← België

Arrest 138962 - - 10/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.962 Rolnummer: A. 104565/VII-32964 Zaak: Arrest 138962 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 05:56 Fiche Arrest nr 138.962 van 10 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.962 van 10 januari 2005 in de zaak A. 104.565/VII-32.964 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen :
  3. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  4. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Oekraïense nationaliteit, op 11 mei 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 april 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 6 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; VII-32.964-1/6 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS, die, loco Advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 4 december 2000 en verklaarden zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  7. Op 8 december 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 11 april 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij: “Aan betrokkene werd op 8 maart 2001 op zijn gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping bevestigt de Commissa- ris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 december
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren." Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevoch- VII-32.964-2/6 ten beslissing, te weten vijf dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”. Voor de tweede verzoekende partij : “Aan betrokkene werd op 8 maart 2001 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping bevestigt de Commissa- ris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 december
  10. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.” Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevoch- ten beslissing, te weten vijf dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; 2.
  11. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat het annulatieberoep van de verzoekende partijen onontvankelijk is ratione temporis; 2.
  12. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissingen aan de verzoekende partijen bij aangetekende zending met poststempel 11 april 2001 werden verstuurd; dat het op 11 mei 2001 aangetekend verzonden verzoekschrift derhalve tijdig werd ingediend; dat de door de tweede verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis niet kan worden aangeno- men; 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt : “Schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeker werpt een middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Volgens J. Salmon, “une décision administrative est dépourvue de base juridique (et est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se fonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce” (J. Salmon, Le Conseil d'Etat, Bruylant, 1994, tome I, p. 474). VII-32.964-3/6 In casu heeft het Commissariaat-generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52, paragraaf 2, alinéa 4 van de wet van 15 december
  14. Dit artikel kan in casu nochtans niet worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr: “de Minister (...) of' diens gemachtigde kan beslissen...”) en geenszins het Commissariaat-generaal. De Commissaris-generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en hij handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december
  15. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht).”; 3.
  16. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : “In het enig middel roepen verzoekers een schending in van het motiveringsbegin- sel, in het bijzonder van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en van het artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoekers stellen dat de weigering van verblijf op basis van artikel 52, §2, al.4 van de Vreemde- lingenwet, enkel door de Minister of diens aangestelde en geenszins door de Commissaris-generaal genomen zou kunnen worden. Verweerder stipt aan dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid inzake de asielprocedure correct heeft uitgeoefend. Art 63/3 van Vreemdelingenwet biedt aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid hetzij een asielaanvraag niet ontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering genomen door de Minister te bevestigen hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren. In de wet wordt echter niet uitdrukkelijk bepaald op grond van welke criteria de Commissaris-generaal kan besluiten tot de onontvankelijkheid van een asielaanvraag. De verschillende onontvankelijksheidsgron- den waarop de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde zich kan beroepen worden opgesomd in art. 52 van de Vreemdelingenwet. Aangezien de Commissaris-generaal de weigering van verblijf, genomen door de Minister of zijn gemachtigde kan bevestigen is het logisch dat hij dit eveneens doet op basis van dezelfde onontvankelijkheidsgronden. Naast de onontvankelijkheidsgronden “kennelijk ongegrond”, “bedrieglijk”, “vreemd” ... enz. opgesomd in art. 52 § 1 kan de Commissaris-generaal zich ook baseren op de onontvankelijkheidsgronden voorzien in art. 52 § 2, 4de , met name “het zonder geldige reden binnen de maand na de verzending geen gevolg geven aan de oproeping, noch aan de vraag om inlichtingen erin vervat”, om de weigeringsbeslissing genomen door de Minister of diens gemachtigde te bevestigen. In casu werden volgens artikel 52 van de Vreemdelingenwet verzoekers asielaanvra- gen onontvankelijk verklaard omdat ze zonder geldige reden binnen de maand na de oproeping geen gevolg hebben gegeven aan de oproeping die voorzien was op 16 maart
  17. Die oproepingsbrief van 8 maart 2001 werd per aangetekende brief aangeboden op 12 maart 2001 aan verzoekers laatstgekozen woonplaats: Sleutelstraat 12, 1000 Brussel. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers dit als adres opgegeven hebben op 19 december 2000 op het CGVS. Verzoekers hebben echter nooit de oproepingsbrief afgehaald en hebben geen enkel contact met het CGVS opgenomen binnen de maand na de oproeping. Daarbij merkt verweerder op dat verzoekers op geen enkele wijze hiervoor een verklaring geven in hun verzoekschrift. In tegendeel zelfs, verzoekers bevestigen bij hun verzoekschrift nog steeds op dat adres (sleutelstraat 12, 1000 Brussel) te verblijven. De bestreden beslissingen zijn afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen werden kenbaar gemaakt.”; VII-32.964-4/6 3.
  18. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij, en stelt dat met betrekking tot het bevel het grondgebied te verlaten geen middel wordt ontwikkeld; 3.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord naar de inhoud van het verzoekschrift tot nietigverklaring verwijst; 3.
  20. Overwegende dat artikel 63/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een dringend beroep instelt bij de Commissaris- generaal tegen de beslissing waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart; dat de Commissaris-generaal luidens artikel 63/3, eerste lid, van dezelfde wet, deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde kan bevestigen dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat de voornoemde bepalingen derhalve een georganiseerd administratief beroep inrichten tegen de in artikel 63 van de Vreemdelingen- wet bepaalde beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat het voornoemde artikel 63/3 niet uitdrukkelijk de gronden vermeldt waarop de Commissaris-generaal de bij dringend beroep bij hem aanhangig gemaakte beslissing kan bevestigen dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat evenwel één van de wezenskenmerken van een georganiseerd administratief beroep is, dat bij het behandelen van zulk een beroep de aanvraag in haar volledigheid, en dus zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de opportuniteit, wordt onderzocht; dat derhalve de Commissaris-generaal wanneer hij oordeelt in hoger (dringend) beroep, dezelfde beoordelingsbevoegdheid heeft als die waarover de Minister van Binnenlandse Zaken in eerste aanleg beschikt; dat derhalve de Commissaris-generaal bij het nemen van de in artikel 63/3, eerste lid, van de Vreemde- lingenwet bepaalde beslissing, rechtmatig kan steunen op de in artikel 52, § 2, van de Vreemdelingenwet bepaalde (on)ontvankelijkheidsgronden; dat de verwijzing naar artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet als rechtsgrond voor de bestreden beslissingen derhalve geen motiveringsgebrek vormt; dat het enige middel ongegrond is;
  21. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-32.964-5/6 BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.964-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.