id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.946 Rolnummer: A. 126236/XIV-11532 Zaak: Arrest 138946 - - 07/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 05:55 Fiche Arrest nr 138.946 van 7 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.946 van 7 januari 2005 in de zaak A. 126.236/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat W. HERREMAN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 122 bus 3c tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 mei 1961 en van XXX nationaliteit, op 2 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 augustus 2002, aan de verzoekende partij op dezelfde dag ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 19 mei 2004 om 14.00 uur; XIV-11.532-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. HERREMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX dient op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/ en 2, 4/. Deze aanvraag wordt tevens ingediend voor zijn echtgenote, D. en hun minderjarige kinderen. 1.
- Op 8 april 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie. 1.
- Bij schrijven van 23 augustus 2002 dient de raadsman van de verzoekende partij een verzoek om machtiging tot voorlopig verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 30 augustus 2002 ontvangt de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is het thans bestreden bevel. 1.
- Het bestreden bevel steunt op de volgende gronden: - de verzoekende partij en haar gezin verblijven illegaal in het Rijk; - de verzoekende partij en haar gezin werden niet erkend als vluchteling; - voornoemde regularisatieaanvraag ingediend op basis van de Regularisatiewet wordt verworpen op 8 april 2002 door de Minister van Binnenlandse Zaken; - de asielprocedure van de verzoekende partij en haar gezin is definitief afgesloten. XIV-11.532-2/4 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de “schending van artikel 9, 3de lid van de vreemdelingenwet dd. 15 december 1980 ”, doordat het bestreden bevel wordt uitgevaardigd lastens de verzoekende partij, niettegenstaande “het feit dat in haar naam nog een verzoek op grond van artikel 9, 3de (lid) van de Vreemdelin- genwet hangende is”; Overwegende dat de verzoekende partij de wettigheid van het bestreden bevel aanvecht, dat steun vindt in voornoemde rechtsgronden; dat hiertoe wordt verwezen naar punt 1.
- van huidig arrest; Overwegende dat een verzoekschrift op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, de uitvoerbaarheid van het thans bestreden bevel niet opschort, waarvan de wettigheid door de verzoekende partij niet wordt betwist; dat het uitsluitend toekomt aan de verwerende partij om te beslissen, of zij het al dan niet opportuun acht om een uitvoerbaar bevel effectief al dan niet ten uitvoer te leggen, wanneer een asielzoeker door het opstarten van een andere procedure, opgenomen in de Vreemdelingenwet, tracht de uitvoerbaarheid van een dergelijk bevel te beletten; dat de overweging van het Arbeidshof te Brussel in zijn arrest van 8 juni 2000, dat wanneer een bevel effectief wordt uitgevoerd, het voorwerp van de regularisatieaanvraag op basis van artikel 9, lid 3, van de Vreemdelingenwet vervalt, niets afdoet aan de wettigheid van een bestreden bevel, als dit steunt op exacte feitelijke en juridische motieven, zoals in casu; dat het niet toekomt aan de rechter om te oordelen over de opportuniteit van de tenuitvoerlegging van een wettige uitvoeringsmaatregel; dat de verantwoordelijkheid voor een dergelijke tenuitvoerlegging en de beoordeling van de opportuniteit ervan uitsluitend toekomt aan de uitvoerende macht, in casu de verwerende partij; dat er anders over oordelen neerkomt op het beletten van de tenuitvoerlegging van definitieve beslissingen inzake asiel- en aanverwante aanvragen, wanneer de asielzoeker één of meerdere aanvragen indient op basis van voornoemd artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat dit laatste niet de bedoeling van de wetgever kan zijn; Overwegende dat de verzoekende partij niet aanvoert, laat staan aantoont, dat de thans bestreden beslissing onwettig is, zodat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de schending van “de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van bestuurshandelingen.”; Overwegende dat het bestreden bevel uitvoerig en pertinent is gemotiveerd, wat blijkt uit punt 1.
- van huidig arrest; dat het indienen van een verzoek op basis van voornoemd artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet de onwettigheid meebrengt van het thans bestreden bevel dat steun vindt in deugdelijke en afdoende motieven; dat het tweede middel ongegrond is, XIV-11.532-3/4 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.532-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.