id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.948 Rolnummer: A. 127915/XIV-12095 Zaak: Arrest 138948 - - 07/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 05:55 Fiche Arrest nr 138.948 van 7 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.948 van 7 januari 2005 in de zaak A. 127.915/XIV-12.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41 bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 mei 1961 en van XXX nationaliteit, op 26 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 april 2002 tot weigering van regularisatie en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 30 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 19 mei 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-12.095-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MANDELBLAT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX dient op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. Deze aanvraag wordt tevens ingediend voor zijn echtgenote en zijn minderjarige kinderen. 1.
- Verzoeker is door de Commissie voor regularisatie op 4 juli 2001, bijgestaan door zijn Advocaat en in aanwezigheid van zijn echtgenote, gehoord. Op deze zitting wordt de uitbreiding naar artikel 2, 4/ van voornoemde wet gevraagd. 1.
- De derde Kamer van de Commissie voor regularisatie verleent op 30 november 2001 een gunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. 1.
- De Minister van Binnenlandse Zaken verzoekt de Commissie voor regularisatie op 6 februari 2002 om bijkomende inlichtingen teneinde een beslissing te kunnen nemen. 1.
- Verzoeker wordt opnieuw opgeroepen om te verschijnen voor de derde kamer. Hij wordt opnieuw gehoord op 4 maart
- 1.
- De derde kamer verleent op 28 maart 2002 een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...)
- De aanvraag werd tijdig en rechtsgeldig ingediend. Ten gronde beroepen verzoekers zich op de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de regularisatiewet van 22 december
- XIV-12.095-2/6
- De procedurele voorgaanden Op de zitting van 4.7.01 verschijnen betrokkenen, bijgestaan door hun advocaat en een tolk, waarna een gunstig advies wordt opgesteld. De heer Minister stuurt het dossier echter terug naar de Commissie aangezien het advies "verregaande blijken van integratie" van betrokkenen vermeldt, overeenkomstig artikel 2, 4/ van de regularisatiewet, terwijl de heer Minister daarover geen stavingsstuk in het dossier vindt. De heer Minister verzoekt de Commissie om bijkomende informatie over de aanvraag te verstrekken zodat hij een beslissing kan nemen. Op de zitting van 4.3.02 verschijnen verzoekers zonder raadsman, en leggen bijkomende stukken neer. Meester Y. Kalombo, lid van de balie van Parijs, verschijnt niet. Op het telefonische verzoek van de voorzitter, bevestigt de raadsman, Wim Herreman, lid van de balie van Antwerpen, per fax dat hij niet meer optreedt voor betrokkenen.
- De ontvankelijkheid De aanvragers bewijzen hun identiteit en nationaliteit voldoende met een origineel identiteitsdocument. De identiteit en nationaliteit werden niet betwist door de DVZ noch door het Onderzoekssecretariaat en de Commissie beschikt verder niet over elementen die de identiteit en nationaliteit in twijfel trekken. Onder deze identiteit is betrokkene gekend onder meer door de DVZ, waar hij een dossier bezit, dat ter zitting kon geraadpleegd worden. XXX en zijn gezin bewijzen daarnaast een daadwerkelijk verblijf in het Rijk op
- 10.99 onder meer door de aflevering van een immatriculatieattest afgeleverd in de gemeente Deurne van 22.1.99 tot 21.4.99 en van 14.7.99 tot 14.11.99 (zie kopie in het dossier).
- Ten gronde: artikel 2, 2/: onmogelijke terugkeer onafhankelijk van de wil De Commissie stelt ter zitting van 4.3.02 unaniem vast dat betrokkene bij de regularisatie- aanvraag geen verklaring heeft ingediend van onmogelijke terugkeer onafhankelijk van zijn wil. Het dossier bevat wel een certificaat van de Verenigde Naties dat verzoekers schade hebben geleden aan hun woning tussen 0 % en 20% wegens de oorlog in K. (bijkomend stuk, zitting 4.7.01). De Commissie acht dit certificaat, dat overigens een aantal taalfouten bevat, op zich wel overtuigend voor de trouwens gedeeltelijke beschadiging van de woning, waarvoor een waarde in 40.000 Duitse marken is geraamd. Niettemin acht de Commissie dat met dit stuk de onmogelijke terugkeer van betrokkenen onvoldoende wordt aangetoond. Op deze grond kan dan ook geen regularisatie worden toegekend.
- Artikel 2, 4/: sociale bindingen en humanitaire redenen Betrokkenen deden op de zitting van 4.7.01 een eisuitbreiding op grond van artikel 2, 4/ regularisatiewet. Zij wensen hun duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen als volgt te bewijzen. De Commissie stelt vast dat het ononderbroken verblijf in het Rijk sedert de asielaanvraag op 23.10.98 tot aan het einde van de wettelijke referteperiode van 31 januari 2001 niet overeenstemt met de wettelijke termijn van 5 jaar. Verzoekers ontvingen een bevel om het grondgebied te verlaten na de betekening van de negatieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie. Het proces-verbaal van de Algemene Vergadering van 18.11.00 vermeldt dat aangenomen wordt dat zodra de voorgeschreven verblijfsduur van de verzoeker wordt bewezen, de sociale banden en humanitaire redenen verondersteld worden aanwezig te zijn. In casu staven verzoekers aldus geen verblijf van 5 jaar in het Rijk. Daarom moeten zij hun sociale en humanitaire bindingen met het Rijk uitdrukkelijk wettigen tegenover de Commissie. Betrokkenen wensen dit als volgt te bewijzen. Betrokkenen brengen hoofdzakelijk stukken aan over de tewerkstelling van de heer SB. Deze legt ter zitting een attest van voorlopige tewerkstelling neer met ingang vanaf 13.2.01 alsook een attest van tewerkstelling van 1.7.01 sedert een half jaar via Primo-interim bij eenzelfde werkgever. Hij beweert zelfs een tewerkstelling te hebben gehad sedert 17.3.99, maar legt daarvan geen stukken neer. Het enige stuk dat in die zin kan fungeren betreft slechts een aanvraag tot tewerkstelling als kandidaat-vluchteling bij de VDAB van A. op 17.8.
- Hieruit blijkt echter niet dat aan deze aanvraag een positief gevolg is gegeven, noch dat betrokkene sedertdien ononderbroken aan het werk is geweest. Desgevraagd beweert betrokkene echter dat hij op een vorige zitting wel stukken over een voortdurende tewerkstelling zou hebben neergelegd alsook schoolattesten voor de kinderen en taallessen voor hemzelf. Gelet op deze bewering enerzijds, die de Commissie weinig geloofwaardig overkomt aangezien betrokkene hiervan geen afschrift bij zich heeft in zijn klasseermap ter zitting, en op het feit anderzijds dat het aanvankelijke positieve advies aan de heer Minister, verwarrend genoeg, gewag maakt van een blijken van verregaande integratie, staat de Commissie na een tussenberaad, bij uitzondering toe dat verzoeker alsnog een nieuwe kans krijgt om deze stukken opnieuw neer te leggen voor de zitting van 18.3.
- Zo niet, zal dit dossier op 18.3.02 ambtshalve in beraad worden genomen in de staat waarin het zich dan bevindt. XIV-12.095-3/6
- Op 18.3.02 zijn er geen bijkomende stukken toegekomen op de griffie van de Commissie zodat de zaak ambtshalve in beraad wordt genomen. Voor verzoeker kan aldus geen tewerkstelling sedert 1999 worden bewezen. De echtgenote van verzoeker, die huisvrouw is, staaft geen tewerkstelling, geen inschrijving als werkzoekende en ook geen gevolgde beroepsopleiding. Het dossier bevat verder geen schoolattest voor de kinderen, noch een inschrijving voor een taalcursus voor de ouders. Betrokkenen leggen verder geen huurovereen- komst neer noch een attest van lidmaatschap in een of ander clubverband of in een sportvereniging. Het dossier bevat ten slotte geen sociaal verslag. Uit de debatten ter zitting blijkt dat beide aanvragers een zeer beperkt Nederlands beheersen. Aldus is de Commissie unaniem van oordeel dat betrokkenen in het geheel niet aantonen dat zij, naast een regelmatig en ononderbroken verblijf in het Rijk sedert de asielaanvraag in oktober 1998, daadwerkelijk duurzame sociale bindingen hebben kunnen aanknopen. Derhalve kan aan hun regularisatieverzoek geen gunstig gevolg worden gegeven. (...)”. 1.
- Op 8 april 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Mijnheer, De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te A., op 28/01/2000 en dat het nummer 21002000012805605 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikt U over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen. (...)”. 1.
- Op 30 augustus 2002 wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing die aanleiding gaf tot het arrest nummer 138.946 dd. 7 januari 2005 van de XIVde kamer van de Raad van State in de zaak G/A. 126.236/XIV-11.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de “schending van art. 62 van de wet van 15 december 1980 (eerste onderdeel) en van art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (tweede onderdeel) en van het beginsel van behoorlijk bestuur (derde onderdeel).”; 2.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel niet ontvankelijk is, omdat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) niet toepasselijk is op de Regularisatiewet; XIV-12.095-4/6 2.
- Overwegende dat het tweede onderdeel van het enig middel niet gegrond is, omdat in het ongunstig advies van de derde kamer van de Commissie voor regularisatie van 28 maart 2002 expliciet wordt gemotiveerd onder punt 4, waarom artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet niet toepasselijk is; dat eveneens duidelijk wordt vermeld waarom artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet niet toepasselijk is op verzoeker en op zijn gezin; dat de motieven van de Regularisatiecommissie niet worden betwist noch worden weerlegd in de ingediende verzoekschriften met relevante en concrete gegevens; dat het de Raad van State niet toekomt om het onderzoek van de Regularisatiecommissie over te doen; dat de Raad enkel nagaat of de Regularisatiecommissie, op grond van de motieven en argumenten die zij weerhoudt, kan komen tot haar conclusie dat inzake een ongunstig advies betreffende de regularisatie wordt verleend; dat de Regularisatiecommissie verzoeker de kans heeft gegeven om bijkomende stukken in te dienen betreffende zijn tewerkstelling sedert 1999 en zijn integratie; dat op 18 maart 2002, datum waarop de stukken dienden te worden neergelegd of ingediend ter griffie van de Regularisatiecommissie, geen stukken door verzoeker werden overgemaakt, zodat de Commissie terecht op die datum de zaak in beraad heeft genomen; dat de bevoegde Minister op goede gronden de motieven van het negatief advies heeft overgeno- men en tot de zijne heeft gemaakt; Overwegende dat de Advocaat van verzoeker op 13 mei 2004 een nota verstuurt naar de Raad van State met in bijlage 5 stukken; dat het indienen van een nota door verzoeker in het kader van artikel 26/7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, niet is voorzien, zodat een dergelijke nota enkel geldt als inlichting en niet als een rechtsgeldig processtuk; dat uit voornoemde nota blijkt dat feitelijk vaststaat dat verzoeker de datum van 18 maart 2002 niet heeft gerespecteerd; dat dit blijkt uit de samenlezing van punt zes van het advies van 28 maart 2002 met bladzijde twee, eerste paragraaf van de nota; dat de Commissie geen rekening kan, noch mag houden met stukken die worden verstuurd, nadat zij de zaak in beraad neemt; Overwegende dat de Raad van State geen rekening kan houden met stukken die de Regularisatiecommissie niet kent op het tijdstip waarop zij haar advies uitbrengt; 2.
- Overwegende dat het derde onderdeel van het enig middel, met name de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, niet ontvankelijk is omdat dit onderdeel in de verzoekschriften niet wordt uitgewerkt; 2.
- Overwegende dat verzoeker geen middel aanvoert tegen het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te XIV-12.095-5/6 verlaten van 30 augustus 2002; dat dit bevel het voorwerp uitmaakt van de zaak gekend onder het nummer G/A. 126.236/XIV- 11.532, die is uitgemond in voornoemd arrest (cfr. punt 1.8.), BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-12.095-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.