id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.963 Rolnummer: Zaak: Arrest 138963 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 05:56 Fiche Arrest nr 138.963 van 10 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 138.963 van 10 januari 2005 in de zaken A. 104.723/VII-32.965 A. 104.751/VII-32.966 In zake :
(1990)zouden de gronden aan de voormalige eigenaars teruggegeven zijn en sedertdien zouden er herhaaldelijk conflicten plaatsgevonden hebben tussen betrokkenes familie en de familie Qera. In 1999 zouden deze conflicten geëscaleerd zijn omdat betrokkenes familie de grond zou opgeëist hebben. Betrokkene en de overige familieleden zouden herhaaldelijk met de dood bedreigd zijn omdat zij niet van hun eis wilden afzien. In 2000 zouden betrokkenes broer en neef door familieleden van Qera bedreigd zijn en vanaf februari 2001 zouden ook betrokkene en zijn gezin doodsbedreigingen ontvangen hebben. Omdat betrokkene vreesde dat de familie Qera haar dreigementen zou uitvoeren, zou hij besloten hebben om Albanië te verlaten. Hij zou, vergezeld van zijn echtgenote, XXX en hun twee minderjarige kinderen via Italië naar België uitgeweken zijn, waar hij op 26 maart 2001 asiel vroeg. Er dient opgemerkt te worden dat betrokkene in zijn opeenvolgende verklaringen geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij zijn land verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat hij alsnog zulk een vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Albanië. De door betrokkene aangehaalde feiten, namelijk het hoogoplopende conflict tussen de huidige landeigenaar en betrokkenes familie en zijn vrees om door Qera gedood te worden, zijn namelijk problemen van interfamiliale (tussen twee families) en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard en kunnen als dusdanig niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteren. Uit niets blijkt immers dat betrokkene om redenen voorzien in bovengenoemde Conventie geen beroep zou kunnen doen op de lokale en/of hogere autoriteiten van zijn land. Aangezien uit betrokkenes opeenvolgende verklaringen duidelijk blijkt dat zijn asielmotieven manifest vreemd zijn aan de criteria van de Vluchtelingenconventie, acht de Commissaris-generaal het in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk betrokkene te horen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet VII-32.965 & VII-32.966-3/9 aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 29 maart 2001. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren." Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevoch- ten beslissing, te weten 5 dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”. Voor de tweede verzoekende partij : “Uit haar opeenvolgende verklaringen blijkt dat betrokkene haar asielaanvraag steunt op dezelfde motieven als diegenen die door haar echtgenoot, Cevaj Selman, werden aangevoerd. In het kader van het door deze laatste ingediend dringend beroep werd door het Commissariaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Er kan derhalve ook in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingen- conventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 29 maart 2001. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren." Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevoch- ten beslissing, te weten 5 dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; 3. Over de gegrondheid van de beroepen. 3.1. Het beroep van XXX. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker volgende middelen aanvoert : “1. Het Commissariaat-generaal heeft ten onrechte geoordeeld dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn, en/of dat verzoeker niet zou aantonen dat de gemachtig- de van de Minister van Binnenlandse Zaken zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. VII-32.965 & VII-32.966-4/9 Uit het bovenstaande feitenverloop blijkt integendeel duidelijk dat verzoeker een gegronde reden had om zijn land te verlaten, en een uiterst acuut risico loopt van schending van de Conventie van Genève in geval van terugleiding naar zijn land van oorsprong, waar hij immers zonder enige twijfel onmiddellijk opnieuw zou worden geconfronteerd met bedreiging, intimidatie en geweldpleging, en dit in een context waarbij de autoriteiten en politiediensten in zijn land, louter op grond van zijn politieke gezindheid, doof blijken te zijn voor zijn klachten en zijn rechtmatige aanspraken. Verzoeker verwijst terzake naar artikel 1 A, 2 van de Conventie van Genève. Hij meent - terecht - wel degelijk aan de criteria van deze Conventie te voldoen. Door negatief te besluiten, is er aldus sprake van machtsafwending in hoofde van het Commissariaat-generaal. 2. De terugleiding van verzoeker naar zijn land van oorsprong zou zeer ernstige gevolgen hebben voor de fysieke en psychische integriteit van verzoeker zelf en van zijn gezinsleden, omdat zij in Albanië zonder enige twijfel opnieuw bloot zouden staan aan bedreiging, intimidatie en geweldpleging. Dat de autoriteiten en politiediensten van het land van verzoeker onder één hoedje blijken te spelen met wie hen - louter op basis van politieke overtuiging - gunstig gezind is, maakt het voor verzoeker onmogelijk nog langer in zijn land te verblijven zonder gegronde vrees voor dergelijke feiten. Het Commissariaat-generaal heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden, en overschrijdt aldus zijn appreciatiebevoegdheid. Bovendien schiet de beslissing aldus tekort wat de motivering ervan betreft (zie punt 3). 3. De bevestigende beslissing tot weigering van verblijf is onvoldoende gemotiveerd, en is louter gebaseerd op de foutieve vaststelling dat het zou gaan om een probleem van interfamiliale en gemeenrechtelijke aard (zie hoger). Blijkbaar veronachtzaamt men hier volkomen de voornaamste dimensie van het probleem, die door verzoeker ook te berde werd gebracht, nl. dat hij op geen enkele manier gehoor vond bij zijn autoriteiten en zelfs door hen agressief werd behandeld, hetgeen bij hem terecht de gegronde vrees deed ontstaan dat hij bij een eventuele escalatie van het conflict en/of de uitvoering van de doodsbedreigingen evenmin enige bescherming zou kunnen genieten. Dat derhalve de nietigverklaring van de beslissing wordt gevorderd wegens
- a)afwending van macht;
- b)gemis aan motivering;
- c)niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur.”; 3.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : “1. In een eerste middel beroept verzoeker zich op machtsafwending in hoofde van het Commissariaat-generaal. Verweerder antwoordt dat A. Mast bepaalt dat machtsafwending “... de onwettigheid (
- is)waarbij een bestuursorgaan de bevoegdheid welke hem bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel” (zie A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 836-839.). De rechtspraak eist verder dat het ongeoor- loofde kenmerk het enige doel van de betwiste maatregel zou zijn (zie arrest Raad van State nr. 2.957 van 3 december 1953). Verzoekers maken niet aannemelijk dat verweerder zijn macht heeft aangewend tot het nastreven van een ander doel dan het bepaalde oogmerk van algemeen belang. Verweerder heeft terecht, op basis van de in de bestreden beslissingen opgenomen overwegingen, kunnen besluiten dat de asielaanvragen geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. Het eerste middel is niet ernstig. 2. In een tweede middel beroepen verzoekers zich op een gemis aan motivering. 2.1. Verzoekers werpen op dat de autoriteiten eerste verzoeker, louter op basis van zijn politieke overtuiging, niet gunstig gezind zijn. Verweerder antwoordt dat verzoekers niet aannemelijk maken niet te kunnen rekenen op de bescherming van hun autoriteiten omwille van de politieke gezindheid van eerste verzoeker. Er zijn geen VII-32.965 & VII-32.966-5/9 gegevens bekend van vervolgingen van leden van de PLL in Albanië louter op basis van hun politieke overtuiging. Dit wordt onder andere bevestigd door het landenrapport van het UK Home Office, Albania Assessment, april 2002 (zie bijlage). Verzoekers brengen geen objectieve elementen aan die op het tegendeel wijzen. Terecht werd in de bestreden beslissing vastgesteld dat niets erop wijst dat verzoekers om redenen voorzien in het Vluchtelingenverdrag geen beroep zouden kunnen doen op de autoriteiten van hun land van oorsprong. 2.2. In verband met het advies over de eventuele terugleiding merkt verweerder op dat dit advies niet vatbaar is voor nietigverklaring, noch voor schorsing, omdat het niet onder toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State (R.v.St., nr. 86.914 van 26 april 2000). 3. In een derde middel beroepen verzoekers zich op de niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur. 3.1. Verzoekers werpen op dat een belangrijke dimensie van het probleem veronachtzaamd werd, met name dat zij geen gehoor vonden bij de autoriteiten en zelfs door hen agressief behandeld werden. Verweerder antwoordt dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoekers agressief door de politie behandeld werden. Ook antwoordden ze voor de Dienst Vreemdelingenzaken beiden ontkennend op de vraag of er ooit een aanslag op hun fysieke integriteit heeft plaatsgevonden (DVZ-verslag man en vrouw, vraag 45). Evenmin zijn er gegevens bekend die erop wijzen dat PLL-leden omwille van hun politieke overtuiging vervolgd worden. Verweerder verwijst hiervoor verder naar zijn repliek op het tweede middel. Het derde middel is niet ernstig.”; 3.1.3. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij, en stelt dat met betrekking tot het bevel het grondgebied te verlaten geen middel wordt ontwikkeld; 3.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt antwoordt : “1. Verzoeker handhaaft onverkort zijn standpunt betreffende: - de machtsafwending in hoofde van verwerende partijen; - het gemis aan motivering van de bestreden beslissing; - de niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur. 2. Wat de machtsafwending betreft, is deze wel degelijk manifest aanwezig, in die zin dat men de Belgische asielprocedure derwijze gebruikt dat ze er niet langer op gericht is om de gerechtvaardigde aanvragen tot politiek asiel te onderzoeken en te beoordelen, maar om de immigratiestromen te beperken (om welke reden dan ook). Hiervoor kan worden verwezen naar het feit dat haast alle persberichten met betrekking tot het CGVS niet verwijzen naar het inhoudelijk werk van deze instanties, maar louter naar de aantallen van de verwerkte en nieuw binnengekomen aanvragen, hetgeen in wezen irrelevant is bij de aan hen toevertrouwde taak. 3. De bestreden beslissing is ook duidelijk onvoldoende gemotiveerd. Verzoeker en zijn echtgenote hebben van in den beginne duidelijk gemaakt dat zij, bij het neerleggen van klachten bij de autoriteiten, niet alleen niet werden geholpen maar zelfs agressief werden behandeld. De neo-communistische autoriteiten kozen duidelijk de kant van de politiek gelijkgezinde familie Qera die verzoeker en zijn gezin aldus ongestraft mochten bedreigen en intimideren. Er was dus een manifest gebrek aan bescherming door de eigen autoriteiten. De bestreden beslissing gaat hier volkomen aan voorbij. Het door de Commissaris-generaal voorgelegde landenrapport van het UK Home Office ontkracht dit niet, en bevestigt integendeel in het hoofdstuk “Blood Feuds” (punt 5.109) dat de overheid er nauwelijks of niet in slaagt om de - zelfs fatale - escalatie van sommige interfamiliale geschillen te vermijden. Ofschoon men daartoe inspanningen levert, blijven er talrijke gevallen - en het rapport bevestigt dit - waarin de autoriteiten geen bescherming blijken te kunnen bieden aan de slachtoffers van familievetes, zoals verzoeker. VII-32.965 & VII-32.966-6/9 4. Ook inzake de niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur blijft verzoeker bij zijn standpunt. Zoals hierboven wordt uiteengezet, vonden verzoeker en zijn echtgenote niet alleen geen gehoor bij de autoriteiten, maar werden zij er negatief en agressief bejegend. De bestreden beslissing heeft dit belangrijke aspect van het dossier ten onrechte onbesproken gelaten.”; 3.1.5. Overwegende dat het gepast voorkomt de aangevoerde middelen samen te bespreken; dat, met betrekking tot de opgeworpen “machtsafwending”, verzoeker op geen enkel ogenblik duidelijk maakt dat de beslissingnemende overheid zijn macht afwendt van het doel waarvoor deze macht is gegeven, zijnde de controle van asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat de Commissaris- generaal in casu op basis van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen besloten heeft dat verzoekers asielaanvraag kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève, omdat hij in zijn opeenvolgende verklaringen geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij zijn land verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoeker zijn stelling dat de eigen autoriteiten doof blijven voor zijn klachten, geenszins met concrete, persoonlijke gegevens weet te staven; dat verzoeker zich ook in de memorie van wederantwoord beperkt tot een zuivere bewering over het oogmerk van de Belgische asielprocedure, zonder deze ook maar enigszins met pertinente elementen te onderbouwen dat de omstandigheid dat persberichten enkel zouden verwijzen naar aantallen, geenszins impliceert dat het Commissariaat-generaal de aanvragen tot politiek asiel niet grondig zou onderzoeken en beoordelen; dat verzoeker derhalve machtsafwending vanwege de Commissaris-generaal niet aannemelijk maakt; Overwegende dat het determinerend motief van de bestreden beslissing gelegen is in de vaststelling dat de door verzoeker aangehaalde feiten problemen van interfamiliale en gemeenrechtelijke aard zijn en als dusdanig niet onder de criteria van de Conventie van Genève ressorteren; dat verzoeker thans aanvoert dat hij geen bescherming van zijn nationale autoriteiten en politiediensten kon krijgen, dit omwille van zijn politieke overtuiging, en dat hij door hen zelfs agressief werd behandeld; dat verzoeker stelt dat hij en zijn echtgenote dit “van in den beginne duidelijk (hebben) gemaakt”; dat echter uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat noch verzoeker, noch zijn echtgenote, hiervan ook maar enig gewag hebben gemaakt tijdens het verhoor op de Dienst Vreemde- lingenzaken; dat, gelet op de omstandigheid dat een asielzoeker wordt geacht zo duidelijk en volledig mogelijk zijn asielmotieven weer te geven - zeker wat de feiten betreft die de kern van het asielrelaas raken - en dit vanaf het begin van de asielprocedure, in casu dan ook getwijfeld kan worden aan verzoekers stellingen a posteriori; dat verzoekers ook beiden voor de Dienst Vreemdelingenzaken ontkennend antwoordden op de vraag of er ooit een aanslag op hun fysieke integriteit heeft plaatsgevonden; dat de bestreden beslissing vaststelt dat niet blijkt dat verzoeker om redenen voorzien in de Conventie van Genève geen beroep zou kunnen doen op de lokale en/of hogere autoriteiten van zijn land; dat de bestreden beslissing VII-32.965 & VII-32.966-7/9 aldus wel degelijk dit aspect in acht nam; dat het oordeel van de Commissaris-generaal dat verzoekers asielaanvraag kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève, dan ook niet kennelijk onredelijk is; dat, wat verzoekers opmerking in zijn memorie van wederantwoord betreft dat het door het Commissariaat-generaal bij de memorie van antwoord toegevoegde landenrapport van het UK Home Office zijn beweringen niet ontkracht, maar integendeel in het hoofdstuk “Blood Feuds” bevestigt, dient te worden opgemerkt dat het desbetreffende hoofdstuk enkel stelt dat ondanks inspanningen van de overheid, het 15de eeuwse gewoonterecht opnieuw is opgedoken sinds de terugkeer van de democratie, maar geenszins stelt dat de autoriteiten en politiediensten van het land van verzoeker onder één hoedje spelen met wie hun, louter op basis van politieke overtuiging, gunstig gezind is; dat verzoeker een gemis aan motivering aldus niet aannemelijk maakt; Overwegende dat verzoeker ten slotte nog een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur aanvoert, doch nalaat aan te geven welk beginsel hij geschonden acht; dat, wat de motiveringsvereiste betreft, verwezen kan worden naar het voorgaande, waaruit blijkt dat de door verzoeker bestreden beslissing uitgebreid de motieven bevat op grond waarvan wordt geoordeeld dat de aanvraag kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève; dat de juistheid en pertinentie van deze motieven niet worden weerlegd door verzoeker; dat de middelen van verzoeker ongegrond zijn; 3.2. Het beroep van XXX 3.2.1. Overwegende dat verzoekster zich aansluit bij de door haar echtgenoot ontwikkelde middelen; 3.2.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord dezelfde opmerkingen formuleert als in de memorie van antwoord ten aanzien van verzoeker; 3.2.3. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij, en stelt dat met betrekking tot het bevel het grondgebied te verlaten geen middel wordt ontwikkeld; 3.2.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord dezelfde opmerkingen formuleert als in de memorie van wederantwoord van verzoeker; 3.2.5. Overwegende dat de beslissing die ten aanzien van verzoekster werd genomen rust op de bevestigende beslissing van weigering van verblijf ten aanzien van haar echtgenoot; dat de verwerping van het beroep van haar echtgenoot meebrengt dat ook het beroep van verzoekster moet worden afgewezen; VII-32.965 & VII-32.966-8/9 4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De zaken A. 104.723/VII-32.965 en A. 104.751/VII-32.966 worden gevoegd. Artikel 2. De beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 3. De kosten van de beroepen, bepaald op 694,10 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.965 & VII-32.966-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.963 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div