een viertal keer voor uw woning beledigd hebben. Ze zouden u verweten hebben hen valse beloftes voorgehouden te hebben. Eind januari 2003 zou Drage rond 15.00 uur alleen naar uw woning gekomen zijn en uw paspoort in beslag genomen hebben. Hij zou u eveneens hebben aangeraden uw beroep van taxichauffeur te staken. U zou nog dezelfde dag klacht bij de gemeente tegen Drage hebben neergelegd. Drage zelf zou ondervraagd zijn maar alles hebben ontkend. Daarom zou u Macedonië in februari 2003 hebben verlaten. In Bosnië zou u uw neef XXX (O.V. 5.457.749) ontmoet hebben en samen zouden jullie naar België doorgereisd zijn, waar u in april 2003 aankwam. Op 28 april 2003 vroeg u hier asiel aan. Nadien zou ook uw partner, XXX (O.V. 5.484.257), naar België gekomen zijn. Ze vroeg hier op 14 juli 2003 asiel. Uw dochter XXX zou zich momenteel bij uw schoonmoeder in Macedonië bevinden. Van uw partner zou u vernomen hebben dat Drage na uw vertrek nog om de twee weken naar uw woning kwam, op zoek naar u. U vermoedt dat hij langskwam omdat u een klacht tegen hem had neergelegd wegens de onrechtmatige inbeslagname van uw paspoort. Af en toe zou ook een gewone patrouille u thuis gezocht hebben. U bent niet in het bezit van enig document dat uw identiteit en nationaliteit kan staven. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn en bovendien anomalieën bevatten, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielmotieven ernstig wordt ondermijnd. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat er op 15 september 2002 presidentsverkiezingen in Macedonië plaatsvonden (gehoor DVZ vraag 42). Tijdens uw gehoor voor het Commissariaat- generaal beweerde u daarentegen aanvankelijk dat de stemmen van de verkiezingen op 15 oktober 2002 werden geteld (gehoor CGVS p. 3). Dan weer verklaarde u dat het verkiezingen waren van de 15de tot de 25ste, maar dat u niet wist of het september of oktober was (gehoor CGVS p. 6). Vervolgens verklaarde u dat het op 15 september of oktober verkiezingen waren geweest en dat de SDS op 25 september of oktober de overwinning had opgeëist (gehoor CGVS p. 6). Uiteindelijk meende u dan toch dat de verkiezingen op 15 oktober hadden plaatsgevonden (gehoor CGVS p. 6 en 12). Om welke verkiezingen het ging wist u niet mee te delen (gehoor CGVS p. 5-6). Hier kan nog aan toegevoegd worden dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratieve dossier werd gevoegd, blijkt dat er op 15 september 2002 in Macedonië parlementsverkiezingen gehouden werden. Verder beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw eerste vasthouding het gevolg was van een algemene politieaktie in uw wijk, waarbij verschillende Roma die campagne voor de VMRO hadden gevoerd, werden opgepakt (gehoor DVZ vraag 42 p. 12). Op het Commissariaat-generaal daarentegen repte u in dit verband met geen woord over het feit dat andere Roma die campagne hadden gevoerd, eveneens werden opgepakt (gehoor CGVS p. 11-12). Bovendien situeerde u deze gebeurtenis op het Commissariaat-generaal vóór de eigenlijke datum van de verkiezingen, daar u verklaarde dat de politie u had gezegd dat u tot het einde van de verkiezingen geen verdere reclame meer mocht maken (gehoor CGVS p. 13). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u echter dat de verkiezingsuitslag reeds was bepaald toen u een eerste maal werd opgepakt (gehoor DVZ vraag 42 p. 12). Nog beweerde u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 25 november 2002 een tweede maal door de politie werd opgepakt en een dag en een nacht vastgehouden werd (gehoor DVZ vraag 42). Tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal verklaarde XIV-17.712-3/9 u aanvankelijk op 27 of 28 oktober 2002 een tweede maal opgepakt te zijn en van 09.00 uur tot 20.00 uur diezelfde dag te zijn vastgehouden (gehoor CGVS p. 13-14). Vervolgens beweerde u dan weer dat u tussen 22 en 25 november 2002 zou opgepakt zijn (gehoor CGVS p. 19). Op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u in dit verband dat u bij uw tweede vasthouding werd ondervraagd over het stemgedrag van de Roma uit uw wijk én dat u werd beschuldigd als taxichauffeur handelaars van softdrugs te hebben vervoerd (gehoor DVZ vraag 42 p. 13). Op het Commissariaat- generaal daarentegen repte u met geen woord over laatstgenoemde beschuldiging (gehoor CGVS p. 13 en 14). Tenslotte beweerde u op het Commissariaat-generaal drie- tot viermaal problemen te hebben gekend met andere Roma die zich door u bedrogen voelden (gehoor CGVS p. 17), terwijl u op de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord over deze problemen repte (gehoor DVZ). Hier dient nog aan toegevoegd te worden dat u op het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk verklaarde dat u van 1991 tot 2001 onafgebroken in Duitsland heeft verbleven (gehoor CGVS p. 8 en 9). Uit informatie van de Duitse autoriteiten waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt echter dat u reeds op 6 mei 1998 een eerste maal door de Duitse autoriteiten werd gerepatrieerd. Bovendien blijkt uit diezelfde informatie dat u in Duitsland onder vier verschillende identiteiten en twee verschillende nationaliteiten (Macedonische en Tjechische) bent gekend. Gelet op bovenstaande vaststellingen, kan niet het minste geloof worden gehecht aan uw beweerde asielmotieven. In het kader van de asielaanvragen van uw partner, XXX (O.V. 5.484.257) en van uw neef, XXX (O.V. 5.457.749), nam ik eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  7. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “EERSTE MIDDEL: schending van de zorgvuldigheidsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur
  8. Verzoeker heeft nooit behoorlijke gelegenheid gehad om zijn zaak te verdedigen. De heer Minister van Binnenlandse zaken en het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen heeft op geen enkel ogenblik rekening gehouden met de argumenten die door verzoeker werden opgeworpen. De administratieve overheid heeft de aanvraag van verzoeker duidelijk niet terdege onderzocht, hoewel ze dit verplicht is. De omstandigheden die door vreemdelingen worden aangevoerd tot staving van hun aanvraag moeten door de administratieve overheid in elk bijzonder geval worden onderzocht. Dit onderzoek moet tot uiting komen in de motivering van de beslissing die uitspraak doet over de aanvraag. In casu is de administratieve overheid duidelijk niet tot het onderzoek van de grond van de zaak gekomen. XIV-17.712-4/9 Bij gebreke van een grondig onderzoek heeft het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen o.m. inbreuk gepleegd op de zorgvuldigheidsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur.
  9. De door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen opgeworpen tegenstrijdigheden tasten niet de essentie van het verhaal van verzoeker aan, doch betreffen slechts details zoals exacte data. Het betreffen bovendien louter misverstanden die het gevolg kunnen zijn van slordigheden opgedoken bij de vertaling van de verklaringen van verzoeker. Hierbij dient uitdrukkelijk de aandacht te worden gevestigd op het feit dat naar aanleiding van het tweede interview van verzoeker een tolk in een Albaanse zigeunertaal aanwezig zou geweest zijn en geenszins een tolk van de Macedonische taal die verzoeker spreekt. Het is derhalve duidelijk dat de door verweerder opgeworpen tegenstrijdigheden, die trouwens slechts details betreffen, enkel en alleen ontstaan zijn door foutieve vertalingen. Dit betreft een grove onzorgvuldigheid in hoofde van verweerder. Er is derhalve wel degelijk sprake van een schending in hoofde van verweerder van de zorgvuldigheidsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur.”; 2.1.
  10. Overwegende dat, overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissingen op zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd geconvoceerd voor een interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker tijdens dit interview de gelegenheid kreeg om zijn asielmotieven uiteen te zetten, zijn argumenten kracht bij te zetten; dat hij nieuwe en/of aanvullende stukken kon neerleggen en zich kon laten bijstaan door een advocaat of door een persoon van zijn keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de ROM taal machtig is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op basis van alle stukken vervat in het dossier, om de redenen die vermeld staan in de bestreden beslissing, tot de conclusie is gekomen dat verzoekers aanvraag onontvankelijk is; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat, met betrekking tot de vertaalproblemen, dient opgemerkt dat verzoeker heeft verzocht om de bijstand van een tolk die de ROM taal machtig is; dat uit het verhoorverslag van verzoekers verklaringen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat verzoeker werd bijgestaan door een tolk die het ROM machtig is; dat verzoeker verklaarde dat hij de tolk en de vragen goed begrepen had; dat er verder geen opmerkingen werden geformuleerd omtrent de tolk of eventuele problemen bij de vertaling; dat de bewering van verzoeker niet kan worden bijgetreden; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  11. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “TWEEDE MIDDEL: schending van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur
  12. Aangezien het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen tevens niet grondig de redenen heeft uiteengezet in de bestreden beslissing waarom hij de mening XIV-17.712-5/9 toegedaan is dat de problemen geen enkel verband zouden kunnen houden met hun etnie, godsdienst, politieke overtuigingen of gelijkaardige motieven van de Conventie van Genève, is tevens niet voldaan aan de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur.
  13. De door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen opgeworpen tegenstrijdigheden tasten niet de essentie van het verhaal van verzoeker aan, doch betreffen slechts details zoals exacte data. Het betreffen bovendien louter misverstanden die het gevolg kunnen zijn van slordigheden opgedoken bij de vertaling van de verklaringen van verzoeker. Hierbij dient uitdrukkelijk de aandacht te worden gevestigd op het feit dat naar aanleiding van het tweede interview van verzoeker een tolk in een Albaanse zigeunertaal aanwezig zou geweest zijn en geenszins een tolk van de Macedonische taal die verzoeker spreekt. Het is derhalve duidelijk dat de door verweerder opgeworpen tegenstrijdigheden, die trouwens slechts details betreffen, enkel en alleen ontstaan zijn door foutieve vertalingen. Het is derhalve niet duidelijk om welke reden verweerder tot de bestreden beslissing is gekomen. De omstandigheden die door vreemdelingen worden aangevoerd tot staving van hun aanvraag moeten door de administratieve overheid in elk bijzonder geval worden onderzocht. Dit onderzoek moet tot uiting komen in de motivering van de beslissing die uitspraak doet over de aanvraag, wat in casu niet het geval is. Verweerder kon er zich niet toe beperken louter te verwijzen naar de beweerde tegenstrijdigheden die het gevolg zijn van slordige en slechte vertalingen. Er is derhalve in casu niet voldaan aan de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur.”; 2.2.
  14. Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat in een eerste deel de feiten nauwkeurig worden weergegeven, die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van de verzoekende partij tijdens zijn verhoor voor het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in een tweede deel de verklaringen van de verzoekende partij op objectieve wijze worden onderzocht in de globale context van zijn asielaanvraag; dat dit zorgvuldig onderzoek de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ertoe heeft gebracht te besluiten dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is en dit om de motieven vermeld in het bestreden besluit; dat deze vaststelling volstaat om de asielaanvraag af te wijzen; dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag, onder meer, kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is omdat zijn opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn en bovendien anomalieën bevatten; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden en leemten nauwkeurig worden uiteengezet in de bestreden beslissing met vermelding van hun vindplaats; dat deze vaststellingen allen steun vinden in de verhoorverslagen; dat zij bovendien alle essentiële elementen betreffen van verzoekers asielrelaas die de rechtstreekse aanleiding vormden tot zijn vlucht; dat zij niet kunnen worden afgedaan als details; dat verzoekers verklaring dat de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan vertaalproblemen niet kan worden weerhouden; dat, zoals reeds werd besproken, verzoeker nooit enige opmerking heeft geformuleerd omtrent de tolk of gewag XIV-17.712-6/9 gemaakt van enige vertaalproblemen; dat verzoeker zelfs uitdrukkelijk verklaarde de tolk en de vragen te hebben begrepen; dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing in rechte of in feite niet behoorlijk werd gemotiveerd; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  15. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert : “DERDE MIDDEL: schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften, nl. artikel 57/6, laatste lid en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet dienen de administratieve beslissingen met redenen omkleed te zijn. Bovendien schrijft artikel 57/6, laatste lid van de Vreemdelingenwet voor dat de beslissingen tot weigering van de erkenning met redenen dienen te worden bekleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak.
  16. Aangezien het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen niet grondig de redenen heeft uiteengezet in de bestreden beslissing waarom hij de mening toegedaan is dat de problemen geen enkel verband zouden kunnen houden met hun etnie, godsdienst, politieke overtuigingen of gelijkaardige motieven van de Conventie van Genève, is tevens niet voldaan aan artikel 57/6, laatste lid en 62 Vreemdelingenwet.
  17. De door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen opgeworpen tegenstrijdigheden tasten niet de essentie van het verhaal van verzoeker aan, doch betreffen slechts details zoals exacte data. Het betreffen bovendien louter misverstanden die het gevolg kunnen zijn van slordigheden opgedoken bij de vertaling van de verklaringen van verzoeker. Hierbij dient uitdrukkelijk de aandacht te worden gevestigd op het feit dat naar aanleiding van het tweede interview van verzoeker een tolk in een Albaanse zigeunertaal aanwezig zou geweest zijn en geenszins een tolk van de Macedonische taal die verzoeker spreekt. Het is derhalve duidelijk dat de door verweerder opgeworpen tegenstrijdigheden, die trouwens slechts details betreffen, enkel en alleen ontstaan zijn door foutieve vertalingen. Het is derhalve niet duidelijk om welke reden verweerder tot de bestreden beslissing is gekomen. De omstandigheden die door vreemdelingen worden aangevoerd tot staving van hun aanvraag moeten door de administratieve overheid in elk bijzonder geval worden onderzocht. Dit onderzoek moet tot uiting komen in de motivering van de beslissing die uitspraak doet over de aanvraag, wat in casu niet het geval is. Verweerder kon er zich niet toe beperken louter te verwijzen naar de beweerde tegenstrijdigheden die het gevolg zijn van slordige en slechte vertalingen. Er is derhalve in casu niet voldaan aan artikel 57/6, laatste lid en 62 van de Wet van 15.12.
  18. De middelen zijn derhalve gebaseerd onder meer op de schending van de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur, de Wet motivering van Bestuurshandelingen en artikel 57/6, laatste lid en 62 van de Wet van 15 december 1980 (Vreemdelingenwet). Dit alles onder voorbehoud van verdere aanvulling terloops het geding, zelfs ambtshalve.”; 2.3.
  19. Overwegende dat, met betrekking tot het ingeroepen artikel 57/6, erop kan worden gewezen dat dit artikel niet van toepassing is op een asielaanvraag die zich nog in het ontvankelijkheidsstadium bevindt, zoals in casu het geval is, zodat het ook niet geschonden kan zijn; dat de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund op XIV-17.712-7/9 eenvoudige wijze in de beslissing kunnen worden gelezen, zodat aan de voornaamste vereiste van de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet vastgestelde formele motiveringsplicht is voldaan; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven waarop de bestreden beslissing gebaseerd is kent; dat, voor zover verzoeker de schending van de materiële motiveringsplicht inroept, verwezen kan worden naar de bespreking van het tweede middel; dat het derde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  20. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-17.712-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.712-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.