id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.972 Rolnummer: A. 129954/X-11198 Zaak: Arrest 138972 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 05:56 Fiche Arrest nr 138.972 van 10 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.972 van 10 januari 2005 in de zaak A. 129.954/X-11.198. In zake : 1. b.v.b.a. KORTE HEIDE, 2. Rosa CEELEN, 3. Anna JANSEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33, 2. de provincie ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. KORTE HEIDE, Rosa CEELEN en Anna JANSEN op 30 november 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 juli 2002 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan "Terrein voor openluchtrecreatieve verblijven Korte Heide" te Kasterlee, bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2002; Gelet op het arrest nr. 118.994 van 5 mei 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen, de bekendmaking van het arrest wordt bevolen op dezelfde wijze als het geschorste besluit, en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 3 juni 2003 ingediend door de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; X-11.198-1/17 Gezien het administratief dossier van de tweede verwerende partij; Gezien de "memorie van wederantwoord annex toelichtende memorie" van de verzoekende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. YSENBAERT die, loco Advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Adviseur R. LANGERWERF, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat, wat de uiteenzetting van de feiten betreft, kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting in voormeld arrest nr. 118.994 van 5 mei 2003; Overwegende dat de verzoekende partijen hun belang in het verzoekschrift tot nietigverklaring zelf beperken in die zin dat zij stellen geen nietigverklaring te kunnen vorderen voor de initieel gevraagde bestemmingsruiling van enerzijds de twee percelen in het noorden en het westen, die volgens het gewestplan zijn ingekleurd als natuurgebied met wetenschappelijke waarde, doch X-11.198-2/17 die sinds het begin (ongeveer sedert 1962) gebruikt worden als kampeerterrein; dat zij stellen dat het geen betoog hoeft "dat het ruimtelijk uitvoeringsplan, goedgekeurd door de Vlaamse Regering van 5 juli 2002, dit euvel heeft opgelost en verzoeksters derhalve geen belang hebben om dienaangaande enige schorsing of vernietiging te vorderen"; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat een gedeeltelijke vernietiging van het plan onmogelijk is daar het als een geheel dient te worden beschouwd waarin ruimtelijke belangen tegen elkaar worden afgewogen, en dat de vordering onontvankelijk is omdat de verzoekende partijen aldus het onmogelijke vragen; dat zij stelt dat het verzoekschrift minstens dubbelzinnig is omdat het niet duidelijk aangeeft of het de volledige of de gedeeltelijke nietigverklaring beoogt van het bestreden besluit; Overwegende dat de verzoekende partijen in de "memorie van wederantwoord annex toelichtende memorie" verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State waaruit moet blijken dat een gedeeltelijke nietigverklaring mogelijk is; dat zij vervolgens argumenteren dat de twee kleine percelen waarvan geen nietigverklaring werd gevorderd perfect kunnen worden afgescheiden van de rest van het ruimtelijk uitvoeringsplan en dat, mocht de Raad er vanuit gaan dat een gedeeltelijke nietigverklaring niet mogelijk is, tot volledige vernietiging dient te worden overgegaan; Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie in essentie de verwerende partijen oproepen de bestreden beslissing gedeeltelijk in te trekken; Overwegende dat de eerste verwerende partij in de laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen zij reeds in de memorie van antwoord heeft uiteengezet; Overwegende dat uit de toelichtingsnota bij het bestreden plan blijkt dat dit kadert in de problematiek van de (deels) zonevreemde terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven; dat artikel 25, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatievoorwaarden van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven bepaalt wat volgt : X-11.198-3/17 "§ 2. Onverminderd de voorwaarden die voor de aanleg en de exploitatie van terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven krachtens andere regelgeving worden opgelegd, wordt de datum, vermeld in § 1, derde lid, bepaald op 30 juni 2003 voor de exploitanten van terreinen die op 31 december 1999 in de onmogelijkheid verkeerden om, met betrekking tot het terrein of een gedeelte ervan, te beschikken over het attest, bedoeld in artikel 5, 10°, voor zover achtereenvolgens voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° uiterlijk op 28 februari 2001 is met het oog op een planologische bestemmingswijziging van het terrein in kwestie door de provincieraad een gemotiveerd verzoek en een voorstel ingediend bij de Vlaamse regering tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan met toepassing van artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingevoegd bij decreet van 26 april 2000. Van deze beslissing moet Toerisme Vlaanderen uiterlijk binnen veertien dagen, na de datum van beslissing, bij aangetekend schrijven, in kennis gesteld worden; (...) 4° uiterlijk op 1 juli 2001 is het ontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld onder 1°, voorlopig vastgesteld door de bevoegde overheid; 5° uiterlijk 13 maanden na de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, is het ruimtelijke uitvoeringsplan definitief vastgesteld; 6° uiterlijk 30 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het vaststellingsbesluit met betrekking tot het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan, dat de exploitatie en het gebruik van een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven toelaat, heeft de uitbater de stedenbouwkundige vergunningen aangevraagd voor de vergunningsplichtige werken die opgenomen zijn in het beschrijvend verslag, vermeld in 3°; 7° uiterlijk 4 maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bedoeld in 6°, heeft de uitbater een vergunningsaanvraag ingediend bij Toerisme Vlaanderen."; dat uit deze bepaling blijkt dat het bestreden plan vanuit planologisch oogpunt is opgevat als één geheel; dat het onttrekken uit dit geheel van percelen of van gebiedsdelen de algemene economie van het plan dat dit geheel moet beheersen, zou aantasten; dat de vraag tot partiële nietigverklaring wordt verworpen; Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel afleiden uit de schending van artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat zij doen gelden dat luidens voornoemde bepaling de "aanpak van de betrokken aangelegenheid (...) een dringend karakter (moet) hebben", dat het dringend karakter enkel en alleen betrekking kan hebben op het euvel dat is weergegeven door de b.v.b.a. KORTE HEIDE per brief van 20 augustus 2000, dat "uiteindelijk (...) het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet enkel de betreffende grenscorrecties (heeft) uitgevoerd, doch het bestaande recreatiegebied voor het aanbrengen van recreatieve en toerisme accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie (gewestplan Turnhout (...)) zelf (
- is)gaan moduleren", dat deze aanpassing van zonering geen dringend karakter heeft; dat verzoekende partijen ter ondersteuning X-11.198-4/17 van hun middel verwijzen naar en citeren uit het eerste voorontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan, naar de discussie over het toekomstig waterbeleid van het Netebekken die volgens verzoekende partijen niet kan worden begrepen onder de noemer "dringend karakter", dat de in het advies van de Vlaamse Commissie Ruimtelijke Ordening gehanteerde redenering contra legem is, dat "uiteraard (...) de Vlaamse Regering het gehele plangebied (mag) herbekijken indien en slechts indien het in aanmerking komt binnen het bovenvermeld geschetst dringend karakter, (dat) het toekomstig waterbeleid Netebekken (...) echter in een nog dermate voorbereidend stadium (
- is)dat dit niet toelaat om een niet ter discussie staande recreatiezone te gaan inperk(
- en)tot de bovenvermelde twee gebieden"; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt wat volgt : "Zelfs ondanks het feit dat de overheid aanvankelijk uit zichzelf niet had opgemerkt dat er 'zonevreemdheidaspecten' aanwezig waren bij de camping 'Korte Heide' van verzoekende partij, is er haar aandacht tijdig op gevestigd. Aldus werd het opgenomen bij de overige RUP's waardoor bij toepassing van artikel 188bis DORO een oplossing werd gezocht. Over het aspect 'dringend karakter' is er aldus geen twijfel mogelijk. De verzoekende partij zelf heeft terecht op dat karakter gewezen. In het schorsingsarrest nr. 118.994 van 5 mei 2003, wordt er, op basis van tekstargumenten uit de voorbereidende werken, door uw Raad van uitgegaan dat de Vlaamse Regering bij het uitoefenen van haar door artikel 188bis, DORO toegewezen bevoegdheid niet eigenmachtig wijzigingen kan aanbrengen aan het voorstel tot ruimtelijk uitvoeringsplan en uitsluitend kan regelen wat zonder meer dringend is, en enkel op gemotiveerde wijze kan weigeren het plan vast te stellen. Men vergelijkt de tussenkomst van de Vlaamse regering met de uitoefening van een goedkeuringstoezicht, waarbij de onder toezicht staande overheid instaat voor de beleidskeuzes, maar het van de goedkeuring van de toezichthoudende overheid afhangt of de regeling ook uitwerking mag hebben. Er wordt gesteld dat de tussenkomst van de Vlaamse regering in het raam van artikel 188bis, DORO op het eerste zicht geschonden lijkt. Er is geen betwisting over de vraag of art. 188bis DORO van toepassing was. Door ervan toepassing te maken heeft de provincie meteen impliciet maar duidelijk geoordeeld over het dringend karakter van de opmaak van een gewestelijk RUP. Dat is ook moeilijk betwistbaar gezien de vervaltermijnen voor camping regularisatievergunningen per einde juni 2003. Het dringend karakter van de opmaak kan derhalve moeilijk in twijfel worden getrokken. De tweede vraag die aan bod gebracht wordt in het schorsingsarrest is of er bij de opmaak van een dergelijk gewestelijk RUP in het kader van art. 188bis DORO, slechts een beperkte bevoegdheid tot bestemmen en herbestemmen is evenals een beperkte bevoegdheid tot het uitvaardigen van stedenbouwkundige voorschriften, nl. beperkt tot datgene wat geen verder uitstel verdraagt, dan wel of er door de overheid beschikt wordt over de volheid van bevoegdheid zoals bij het opmaken van eender welk RUP. De vraag is ten gronde in de eerste plaats welke procedure dient te worden gevolgd bij de opmaak van een VLARUP bij toepassing van art 188bis van het DORO van 18 mei 1999. Dat artikel bepaalt uitdrukkelijk dat de Vlaamse X-11.198-5/17 Regering een gewestelijk RUP kan opmaken voor een aangelegenheid die in een PRORUP zou moeten geregeld worden. Het gewestelijk RUP (verder VLARUP) wordt op gemotiveerd verzoek en op voorstel van de provincieraad opgemaakt, doch het betreft wel degelijk een VLARUP, waarvoor, mutatis mutandis, de procedure zoals beschreven in artikel 41 tot 43 DORO moet worden gevolgd. Het past dan ook de procedure te ontrafelen met aandacht voor de bevoegdheidsverhouding provincie/gewest binnen die procedure. Vertrekpunt voor de opmaak van een VLARUP bij toepassing van artikel 188bis voor een aangelegenheid van provinciaal belang is een gemotiveerd verzoek en een uitgewerkt voorstel van de provincieraad om een VLARUP op te maken. Het betreft hier een exclusieve bevoegdheid van de provincieraad en het spreekt voor zich dat de provinciale ambtenaren in die fase geenszins wijzigingen aan het door de provincieraad goedgekeurde voorstel vermogen aan te brengen. Evenmin is het aan de Vlaamse Regering om aan het voorstel van de provincieraad wijzigingen aan te brengen. Het uitbrengen van een uitgewerkt voorstel betreft duidelijk een exclusieve bevoegdheid van de provincieraad. Die is gerespecteerd. In de verantwoording bij het amendement dat aan de basis ligt van het voorstel van artikel 188bis DORO wordt m.b.t. het voorstel van de provincieraad o.m. gesteld: 'Het voorstel van de provincie moet volledig zijn uitgewerkt. Logischerwijze kan het gewest geen wijzigingen in het voorstel aanbrengen (subsidiariteit). Zij kan het voorstel alleen gemotiveerd weigeren en eventueel (...) een aanpassing van het voorstel suggereren'. Deze toelichting verduidelijkt de exclusieve bevoegdheid van de provincieraad wat het aannemen van een uitgewerkt voorstel betreft. Noch het Vlaams gewest noch enige provinciale of andere ambtenaar is bevoegd om er wijzigingen aan aan te brengen. Dat is ook niet gebeurd in die fase. In deze fase, voorafgaand aan de eigenlijke aanvatting van de procedure tot opmaak van een VLARUP, speelt het subsidiariteitsbeginsel ten volle. In het voorontwerp van besluit tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1995 staat: 'Het voorstel is in hoofdzaak gebaseerd op het principe van de subsidiariteit vervat in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, dat stelt dat het hoofdzakelijk de provincies toekomt uitspraak te doen over de ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven m.b.t. de toeristische infrastructuur. De eerste en principiële toetsing of een terrein wel of niet in aanmerking komt voor een wijziging naar een goede planologische bestemming wordt dus gemaakt op provinciaal niveau, op basis van een provinciale en toeristische visie. Voor de praktische uitvoering dienen de provincies beroep te doen op de procedure voorzien in het gloednieuw artikel 188bis van het DORO.' (...) Nadat de provincieraad haar uitgewerkt voorstel heeft uitgebracht, wordt de eigenlijke procedure aangevat van de opmaak van een VLARUP. Die procedure neemt een aanvang met de opmaak van een voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat dan vervolgens door de Vlaamse Regering aan de adviserende instanties moet worden toegestuurd (art. 41, §1, al. 2, DORO). Hoewel nergens in het decreet expliciet staat vermeld dat het voorontwerp van VLARUP identiek moet zijn aan het uitgewerkte voorstel van de provincieraad, doet het gegeven dat de decreetgever de opmaak van een uitgewerkt voorstel als exclusieve bevoegdheid aan de provincieraad heeft toevertrouwd én het belang dat in de voorbereidende werken aan het uitgewerkte voorstel van de provincieraad, vanuit het subsidiariteitprincipe, wordt gegeven, besluiten dat het voorontwerp van VLARUP de inhoud van het voorstel van de provincieraad respecteert en integraal overneemt. De gebruikelijke fase van voorstudie die uitmondt in een voorontwerp wordt aldus volledig ondervangen door het door de provincieraad uitgewerkte voorstel. X-11.198-6/17 Evenwel is zonder meer duidelijk dat geen enkel decretaal gegeven ervan doet blijken dat vanaf dat stadium niet de volheid van verordenende bevoegdheid toekomt aan het Vlaams gewest zoals die in eender welk op te maken VLARUP kan aangewend worden. Decretaal is er geen grond tot enige beperkte bevoegdheid eens de planning door het gewest is aangevat. Integendeel is het duidelijk dat de overheid te kort zou schieten aan haar bestemmingsbevoegdheid indien ze zich zo zou beperken dat op uiterst korte termijn er nadien zou moeten worden bijgestuurd, o.m. op grond van aspecten van het R.S.V. of andere, zoals het waterbeleid. M.a.w. er is een volheid van bevoegdheid die niet louter beperkt wordt tot hetgeen de provincie heeft geregeld in haar voorstel. Eenmaal in de eigenlijke procedure van opmaak van het VLARUP beland, heeft de provincieraad geen andere bevoegdheid meer dan deze die haar in het kader van deze procedure wordt toegekend. Zo vermag zij haar voorstel, dat in het kader van artikel 41 DORO een voorontwerp van VLARUP is geworden, niet langer aan te passen. Dit is nergens in de procedure tot opmaak van het VLARUP voorzien. Pas later, m.n. bij het uitbrengen van haar advies aan de Vlacoro, verkrijgt de provincieraad in het kader van de opmaakprocedure opnieuw een bevoegdheid (art. 41, §4, 3lid, DORO). Het is duidelijk dat een onbeperkte mogelijkheid vanwege de provincie om de totstandkomingprocedure van het VLARUP af te breken en nieuwe voorstellen te lanceren haar de ongeoorloofde bevoegdheid zou geven om telkenmale een andere procedure te doen aanvatten wanneer die ingevolge de inspraakmogelijkheden van de burgers en adviesverlenende instanties een uitkomst dreigt te krijgen die de provincie niet zint, daar waar het decreet in een specifieke inspraakmogelijkheid vanwege de provincieraad via de advisering aan de Vlacoro heeft voorzien. De provincie heeft wel de mogelijkheid, wanneer zij zou vaststellen dat het vastgestelde VLARUP in genendele in overeenstemming is met de principes van de subsidiariteit enerzijds, en de bepalingen van het R.S.V. anderzijds, een annulatieprocedure aanhangig te maken bij Uw Raad. Dat is evenwel niet gebeurd. Eénmaal het uitgewerkte voorstel van de provincieraad opgenomen in het voorontwerp van VLARUP, dient de procedure van opmaak van een VLARUP haar volle uitwerking te krijgen. De Vlaamse Regering stuurt het voorontwerp ter advisering naar de in artikel 41, §l, al. 2, DORO aangewezen instanties en houdt een plenaire vergadering met die instanties. Er wordt verslag opgemaakt betreffende de standpunten die op de plenaire vergadering worden ingenomen en reacties op dat verslag kunnen worden ingediend (art. 41, §l, al. 5, DORO). De ambtenaren die als vertegenwoordigers van een instantie, bv. de Bestendige Deputatie, op de plenaire vergadering een officieel standpunt uitbrengen, zullen er zich enkel voor hoeden hiertoe gemandateerd te zijn door die instantie die ze vertegenwoordigen. Op de fase van advisering volgt de fase van voorlopige vaststelling van het ontwerp van VLARUP door de Vlaamse Regering. Wanneer zij het ontwerp van VLARUP voorlopig vaststelt, kan de Vlaamse regering de initiële inhoud van het voorontwerp van VLARUP desgevallend wijzigen, gelet op de adviezen die inmiddels zijn uitgebracht. Waar volksvertegenwoordiger H. Lauwers in de voorbereidende werken stelt 'dat de provincies zelf het uitvoeringsplan moeten opmaken, dat dan op het niveau van het Vlaams gewest zal worden bekrachtigd', kan niet anders worden begrepen dan dat het voorwerp van VLARUP aan het voorstel van de provincieraad dient te beantwoorden, niet het voorlopig vastgestelde ontwerp. Anders oordelen zou indruisen tegen de uitdrukkelijke tekst van het decreet dat enkel van een 'voorstel' van de provincieraad gewag maakt en verder de procedure tot opmaak van een VLARUP van toepassing verklaart. Waar de Vlaamse regering, bij de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan geen wijzigingen aan het X-11.198-7/17 voorontwerp zou mogen aanbrengen op grond van de adviezen en standpunten van de decretaal aangewezen instanties, zou dit de adviseringsprocedure voorafgaand aan de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan zinledig maken, terwijl artikel 188bis duidelijk vermeldt dat de procedure van opmaak van een VLARUP wordt gevolgd en het voorstel van de provincieraad in het decreet zelf nergens als bindend staat omschreven. De wijzigingen aan het voorontwerp van VLARUP bij de vaststelling ervan door de Vlaamse regering dienen geenszins eerst door de provincieraad te worden goedgekeurd. De provincieraad heeft hiertoe zelfs geen enkele bevoegdheid. Zijn taak is beperkt tot het uitbrengen van een gemotiveerd verzoek en een uitgewerkt voorstel aan de Vlaamse regering voorafgaandelijk aan de eigenlijke procedure tot opmaak van het VLARUP en, later, tijdens de eigenlijke procedure tot opmaak, het verstrekken van een advies aan de Vlacoro (art. 42, §4, al. 3, DORO). Het is de Vlaamse regering die het ontwerp van VLARUP voorlopig vaststelt."; dat zij verder doet gelden dat het voorgaande een toepassing is van wat reeds de procedure was met betrekking tot de opmaak van een gewestplan; dat zij vervolgens de opdracht en de bevoegdheid van de Regionale Commissie (thans de Vlaamse Commissie voor de Ruimtelijke Ordening) in herinnering brengt; dat zij verder uiteenzet hetgeen volgt : "Terecht merkt de VLACORO, in zijn advies naar aanleiding van zijn onderzoek van het dossier en de beantwoording van de ingediende bezwaren, op dat, alhoewel de Vlaamse Regering met de opmaak van de RUP's m.b.t. openluchtrecreatieve verblijven ondermeer, waar mogelijk, het zone-eigen maken van deze verblijven nastreeft, haar bevoegdheid daartoe niet beperkt is. Naar aanleiding van de opmaak van het RUP kan de zonering en de inrichting van het gehele plangebied herbekeken worden. Dat is ook planning- economisch, buiten discussie, de meest aangewezen werkwijze. Het antwoord van de VLACORO op het betreffende bezwaar is niet contra legem. Het gaat uit van en verwijst naar het juridisch kader van het RUP. Voor zoveel als nodig wijst verwerende partij er op dat, in de aanduiding van de 'juridische basis' van het aangevochten besluit, wordt verwezen naar artikel 41 t.e.m. 43 van het DORO, evenals naar art. 188bis. Dezelfde rechtsbasis werd aangegeven in het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het ontwerp van plan. Er is niet de minste twijfel dat het plan op een correcte wijze juridisch werd onderbouwd. Er volgt uit dat de inhoud van het plan op geen enkele wijze beperkt is. Het tweede aspect van het plan, het duurzaam waterbeleid, is duidelijk een op korte termijn dringend te regelen aangelegenheid zoals in het najaar 2002 door de grote wateroverlast en overstromingen aan alle overheden én burgers is duidelijk gemaakt. Vanuit dat standpunt is ook het aspect 'dringend' niet ernstig bediscuteerbaar. Enkel door vooruit te zien bij planning en bestemmen, en zones te vrijwaren voor bijkomende constructies of andere infrastructurele werken wanneer die een duurzaam waterbeleid verhinderen wordt er tegemoet gekomen aan verantwoord overheidsbeleid. De verwijzing naar de totstandkoming van een beleid voor het Netebekken is dan ook terecht gebleken. Indien later zou blijken dat het waterbeleid in het Netebekken zonder enige relatie is met de camping, kunnen daar, zo nodig, later gevolgtrekkingen uit gemaakt worden. Vandaag de ogen sluiten voor het waterbeleid dat men bezig is te ontwikkelen, is geen behoorlijk bestuur, eerder X-11.198-8/17 kortzichtig bestuur. De houding van verzoekende partij in het verleden wijst er op dat zijzelf dezelfde vooruitziende houding aannam t.a.v. natuur. (...)"; Overwegende dat de verzoekende partijen er in de "memorie van wederantwoord annex toelichtende memorie" op wijzen dat de procedure ingevoerd door artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een uitzonderingsprocedure is, dat de concrete toepassing van deze procedure restrictief geïnterpreteerd dient te worden; dat zij voorts doen gelden wat volgt : "De memorie van eerste verwerende partij tracht de zaken zo voor te stellen als zou er wel een hoogdringend karakter zijn van het waterbeleid van het Netebekken. Zij verwijst daartoe naar de wateroverlast van najaar 2002. Dit zijn uiteraard vijgen na Pasen. Een bestuur mag - moet zelfs - proactief zijn, maar dit echter steeds binnen de grenzen van het subsidiariteitsbeginsel en - in casu - van artikel 188bis DORO. Bottomline is, dat er op het ogenblik van de vaststelling van het RUP nergens enige aanwijzing was van het hoogdringend karakter voor het vaststellen van dergelijke bijkomende zware stedenbouwkundige voorschriften voor het terrein van camping (...) KORTE HEIDE."; en verder "De redenering van eerste verwerende partij als zou het RUP wel degelijk minder dringende aangelegenheden mogen regelen (in casu de gelaakte zware stedenbouwkundige voorschriften met het oog op de bescherming van het gebied van de Kleine Nete) druist in tegen het restrictief te interpreteren uitzonderingskarakter van artikel 188bis DORO. Na de opstelling door de provincieraad van het voorontwerp van RUP dient inderdaad de procedure gevolgd te worden voor de opmaak van een gewestelijk RUP (artikel 41-43 DORO). Eerste verwerende partij stelt de zaken echter voor als zou de Provincie nadat zij haar voorontwerp RUP heeft opgesteld volledig de touwtjes uit handen geven aan de Vlaamse regering, die vervolgens als het ware carte blanche krijgt om wijzigingen door te voeren, zolang deze maar 'ergens' in de loop van de procedure (adviezen, openbaar onderzoek, ...) gesuggereerd zijn. De invoering van de gelaakte bijkomende stedenbouwkundige voorschriften moet inderdaad in die optiek geïnterpreteerd worden. Men houdt op dat ogenblik echter niet langer rekening met het vereiste hoogdringend karakter van de doorgevoerde wijzigingen overeenkomstig artikel 188bis DORO."; Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie niets toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat de eerste verwerende partij in de laatste memorie stelt hetgeen volgt : X-11.198-9/17 "18. Zonder enige twijfel was er hoogdringendheid: campings moesten overeenkomstig het campingdecreet hun vergunningen aanvragen vóór de vervaltermijn die uiteindelijk verlengd werd tot 30 juni 2003. Verwerende partij verwijst naar het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatievoorwaarden van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996 en 17 december 1999. Zij verwijst naar het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2000 'tot wijziging van het besluit van 23 februari 1995 betreffende de exploitatievoorwaarden van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven en het besluit van de Vlaamse Regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen'"; dat zij, na eerst uit dat besluit geciteerd te hebben, stelt wat volgt : "20. Campings konden slechts vergunning bekomen voor zover hun aanvraag in een geëigende bestemmingszone gelegen was. Alle zonevreemde campings dienden derhalve die situatie op zeer korte termijn te regulariseren. De toeristische infrastructuur is een provinciale opdracht binnen de op te maken provinciale ruimtelijke structuurplannen. De provincie kan geen PRUP opmaken zolang ze niet beschikt over een goedgekeurd provinciaal ruimtelijk structuurplan, wat in casu duidelijk het geval was. Hier is een der redenen van de ontstaansgeschiedenis van art. 188bis meteen gegeven. De hoogdringendheid van het opmaken van een voorstel tot PRUP en het volgen van de procedure van art. 188bis DORO is duidelijk m.b.t. 'Korte Heide' dat geconfronteerd werd met zonevreemde bestemmingen. Die hoogdringendheid is door niemand ooit betwist, tenzij door het auditoraatverslag. Voorgaande aanhaling toont de hoogdringendheid en de gevolgde procedure duidelijk aan. 21. Tweede verwerende partij wenst er op te wijzen dat in casu derhalve duidelijk sprake is van hoogdringendheid. Reeds in de memorie van antwoord werd aangegeven dat de hoogdringendheid in casu voorvloeit uit de zonevreemdheidproblematiek die in dit dossier speelt. Die oplossen zonder oog te hebben voor de bescherming van de Kleine Nete is struisvogelpolitiek: men denkt een probleem op te lossen en steekt daartoe zijn kop in het zand voor een ander, zowel ruimtelijk hydrologisch, als ecologisch probleem. De twee zijn onmogelijk om die reden ontkoppelbaar. De hoogdringendheid van de regeling van het zonevreemheidsaspect vereist ipso facto een uitspraak over het andere aspect, nl. de Kleine Nete. 22. Een ander standpunt innemen getuigt van kortzichtigheid, onzorgvuldigheid en onbehoorlijk bestuur: eerst de zonevreemdheid regulariseren om zaken toe te laten die thans niet kunnen, om ze dan nadien terug ongedaan te maken omwille van hydrologische en ecologische redenen, en dienvolgens vergoedingen te moeten betalen voor planschade, is totaal onverdedigbaar. Om de aangehaalde redenen kan een toepassing van art. 188bis DORO derhalve onmogelijk aanzien worden als een beperkte bevoegdheidsoverdracht. De volledige planningsbevoegdheid wordt overgedragen zoals ook hierna wordt aangetoond. De hoogdringendheid was er. De overdracht van de planningbevoegdheid is gebeurd conform art. 188bis."; dat zij vervolgens dieper ingaat op de vergelijking met het arrest nr. 118.995 van 5 mei 2003; dat zij in dit verband stelt wat volgt : "V.1.2 Wat de argumentatie naar analogie van de procedure 'Caravanpark Westmeerbeek' betreft X-11.198-10/17 (...) A. AANVANG VAN DE TOEPASSING VAN HET SUBSIDIARITEITSPRINCIPE EN GRENZEN ERVAN 27. Een voorafgaande vraag die moet onderzocht worden is van welk ogenblik het subsidiariteitsprincipe kan geacht worden van toepassing te worden voor de ondergeschikte besturen en binnen welke grenzen? 28. Belangrijk is vast te stellen dat uit het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening duidelijk volgt dat de volheid van bevoegdheid voor planning in feite slechts een aanvang neemt met de goedkeuring én publicatie van het ruimtelijk structuurplan (RSP). Eén en ander volgt uit het samen lezen van artikel 19, §5, de artikelen 24 - 30, en vooral met artikel 188, 2de lid, van het DORO. Dat is ook de logica. Men begint niet aan planning zonder inzicht te hebben in de grenzen van de bevoegdheid die volgen uit het RSP Vlaanderen noch in zijn eigen mogelijkheden en noodwendigheden. Die volgen noodzakelijk uit de opmaak van het RSP. De planningsbevoegdheid kan duidelijk maar een aanvang nemen na de opmaak van het eerste RSP. 29. Meteen zijn hiervoor ook de grenzen van het RSP en van de planningsbevoegdheid aangegeven : 'Het provinciaal ruimtelijk structuurplan richt zich naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en kan slechts van het richtinggevend deel afwijken op grond van de motieven, bepaald in artikel 19, §3. Van de als bindend aangeduide onderdelen kan niet worden afgeweken. Er dient te worden vastgesteld dat het in toepassing van artikel 188bis van het DORO aangevochten vastgestelde VLARUP met het voorgaande in overeenstemming is. B. WELKE IS DE PROCEDURE VOOR OPMAAK VAN HET AANGEVOCHTEN RUP? 30. Vervolgens is er de vaststelling dat het DORO wel bepaalt hoe en volgens welke procedure er moet gehandeld worden wanneer er dringende redenen zijn om een PRORUP op te maken voorafgaandelijk aan de vaststelling en publicatie van een PRSP, nl. volgens de procedure voor opmaak van een gewestelijk RUP. Er is geen bepaling die voorziet hoe er moet gehandeld worden wanneer de procedure aldus wordt aangevat en nadien het PRSP wordt goedgekeurd voorafgaandelijk aan de vaststelling van het PRORUP a quo, m.a.w. de aangevatte procedure loopt, eens aangevangen, door zoals ze is aangevat. 31. Het eerste lid van artikel 188bis van het DORO luidt als volgt: (...) 32. Derhalve, wanneer artikel 188bis, van het DORO wordt toegepast, wordt geen PRORUP opgemaakt. Er wordt een VLARUP, een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, opgemaakt. Die opmaak gebeurt, behoudens het uitdrukkelijk bepaalde in art. 188bis, niet volgens een specifieke procedure, maar overeenkomstig de procedure zoals in het DORO voorzien is in de artikelen 41-43. Door aldus te handelen overschrijdt de Vlaamse Regering haar bevoegdheid niet, evenmin als de VLACORO bij de advisering. Zij voeren die integendeel uit. Zij hebben daartoe decretaal de volheid van bevoegdheid. Die bevoegdheid betreft niet een goedkeuringstoezicht. Het betreft de volledige normatieve planningsbevoegdheid, zonder onder enig toezicht te staan. Dit volgt uit de duidelijke bewoordingen van het decreet: De Vlaamse regering maakt een gewestelijk RUP op. Artikel 42 van het DORO is onverminderd van toepassing. 33. Artikel 188bis laat geen andere interpretatie toe: de provincie is bevoegd tot opmaak van een gemotiveerd voorstel. Eens zij dat gemotiveerd voorstel doet, staat zij haar bevoegdheid tot opmaak van het RUP af. De provincie maakt die keuze en kent het decretale gevolg. De Vlaamse regering maakt dan het plan op, volgens de voorziene, gewone opmaakprocedure die volgt uit X-11.198-11/17 artikel 42 DORO. De rechtspraak van het arrest over de schorsing én het advies van de afdeling wetgeving zowel als het auditoraatsverslag maakt die procedure en meer bepaald het openbaar onderzoek en de adviesverlening door VLACORO, toegepast in het kader van art. 188bis DORO, grotendeels zinledig. 34. Slechts nadat het VLARUP overeenkomstig die procedure is opgemaakt, afgewerkt, goedgekeurd en gepubliceerd, verkrijgt een dergelijk met toepassing van art. 188bis, van het DORO opgemaakt gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het statuut van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Vanaf dat ogenblik wordt het m.a.w. niet langer aanzien als een VLARUP, maar als een PRORUP, en als dusdanig ook vermeld in de plannenregisters en, zo nodig aangepast en gewijzigd volgens de ervoor voorziene procedure. Om dat statuut te kunnen verkrijgen moet aan twee voorwaarden voldaan zijn: 1. het moet gaan om een RUP dat opgemaakt is in toepassing van artikel 188bis, 1ste lid van het DORO; 2. het eerste PRSP voor de provincie is goedgekeurd. 35. Het kan niet dat een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opgemaakt wordt op een andere wijze dan de decretaal voorziene. Net zo min is het mogelijk een inspraakprocedure te organiseren zonder dat die enige inhoud kan hebben en tot aanpassing van het voorlopig vastgestelde plan kan leiden. Dergelijke procedure zou haaks staan op de rechtspraak van Uw Raad m.b.t. de openbare onderzoeken en het noodzakelijk vereiste karakter daarvan. Anders oordelen is het openbaar onderzoek zinledig maken. Een essentieel onderdeel van de opmaak van het RUP gaat hierdoor verloren. Er kan voor dergelijke interpretatie geen afdoende steun gevonden worden in de voorbereidende werken van het decreet. Die zijn allesbehalve duidelijk. Zij bevatten immers evenveel tekstargumenten voor het standpunt van verwerende partij. Men kan er evengoed lezen dat de Vlaamse overheid het plan opmaakt als dat de provincie een uitgewerkt voorstel doet terwijl de RUPprocedure ex artikel 188bis in de verantwoording bij amendement nr. 14 als een expliciete uitzondering op het subsidiariteitsprincipe wordt voorgesteld. 36. Gezien in artikel 188bis van het DORO niet is voorzien in de situatie dat de opmaak van een dergelijk RUP nog bezig is terwijl het PRSP goedgekeurd wordt, moet noodzakelijkerwijze de aangevatte procedure worden verder gezet. Dit is een logische toepassing van het principe van de continuïteit van bestuur. Bijkomend moet worden gewezen op de vereiste van dringendheid van art. 188bis, tweede volzin DORO, die hiervoor ook bewezen is. Niet alleen het beginsel van de continuïteit van het bestuur, doch ook de dringende aard van de o.g.v. art. 188bis te regelen aangelegenheden zelf, maakt dat een herneming van de opmaakprocedure door de provincie geenszins de bedoeling van de decreetgever kan zijn geweest. Dat staat er aan in de weg dat de procedure volledig ab initio zou moeten worden hernomen, terwijl de decretale regeling er aan in de weg staat dat de procedure, vanaf de goedkeuring van het PRSP, op een andere wijze dan degene die is voorzien voor opmaak van een gewestelijk RUP, zou moeten worden verder gezet. 37. De interpretatie van verwerende partij sluit in haar geheel het meest aan bij de duidelijke lijn van het decreet, het aanvangspunt van de subsidiariteit, de duidelijke tekst van het decreet en het noodzakelijke zinvolle karakter van een openbaar onderzoek. Om voormelde redenen kan noch het advies van de afdeling wetgeving, noch de leer van het arrest waarnaar in het auditoraatsverslag wordt verwezen, noch het standpunt zoals verwoord in het auditoraatsverslag, worden bijgetreden. lnterpretatio cessat in claris."; X-11.198-12/17 Overwegende dat artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt : "In afwijking van de artikelen 41 en 44 van de bepalingen van het richtinggevend en bindend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen die betrekking hebben op de taakverdeling tussen gewest, provincies en gemeenten, kan de Vlaamse regering, zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd voor de betrokken provincie, op gemotiveerd verzoek en op voorstel van de provincieraad een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opmaken voor een aangelegenheid die in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan had moeten geregeld worden. De aanpak van de betrokken aangelegenheid moet een dringend karakter hebben. Het voorstel van de provincieraad moet volledig zijn uitgewerkt. Het moet kaderen in het provinciaal structuurplanningsproces en in voorkomend geval verantwoord worden op basis van de bepalingen van het voorontwerp of ontwerp van provinciaal ruimtelijk structuurplan. Het moet in overeenstemming zijn met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Op het ogenblik van de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan voor de betrokken provincie verkrijgen de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die zijn opgemaakt met toepassing van het eerste lid, het statuut van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. De betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor deze bepaling geldt worden opgesomd in het besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk structuurplan en het besluit tot goedkeuring daarvan. Binnen 14 dagen na de beslissing tot goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk structuurplan stuurt de bestendige deputatie een afschrift van het goedkeuringsbesluit naar de gemeenten die overeenkomstig artikel 94 de bepalingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan hebben opgenomen in hun plannenregister, met de vermelding dat de wijziging van het statuut van het plan in het register moet doorgevoerd worden. Het college van burgemeester en schepenen moet de aanpassing in het plannenregister binnen 14 dagen na ontvangst van het bericht doorvoeren"; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat deze bepaling het resultaat is van een amendement, dat als volgt werd verantwoord (Parl. St. Vl. Parl. 1999-2000, nr. 252-2, 9) : "Na 1 mei 2000 kunnen geen gewestplanwijzigingen meer worden opgestart. Tot die datum konden dringende ruimtelijke problematieken, die conform het subsidiariteitsbeginsel en de uitwerking ervan in decretale bepalingen en in bepalingen van het RSV in de toekomst hun regeling moeten krijgen in het provinciaal ruimtelijk structuurplan en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, nog enigszins aangepakt worden met een gewestplanwijziging (op basis van de 'oude' taakverdeling en de bepaling van de inhoud van de gewestplannen). Na die datum kunnen alleen gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen opgemaakt worden voor onderwerpen die conform het subsidiariteitsbeginsel op gewestelijk niveau moeten aangepakt worden. Nu zal het nog een tijd duren vooraleer alle provincies hun provinciaal ruimtelijk structuurplan hebben vastgesteld, terwijl er nochtans dringende ruimtelijke behoeften kunnen zijn die ondertussen een regeling vergen, hoewel ze met provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen zouden moeten worden aangepakt. X-11.198-13/17 Om die reden wordt de nieuwe bepaling voorgesteld. De explicitering van deze regeling is overigens een aanduiding dat het subsidiariteitsprincipe geen loos principe is, en dat het dus, op expliciete uitzonderingen na, moet gehonoreerd worden. Wat de toepassing van de bepaling betreft, zijn een aantal voorwaarden gesteld die o.m. moeten garanderen dat de provincie het gewest slechts vraagt een problematiek te regelen indien zij zelf terdege bezig is met een structuurplanningsproces. Het voorstel van de provincie moet volledig zijn uitgewerkt. Logischerwijze kan het gewest geen wijzigingen in het voorstel aanbrengen (subsidiariteit). Zij kan het voorstel alleen gemotiveerd weigeren en eventueel een aanpassing van het voorstel suggereren. (...)"; Overwegende dat tijdens de bespreking in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement er door één van de indieners van het amendement op is gewezen dat dit enkel geldt voor "bepaalde, dringend te maken ruimtelijke afwegingen, waarbij men niet kan wachten op de opmaak van provinciale structuurplannen" (Parl. St. Vl. P. 1999-2000, nr. 252-3, 32); dat de bevoegde minister er aan toevoegt dat "de bevoegdheid om provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken tijdelijk, voor dringende aangelegenheden en op voorstel van de provincie, kan worden doorgeschoven naar de gewestelijke autoriteiten" (Ibid., 32); Overwegende dat uit de bepalingen van het eerste lid van het voornoemde artikel 188bis blijkt dat een aangelegenheid met toepassing van deze bepaling in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan worden geregeld voor zover onder meer "de aanpak van de betrokken aangelegenheid (...) een dringend karakter (heeft)"; dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat zulks enkel kan voor "bepaalde, dringend te maken ruimtelijke afwegingen, waarbij men niet kan wachten op de opmaak van provinciale structuurplannen"; dat hieruit volgt dat de aan de Vlaamse regering bij het uitoefenen van de haar door artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 toegewezen bevoegdheid beperkt is tot aangelegenheden die in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan hadden moeten geregeld worden en waarvan de aanpak een dringend karakter moet hebben derwijze dat niet kan worden gewacht totdat de betrokken provincie, met toepassing van de artikelen 44 en volgende van het stedenbouwdecreet van 18 mei 1999, bevoegd is geworden deze aangelegenheid door middel van het opmaken van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te regelen; X-11.198-14/17 Overwegende dat niet wordt betwist dat het bestreden besluit twee aangelegenheden beoogt te regelen, met name enerzijds datgene wat de verzoekende partijen zelf hebben aangebracht bij de overheid, met name het herbestemmen van zonevreemde stukken grensgebied naar verblijfsrecreatie in functie van de regelgeving inzake openluchtrecreatieve verblijven, en anderzijds het vrijwaren van bijkomende constructies of andere infrastructurele werken in de zone ten zuiden van de meest zuidelijke vijvers indien deze de potenties voor een duurzaam waterbeleid verhinderen; dat evenwel geen enkel element in het overgelegde dossier doet blijken dat de aanpak van de bescherming van de Kleine Nete het in artikel 188bis vereiste dringend karakter vertoont derwijze dat niet kan worden gewacht tot dat de provincie Antwerpen zijn planningsbevoegdheid ter zake kan uitoefenen; dat zulks ook de mening was van de tweede verwerende partij, waar zij in de toelichting bij het door de provincieraad goedgekeurde voorstel doet gelden dat "vermits de camping echter nagenoeg volledig in recreatiegebied gelegen is en er slechts in beperkte mate sprake kan zijn van zonevreemdheid, (...) de situatie langs de Nete niet binnen de hoogdringendheid (valt) waarvoor deze procedure werd opgesteld, (dat) de reorganisatie van deze zone (...) vanuit praktische en juridische overwegingen dan ook niet (zal) uitgewerkt worden binnen dit RUP"; dat de verwijzing door de eerste verwerende partij naar de wateroverlast en overstromingen van het najaar van 2002 hieraan geen afbreuk doet; dat de eerste verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat de Vlaamse regering in het kader van voornoemd artikel 188bis de volheid van bevoegdheid heeft en dat de provincieraad, nadat hij zijn gemotiveerd voorstel heeft gedaan, zijn bevoegdheid tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan heeft afgestaan aan de Vlaamse regering; dat immers uit de bepalingen van het eerste lid van het voornoemd artikel 188bis blijkt dat de Vlaamse regering slechts kan optreden "zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd voor de betrokken provincie", dat de tussenkomst van de Vlaamse regering gebeurt "op gemotiveerd verzoek en op voorstel van de provincieraad", dat het voorstel van de provincieraad "volledig (moet) zijn uitgewerkt" en dat een aldus goedgekeurd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan vanaf de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan geacht wordt een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te zijn; dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de regering "geen wijzigingen in het voorstel (kan) aanbrengen"; dat uit al deze elementen volgt dat de aan het ruimtelijk structuurplan ten grondslag liggende beleidskeuzes uitsluitend zaak van de betrokken provincieraad zijn; dat bijgevolg de Vlaamse regering bij het uitoefenen van de haar door artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 toegewezen bevoegdheid niet X-11.198-15/17 eigenmachtig wijzigingen kan aanbrengen aan het voorstel tot ruimtelijk uitvoeringsplan, maar wel - zoals in de hiervoor hernomen verantwoording van het amendement wordt aangestipt - op gemotiveerde wijze kan weigeren het plan vast te stellen; dat aldus de tussenkomst van de Vlaamse regering vergeleken kan worden met de uitoefening van een goedkeuringstoezicht, waarbij de onder toezicht staande overheid instaat voor de beleidskeuzes, maar het van de goedkeuring door de toezichthoudende overheid afhangt of de regeling ook uitwerking mag hebben; dat in wezen de tussenkomst van de Vlaamse regering in het raam van het voornoemde artikel 188bis, eerste lid, geen vaststellingsbevoegdheid is, maar neerkomt op het uitoefenen van administratief toezicht; dat, gelet op de aan de Vlaamse regering toegewezen bevoegdheid, de omstandigheid dat de aanpassingen zijn geschied om grotendeels tegemoet te komen aan het advies van de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening niet relevant is; dat artikel 188bis van het stedenbouwdecreet van 18 mei 1999 werd geschonden; dat het middel in die mate gegrond is; dat het, gelet op de omstandigheden van de zaak, past dat de kosten ten laste van de eerste verwerende partij worden gelegd, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 5 juli 2002 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan "Terrein voor openluchtrecreatieve verblijven Korte Heide" te Kasterlee. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Artikel 4. X-11.198-16/17 Het door de verzoekende partijen op het verzoekschrift tot nietigverklaring onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 525 euro dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.198-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.972 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.994 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div