← België

Arrest 138949 - - 07/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.949 Rolnummer: A. 129806/XIV-12761 Zaak: Arrest 138949 - - 07/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 05:55 Fiche Arrest nr 138.949 van 7 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.949 van 7 januari 2005 in de zaak A. 129.806/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 oktober 1974 en van XXX nationaliteit, op 21 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.761-1/6 Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 16 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 februari
  4. 1.
  5. Op 12 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 23 oktober 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 11 september 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. XIV-12.761-2/6
  7. Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 63/3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin-genwet), van het redelijkheids - en het rechtszekerheidsbeginsel, en van de rechten van de verdediging; 2.
  8. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel aanvoert dat het redelijkheids - en het rechtszekerheidsbeginsel werden geschonden omdat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar asielaanvraag niet binnen een redelijke termijn heeft behandeld, aangezien zij op 21 februari 2000 de status van vluchteling aanvroeg, op 25 oktober 2000 een dringend beroep indiende, maar de Commissaris-generaal pas twee jaar later, namelijk op 23 oktober 2002, een beslissing nam inzake haar asielaanvraag, terwijl hij bovendien in toepassing van artikel 63/3, van de Vreemdelingenwet, slechts over een termijn van dertig dagen beschikt om zijn beslissing te nemen; dat, aldus verzoekster, de redelijke termijn werd overschreden; Overwegende dat verzoekster niet aantoont hoe de duur van de asielprocedure haar belangen heeft geschaad, daar zij, zolang het dringend beroep hangende is, niet van het grondgebied kan worden verwijderd en in afwachting van de behandeling van haar dringend beroep, de mogelijkheid heeft om (aanvullende) elementen en stukken ter staving van haar asielaanvraag te verzamelen; dat de termijn van dertig dagen van artikel 63/3, §1, van de Vreemdelingenwet, waarover de Commissaris-generaal beschikt om te beslissen geen vervaltermijn is, maar een termijn van orde; dat het bovendien niet duidelijk is waarom zij dit middel inroept, daar zij voorbijgaat aan de motivering van de bestreden beslissing waaruit blijkt dat de afwijzing van haar asielaanvraag op de eerste plaats aan háár eigen toedoen is te wijten, zoals blijkt uit wat volgt; dat dit onderdeel van het middel niet dienstig kan worden aangevoerd en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.
  9. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel aanvoert dat het rechtszekerheidsbeginsel en dat haar rechten van verdediging werden geschonden, onder verwijzing naar artikel 57/11, § 2, van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat verzoekster niet uitlegt waarom en hoe het rechtszeker- heidsbeginsel werd geschonden; dat dit onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat tengevolge van het arrest van het Arbitragehof van 13 november 1996, artikel 57/11, § 2, van de Vreemdelingenwet werd opgeheven door artikel 3 van de wet van 9 maart 1998, dat in werking trad op 13 juli 1998; dat bijgevolg artikel 57/11, § 2, van de Vreemdelingenwet dat niet meer bestaat, geen annulatie- of schorsingsgrond kan opleveren; dat dit onderdeel bijgevolg faalt naar recht; XIV-12.761-3/6
  10. Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van de hoorplicht en de rechten van verdediging, omdat de Commissaris-generaal “een bevestigende beslissing van weigering van verblijf neemt (nam) ten aanzien van verzoekster zonder haar uit te nodigen voor een verhoor waarin zij haar relaas en standpunt kan (kon) doen kennen”; dat zij aanvoert dat zij“door het toezenden van het medisch attest dd. 24.09.2002 (...) de wens heeft geuit gehoord te worden”; Overwegende dat het tweede middel van verzoekster feitelijke grondslag mist en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, vermits uit de stukken van het administratief dossier het volgende blijkt: 1/ Verzoekster wordt bij aangetekende brief van 11 september 2002 opgeroepen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voor een mondeling verhoor dat doorgaat op 25 september 2002 om 13.30 uur. Op die datum biedt verzoekster zich niet aan. In het administratief dossier bevindt zich een “postpac” dat aangetekend werd verzonden op 24 september
  11. Dit bevat een doktersattest van 16 augustus 2002 van Dr. N. ORTALO-MAGNE van de Dienst spoedgevallen van de St- Etiennekliniek te Brussel, met enkel de vermelding dat verzoekster zich er op die dag heeft aangeboden. In het “postpac” bevindt zich tevens een doktersattest van 24 september 2002 van Dr. M. KUTU KADI, met praktijk te 1000 BRUSSEL, Masuistraat
  12. In dit doktersattest wordt vermeld dat verzoekster niet in staat wordt geacht te gaan werken vanaf 24 september 2002 tot en met 27 september 2002, wegens ziekte. 2/ In de hogergenoemde oproepingsbrief van het Commissariaat-generaal wordt toegelicht dat verzoekster de gelegenheid krijgt om de motieven van haar asielaanvraag te verduidelijken en dat “een heroproeping (...) in principe niet mogelijk (is)”; dat verder wordt vermeld dat “indien een geval van overmacht U belet gevolg te geven aan deze oproeping, (U) mij binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven (dient) te bezorgen. In dat geval zal ik uw dossier onderzoeken zonder dat ik verplicht ben u opnieuw op te roepen.”; dat tevens duidelijk wordt vermeld dat “in geval van overmacht (u) bijgevolg eveneens (moet) antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: Is de Commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? (...) Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht”; 3/ Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster de kans heeft gekregen om haar asielrelaas mondeling en schriftelijk toe te lichten, om (bijkomende) stukken XIV-12.761-4/6 in te dienen en om zo nodig haar relaas te preciseren en te vervolledigen; dat verzoekster dit niet heeft gedaan; dat het feit dat een bevestigende beslissing werd genomen zonder dat zij haar relaas en standpunt nog heeft meegedeeld aan de Commissaris-generaal, derhalve aan haar eigen toedoen is te wijten; dat verzoeksters “argument” dat zij “door het toezenden van het medisch attest dd. 24.09.2002 (...) de wens heeft geuit gehoord te worden”, hieraan geen afbreuk doet, gezien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen zoals uiteengezet in de oproepingsbrief van de Commissaris-generaal dd. 11 september 2002; dat de beslissing van de Commissaris-generaal wettig is vermits noch de hoorplicht, noch de rechten van verdediging werden geschonden; dat het tweede middel ongegrond is;
  13. Overwegende dat verzoekster een derde middel afleidt uit de schending van de artikelen 52, § 2, 4/, en 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin-gen; dat zij tevens aanvoert dat er sprake is van machtsmisbruik; dat zij betoogt dat de “vraag om inlichtingen”, waarvan sprake is in de oproepingsbrief van het Commissariaat-generaal van 11 september 2002, niet kan gelijkgesteld worden met de “vraag om inlichtingen” zoals vermeld in artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet, zodat de Commissaris-generaal ten onrechte toepassing maakt van voornoemd artikel; dat zij uitlegt dat het verzoek, vermeld in voornoemd artikel 52, § 2, 4/, geen enkele “verdere of gedetailleerde precisering en uitleg aangaande verzoeksters asielprocedure vordert, doch enkel de bevestiging vraagt van het feit of verzoekster wel al de elementen van haar asielaanvraag aan de Commissaris-generaal heeft overgemaakt (...)”; Overwegende dat de Raad van State vaststelt dat de oproepingsbrief van 11 september 2002 uiterst gedetailleerde en precieze informatie bevat die rekening houdt met de verschillende gevallen die zich kunnen voordoen, wanneer de asielzoeker zich niet aanbiedt op het interview, waartoe hij werd opgeroepen door de Commissaris-generaal; dat de inhoud van voormelde oproepingsbrief, in tegenstelling met wat verzoekster aanvoert, een concrete en exacte uitwerking inhoudt van het voorschrift van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdeling- enwet; dat in casu het medisch attest van Dr. M. KUTU KADI de afwezigheid van verzoekster op het interview verantwoordt, maar geen verzoek inhoudt om te worden gehoord tijdens een later interview; dat een dergelijke interpretatie van voornoemd attest (met name een verzoek om te worden gehoord) een miskenning zou inhouden van de bewijskracht van dit attest; dat het verzoekster vrij stond om schriftelijk te verzoeken om een tweede interview; dat zij dit niet heeft gedaan, zodat de Commissaris-generaal artikel 52, § 2, 4/ oordeelkundig heeft toegepast en het derde middel ongegrond is;
  14. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot XIV-12.761-5/6 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-12.761-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.