id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.976 Rolnummer: A. 149156/X-11813 Zaak: Arrest 138976 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 05:57 Fiche Arrest nr 138.976 van 10 januari 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.976 van 10 januari 2005 in de zaak A. 149.156/X-11.813. In zake : 1. Placide DE VREEZE, 2. Martina TYTGAT, die woonplaats kiezen bij Advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grote Hertstraat 12 tegen : 1. de gemeente KRUISHOUTEM, 2. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. tussenkomende partij : de n.v. EUROSLACH, die woonplaats kiest bij Advocaat P. DE SMIJTER, kantoor houdende te 9810 NAZARETH, Huisepontweg 64. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Placide DE VREEZE en Martina TYTGAT op 18 maart 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B" definitief aangenomen door de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem bij besluit van10 juni 2003 en goedgekeurd bij besluit van 10 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 januari 2004; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; X-11.813-1/19 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ph. VAN WESEMAEL, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat P. DE SMIJTER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J.CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de n.v. EUROSLACH met een verzoekschrift van 21 mei 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde de percelen waarop zich het bedrijf van de n.v. EUROSLACH bevindt, tot woongebied met landelijk karakter (eerste 50 m aan de straatkant) en daarachter tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied heeft bestemd; dat de n.v. EUROSLACH er sinds 1969 een pluimvee- en wildslachterij exploiteert; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 25 augustus 1988 een exploitatievergunning (hernieuwing) heeft verleend aan de n.v. EUROSLACH voor een termijn van tien jaar; dat de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem op 14 september 1998 tot de opmaak van een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven heeft beslist; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 4 februari 1999 de door de n.v. EUROSLACH gevraagde milieuvergunning ter hernieuwing en uitbreiding heeft geweigerd; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, na X-11.813-2/19 administratief beroep vanwege de n.v. EUROSLACH, op 5 augustus 1999, een milieuvergunning voor twee jaar op proef heeft verleend voor 12.000 stuks pluimvee per dag; dat een uitbreiding tot 15.000 stuks werd geweigerd; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op 31 juli 2001 de definitieve milieuvergunning heeft geweigerd; dat de n.v. EUROSLACH op 26 juli 2001 reeds een nieuwe milieuvergunningsaanvraag had ingediend; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 17 januari 2002 de door de n.v. EUROSLACH gevraagde nieuwe milieuvergunning heeft geweigerd; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem op 22 april 2002 een positief planologisch attest heeft verleend voor een gedeelte van het bedrijf van de n.v. EUROSLACH; dat de minister van Leefmilieu en Landbouw op 9 juli 2002 het beroep van de n.v. EUROSLACH heeft verworpen en de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen door wijziging en uitbreiding van een pluimvee- en wildslachterij heeft geweigerd; dat de n.v. EUROSLACH op 9 september 2002 voor de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van voornoemde beslissing heeft gevorderd; dat de Raad van State bij arrest nr. 115.099 van 28 januari 2003 de vordering heeft verworpen; dat de n.v. EUROSLACH op 27 mei 2003 opnieuw een milieuvergunning heeft aangevraagd bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem op 10 juni 2003 het ontwerp van sectoraal BPA "Zonevreemde Bedrijven Fase 1B" voorlopig heeft vastgesteld; dat het ontwerpplan de terreinen van de n.v. EUROSLACH heeft herbestemd tot "een zone voor bedrijvigheid", omgord door een groenbuffer van 5 m; dat over het ontwerpplan van 1 juli 2003 tot 31 juli 2003 een openbaar onderzoek werd gehouden; dat 66 bezwaarschriften werden ingediend, waaronder één door eerste verzoekende partij; dat de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 18 augustus 2003 een ongunstig advies heeft verleend over het ontwerpplan; dat de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem op 10 juni 2003 het sectoraal BPA "Zonevreemde Bedrijven Fase 1B" definitief heeft vastgesteld; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 16 oktober 2003 aan de n.v. EUROSLACH de gevraagde milieuvergunning opnieuw heeft geweigerd; dat de n.v. EUROSLACH beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; dat de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening op 10 december 2003 het, thans bestreden, bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B" van de gemeente Kruishoutem heeft goedgekeurd; dat de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 26 januari 2004 over de X-11.813-3/19 milieuvergunningsaanvraag van de n.v. EUROSLACH een gunstig advies heeft verleend met betrekking tot de gebouwen die volledig gesitueerd zijn binnen de grenzen van de zones voor lokale bedrijvigheid en aanverwante activiteiten, vastgelegd in het sectoraal BPA en een ongunstig advies heeft verleend met betrekking tot het gedeelte van de werkplaats en van het bijgebouw, gelegen in de bufferzone; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem op 3 mei 2004 aan de n.v. EUROSLACH een stedenbouwkundige vergunning voor "het regulariseren van slachterij", met verwijzing naar het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B", heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 27 mei 2004 de voornoemde stedenbouwkundige vergunning heeft geschorst wegens strijdigheid met het voornoemde BPA; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw bij besluit van 27 mei 2004 het beroep van de n.v. EUROSLACH tegen de beslissing van 16 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen heeft verworpen en de milieuvergunning voor het exploiteren van een pluimvee- en wildslachterij heeft geweigerd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste door voornoemd artikel 17,§2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 14, vierde en vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 4 en 19, § 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO), en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat verzoekers het eerste onderdeel van het middel toelichten als volgt : "Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing vier van het gewestplan totaal afwijkende bestemmingen in het leven roept, zonder dat op gemotiveerde wijze een afweging wordt gemaakt op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). X-11.813-4/19 En doordat, tweede onderdeel, het bestreden besluit daarenboven bij de vaststelling van deze van het gewestplan afwijkende bestemmingen, afwijkt van het richtinggevend gedeelte van het RSV. En doordat, derde onderdeel, de minister, door zijn goedkeuring te verlenen aan het BPA, eveneens flagrant de doelstellingen van het DRO met de voeten is getreden, die uitdrukkelijk opleggen dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar moeten worden afgewogen, en daarbij rekening moet worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht, alsmede de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Terwijl. eerste onderdeel, op grond van artikel 14, 4e en 5e lid Coördinatiedecreet, een gemeente geen sectoraal BPA kan aannemen en de minister die niet kan goedkeuren, wanneer er geen ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het RSV. En terwijl uit de bestreden beslissing evenwel is op te maken dat het bestreden BPA is opgemaakt op grond van de bepalingen van artikel 14, 5e lid, maar dat verder in het bestreden besluit, noch in de beslissingen van de gemeenteraad enige concrete afweging gebeurt t.o.v. het RSV. En terwijl de minister zich immers beperkt tot de overweging dat 'voor de planonderdelen van het voorliggende BPA een minimale ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het RSV', en hieruit besluit dat 'daarmee is voldaan aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996'. En terwijl echter noch in het gemeenteraadsbesluit dd. 10 juni 2003, noch in de beslissing houdende definitieve aanvaarding dd. 15 september 2003 enige concrete afweging is terug te vinden, behalve dan de gratuite overweging dat het BPA het resultaat is 'van een deugdelijke ruimtelijke afweging' en dat 'rekening werd gehouden met de elementen van het RSV' (cf. besluit dd. 10 juni 2003). En terwijl daarnaast in het besluit van 15 september 2003 enkel wordt geponeerd dat rekening werd gehouden 'met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit het PSV kunnen worden afgeleid', maar verder niet worden aangetoond hoe dit dan wel concreet zou zijn gebeurd. En terwijl ook in de Toelichting bij het sectoraal BPA geen enkele verwijzing naar het RSV is terug te vinden. En terwijl er in casu dan ook geen voldoende ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het RSV, zodat de minister onterecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden sectoraal BPA. En terwijl, tweede onderdeel, het richtinggevend gedeelte van het RSV uitdrukkelijk voorschrijft dat bij de beoordeling van de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven, die niet zijn gelegen op bedrijventerreinen, de ruimtelijke implicaties van een herlocalisatie dienen te worden afgewogen tegenover de implicaties van een ontwikkeling op de bestaande site. En terwijl nergens in de Toelichting bij het BPA, noch in de gemeenteraadsbesluiten dd. 10 juni en 15 september 2003, noch in het bestreden besluit zelf deze afweging wordt gemaakt. En terwijl het bestreden besluit dan ook in die mate de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. En terwijl, derde onderdeel, het bestreden besluit geenszins een afdoende afweging maakt van de ruimtelijke behoeften van het bedrijf t.o.v. de ruimtelijke behoeften van de omwonenden, maar zich veeleer beperkt tot een afweging naar een verdere inname naar het open gebied achteraan het bedrijf. X-11.813-5/19 En terwijl op geen enkele manier een afweging wordt gemaakt m.b.t. hinderlijke gevolgen die een verdere uitbreiding van het bedrijf binnen de begrenzing van het BPA ongetwijfeld zal teweegbrengen, zowel voor het uitzicht en de woon- en leefkwaliteit van de omwonenden, als voor het omringend leefmilieu in het bijzonder. En terwijl de bestreden beslissing op die manier dan ook op flagrante wijze de doelstellingen van DRQ, zoals verwoord in artikel 4, schendt."; Overwegende dat de eerste verwerende partij zich heeft onthouden van elk verweer; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota stelt wat volgt : "Eerste onderdeel 19. De verzoekende partijen zijn van mening dat in het bestreden besluit, noch in de beslissingen van de gemeenteraad enige concrete afweging is gebeurd tov het RSV. Art. 14, lid 4 DRO stelt in fine dat mede op basis van de principes van het RSV een ruimtelijke afweging moet gebeuren. De verzoekende partijen halen zelf de passages uit het dossier aan waaruit blijkt dat de bestreden beslissing en de beslissingen daaraan voorafgaand, zich richten naar de bepalingen van het RSV. In de gemeenteraadsbeslissing van 15 september 2003 wordt bovendien duidelijk aangetoond dat de principes van het RSV worden gerespecteerd. De verzoekende partijen betwisten dit niet : 'Overwegende dat bij het sectoraal BPA rekening werd gehouden met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit de omzendbrieven en uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kunnen afgeleid worden; 1. Nieuwe vestigingen van bedrijven of volledige vervangingsbouw van bestaande bedrijven, welke strijdig zijn met de optie 'behoud van de open ruimte' en bij deze dus als zonevreemd kunnen worden beschouwd, zijn uitgesloten. 2. Bestaande zonevreemde economische activiteiten in het agrarisch gebied kunnen behouden blijven en indien mogelijk ook uitbreiden, zolang de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden. Een maximaal verweven van bestaande zonevreemde activiteiten die met activiteiten in hun onmiddellijke (on)bebouwde omgeving wordt nagestreefd, voor zover de hoofdbestemming van de zone waarin deze zonevreemde activiteiten gelegen zijn, kan behouden blijven en kwalitatief niet wordt aangetast. ...' Verder verwijst deze gemeenteraadsbeslissing naar deel 1 van het BPA, zijnde de toelichting. De Minister heeft vastgesteld dat door de gemeenteraad een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het RSV. De gemeente is niet verplicht om de afweging volledig in de bestreden beslissing over te nemen. De formele motiveringverplichting is niet van toepassing. De verzoekende partijen tonen in dit middel niet aan dat en/of waarom er een schending zou zijn van de principes van het RSV. Enkel in het tweede X-11.813-6/19 onderdeel formuleren zij een algemene schending, die echter evenmin als ernstig kan worden beschouwd. X-11.813-7/19 Tweede onderdeel 20. In het tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing afwijkt van het richtinggevend deel van het RSV aangezien de ruimtelijke implicaties bij een herlocalisatie niet worden afgewogen tegen de implicaties van een ontwikkeling op de bestaande site. De verzoekende partijen verduidelijken geenszins welke bepaling van het richtinggevend deel zou zijn geschonden. Op een dergelijke onduidelijke en vage omschrijving kan geen ernstig middel worden gebaseerd. 21. Voor zoveel als nodig kan nog worden verwezen naar volgende passages uit de toelichtingsnota. Op pagina 16 e.v. worden de criteria opgesomd die werden gehanteerd om tot de indeling in categorieën te besluiten : '... Het spreekt voor zich dat een beslissingsproces waarin uitspraken worden gedaan over de ontwikkelingsmogelijkheden/perspectieven van bedrijven zeer gefundeerd moet gebeuren. Daarom worden er een aantal criteria geformuleerd op grond waarvan de categorisering wordt doorgevoerd (het beslissingsproces). De feitelijk gehanteerde criteria bij de categorisering kunnen worden onderverdeeld in een viertal groepen: de juridisch-planologische criteria, de structureel-ruimtelijke criteria, enkele socio-economische criteria en een toetsing aan eerder genomen beleidsopties. Er dient te worden opgemerkt dat niet alle criteria een zelfde gewicht in de schaal werpen bij de categorisering. Voor het beoordelen van de ontwikkelings- of uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven worden volgende principes gehanteerd : ! Nastreven van een maximale verweving van de economische activiteiten met de activiteiten van/in de omgeving; ! Uitputtend aanwenden van die mogelijkheden en voorzieningen voor ontwikkeling op de bestaande locatie; ! Afwegen van de ruimtelijke implicaties van een ontwikkeling op de bestaande locatie t.o.v. de ontwikkelingen op een andere lokatie (na herlokalisatie); ! De draagkracht van de omgeving mag niet worden overschreden; ! Nastreven van een maximale beleidszekerheid voor de betrokken bedrijven. ...; Bij de socio-economische criteria wordt vermeld : '... Indien blijkt dat het bedrijf zich niet ten volle kan ontwikkelen op de huidige lokatie - omwille van de draagkracht van de omgeving of omwille van plaatsgebrek - moet naar alternatieven gezocht worden. De herlokalisatiemogelijkheden dienen in rekening te worden gebracht. In deze beoordeling kan ook de bereidheid tot herlokalisatie worden opgenomen. Een aantal bedrijfsleiders beschikken misschien nog niet over herlokalisatiemogelijkheden, maar zijn er wel toe bereid. Wanneer het bedrijf reeds over gronden beschikt op een bedrijventerrein kan des te meer overwogen worden tot een herlokalisatie. Het bedrijf kan zich op de alternatieve lokatie verder gaan ontwikkelen. Beleidscontinuïteit en beleidszekerheid worden nagestreefd. Voor de bedrijven die niet over alternatieve lokaties beschikken, en waarvan blijkt dat herlokalisatie de beste perspectieven biedt, worden de herlokalisatiemogelijkheden in de omgeving (in de gemeente) aangehaald. ...'; Na onderzoek van de diverse categorieën (zie toelichting p. 24 en addendum p. 5-9) werd de NV EUROSLACH onderverdeeld in categorie 4, waarbij daarenboven beperkingen werden opgelegd. Er werd dus besloten dat het bedrijf EUROSLACH zich verder kan ontwikkelen op de betreffende terreinen (mits randvoorwaarden voor de X-11.813-8/19 omgeving, zoals onder meer beperkingen van de schaalvergroting van de gebouwen). Een herlocalisatie diende niet te worden onderzocht, noch dienden de ruimtelijke implicaties ervan te worden afgewogen tegen deze van een ontwikkeling op de bestaande locatie. De - volgens verzoekers - verplichting tot een dergelijke afweging, is nergens terug te vinden in het RSV. Nergens wordt bepaald dat voor bestaande bedrijven steeds een herlocalisatiemogelijkheid moet worden gezocht om de afweging van de ruimtelijke implicaties te kunnen maken. Enkel indien herlocalisatie zich aandient, moet de afweging worden gemaakt. Het BPA is ook in die zin tot stand gekomen en opgemaakt. Derde onderdeel 22. De verzoekende partijen werpen de schending van art. 4 DORO op aangezien het bestreden besluit geen afdoende afweging zou hebben gemaakt van de ruimtelijke behoeften van het bedrijf tov de ruimtelijke behoeften van de omwonenden. Er wordt geen afweging gemaakt mbt hinderlijke gevolgen die een verdere uitbreiding van het bedrijf zou teweegbrengen binnen de begrenzing van het BPA. 23. Art. 4 DORO stelt dat rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Uit de toelichting en addendum bij het BPA blijkt dat met criteria (als deze) rekening werd gehouden. Uit de citaten in het voorgaande onderdeel blijkt dat deze afweging gebeurde. Bij de categorisering worden alle criteria betrokken, bedoeld in art. 4 DRO. Zo wordt bijvoorbeeld bij de structureel-ruimtelijke criteria (5.2.2., p. 17 e.v.) vermeld : nabijheid van andere gelijkaardige bedrijven, nabijheid woonkern, ontsluiting, inpasbaarheid in de landschappelijke structuur, milieuhinder, visuele hinder, nabijheid van een landschappelijk en/of biologisch waardevol element, al dan niet beschermd. Deze criteria werden ook specifiek op de NV EUROSLACH toegepast (toelichting p. 24, addendum p. 5-9). In de weerlegging van het advies van de GECORO door het College van Burgemeester en Schepenen wordt dit benadrukt : 'De ruimtelijke draagkracht van het omliggend woongebied en agrarisch gebied staat geen verdere uitbreiding toe van de bestaande bedrijfssite gelet op de lange klantenhistoriek en de niet-aflatende milieuproblematiek; ... De nauwe begrenzing van het BPA laat wel de regularisatie van de bestaande, deels onvergunde, stedenbouwkundige toestand toe mits inbuffering door een ruim groenscherm, wat voor het bedrijf perspectieven opent voor het verkrijgen van een milieuvergunning en rechtszekerheid biedt;' Specifiek met betrekking tot de omgeving werden beperking(
- en)opgelegd aan de ontwikkeling van het bedrijf : '... - de typeactiviteit wordt beperkt tot de huidige bedrijfsactiviteit, namelijk een vleesverwerkend bedrijf - de begrenzing van het BPA beperkt zich tot de voor het bedrijf noodzakelijke percelen - aan de straatzijde van het perceel zijn enkele minder hinderlijke aanverwante bedrijfsactiviteiten, zoals parking, kantoor e.d. toegestaan - schaalvergroting van de bestaande bedrijfsgebouwen en verhardingen worden beperkt - de bouwhoogte wordt beperkt - de afstand van de bedrijfsgebouwen tot de perceelsgrens wordt bepaald in relatie tot de bouwhoogte - er moet een groenbuffer en voortuin aangelegd worden ...'; X-11.813-9/19 De bestreden beslissing heeft met betrekking tot de bufferzone nog bijkomend ingegrepen : 'Overwegende dat het bestemmingsplan en de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften voor het betrokken deelplan voorziet in een bestemmingswijziging ter beperkte bestendiging en uitbreiding van een deel van de bestaande toestand; dat voor en door het bedrijf het principe van goed nabuurschap dient gegarandeerd in een degelijke buffering in de ruime omgeving; dat in het bestemmingsplan de voorziene buffering gedeeltelijk onderbroken mag worden en hierdoor onvoldoende garantie biedt om de bedrijfsvoering en de bedrijfsactiviteiten binnen het bestemmingsplan te laten plaatsvinden; dat het betrokken deel van het artikel 10 'zone voor buffer' inzake de doorbreking van de buffering derhalve van goedkeuring wordt onthouden;' De doelstelling van art. 4 DRO worden niet beperkt."; Overwegende dat de tussenkomende partij zich in haar verzoekschrift tot tussenkomst aansluit bij de repliek van het Vlaamse Gewest; Overwegende dat artikel 14, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt : "Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken."; Overwegende dat het vijfde lid van hetzelfde artikel, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, luidde als volgt : "Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen."; Overwegende dat uit deze bepalingen volgt dat de gemeente geen sectoraal bijzonder plan van aanleg waarin wordt afgeweken van de voorschriften van het gewestplan kan aannemen en de minister dit niet kan goedkeuren, o.m. wanneer er geen ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; X-11.813-10/19 Overwegende dat er geen betwisting over bestaat dat het bestreden bijzonder plan van aanleg afwijkt van de voorschriften van het gewestplan; dat het bestreden ministerieel besluit omtrent de ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen overweegt wat volgt : "Overwegende dat voor de planonderdelen van het voorliggende BPA, zoals blijkt uit de 'toelichting sectoraal BPA zonevreemde bedrijven' en de 'toelichting sectoraal BPA zonevreemde bedrijven-fase 1B' een minimale ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat daarmee voor de hierna goedgekeurde planonderdelen is voldaan aan de tweede voorwaard voor de toepassing van artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996, zoals gewijzigd door het decreet van 18 mei 1999;" Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit zich aldus beperkt tot het algemene betoog dat er een "minimale ruimtelijke afweging" is gebeurd met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat dit besluit evenwel niet concreet uiteenzet waaruit die afweging dan wel bestaat; dat in het gemeenteraadsbesluit van 10 juni 2003 houdende de voorlopige aanvaarding van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven evenmin enige concrete afweging terug te vinden is; dat dit gemeenteraadsbesluit zich beperkt tot de overweging dat het ontwerp van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven het resultaat is van een deugdelijke ruimtelijke afweging, zoals blijkt uit deel 1 van het bijzonder plan van aanleg en dat rekening werd gehouden met de elementen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat in het gemeenteraadsbesluit van 15 september 2003 houdende de definitieve aanvaarding van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven evenmin enige concrete afweging is terug te vinden; dat in dit besluit enkel wordt geponeerd dat rekening werd gehouden "met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen kunnen worden afgeleid", maar dat verder niet wordt aangegeven hoe dit dan wel concreet zou zijn gebeurd; dat de verwerende partij enkel stelt dat de gemeenteraadsbeslissing ook nog verwijst naar deel 1 van het bijzonder plan van aanleg, zijnde de toelichting, en dat de gemeente niet verplicht is om de afweging volledig in de bestreden beslissing over te nemen; dat de verwerende partij evenwel niet aangeeft waar in deze "Toelichting" de betrokken afweging terug is te vinden en waaruit zij bestaat; dat verzoekers daarentegen stellen dat ook in de "Toelichting" bij het sectoraal plan van aanleg geen enkele verwijzing naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen terug is te vinden; dat de verwerende partij heeft nagelaten X-11.813-11/19 hierop te repliceren; dat het niet aan de Raad van State toekomt zelf in de "Toelichting" op zoek te gaan naar concrete elementen waaruit in voorkomend geval een ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen kan blijken; dat op het eerste gezicht niet blijkt dat er een voldoende ruimtelijke afweging is gebeurd mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat de minister onterecht goedkeuring lijkt te hebben verleend aan het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg; dat het middel in de aangegeven mate ernstig is; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekers betogen wat volgt : "Zoals hierboven reeds werd aangehaald, zijn verzoekers eigenaar van een woning in het woongebied volgens het gewestplan Oudenaarde, gelegen op minder dan 100 meter van de ingang van de bedrijfssite van de NV Euroslach (cf. aanduiding op het kadasterplan in bijlage). De woning van verzoekers maakt deel uit van de grote verkaveling Lindendreef aan de overzijde van de Nazarethsesteenweg. Op die manier bevinden zich binnen een straal van 100 meter van de bedrijfspercelen van de NV Euroslach een 40-tal woningen. Vanuit hun living op het gelijkvloers en vanaf de voortuin aan hun woning, kijken verzoekers uit op de bedrijfsgebouwen van de NV Euroslach, die zij jaar na jaar op onwettige wijze hebben zien uitbreiden (cf. fotoreeks in bijlage, getrokken van voor de woning van verzoekers). Inderdaad heeft de NV Euroslach sinds begin jaren '90 gestaag haar bedrijfsactiviteiten verder uitgebreid, en dit zowel in het landelijk woongebied vooraan op de site, als in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Op die manier is het bedrijf van een puur agrarische activiteit, m.n. een kippenkwekerij in agrarisch gebied, geëvolueerd naar een volwaardige industriële vleesverwerkende activiteit bestaande uit in totaal 4.477 m² bedrijfsgebouwen voor het slachten en uitsnijden van pluimvee en wild. Door de gestage uitbreiding van de activiteiten -momenteel worden om en bij de 20.000 stuks pluimvee geslacht per dag en ongeveer 500 ton vlees opgeslagen- nam ook de hinder voor de buurt en voor verzoekers in de loop der jaren toe. Door goedkeuring te verlenen aan de van het gewestplan afwijkende bestemmingen van het sectoraal BPA, waarvan duidelijk is dat zij enkel en alleen in het leven worden geroepen ter regularisatie van het bedrijf, verliezen verzoekers de planmatige bescherming die hen tot op heden door het gewestplan werd gegarandeerd. De bestemmingen 'zone voor lokale bedrijvigheid' en 'zone voor aanverwante bedrijfsactiviteiten' laten thans activiteiten toe die voorheen niet mogelijk waren, en dit op slechts enkele tientallen meters van de woning van verzoekers. Dit blijkt trouwens maar al te duidelijk uit de overwegingen van de gemeenteraad in haar besluit dd. 15 september 2003, waarbij letterlijk overwogen wordt dat het BPA de regularisatie van de bestaande onvergunde stedenbouwkundige toestand moet toelaten, alsmede 'het verkrijgen van een milieuvergunning'. X-11.813-12/19 Eens de nodige bouw- en milieuvergunningen zullen zijn afgeleverd voor de regularisatie én voor de uitbreiding - zoals hierboven reeds aangehaald heeft de NV Euroslach duidelijk de wens geuit tegenover het gemeentebestuur dat zij nog minstens 1.000 m² bedrijfsruimte bij wil creëren (cf de Toelichting bij het BPA) - staan verzoekers voor voldongen feiten, en zullen zij voor de rest van hun dagen de afbreuk aan hun woon- en leefkwaliteit moeten ondergaan. Verzoekers wijzen er dienaangaande op dat reeds sinds 25 oktober 2002 een administratief beroep inzake een algehele regularisatieaanvraag hangende is bij de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen. In een aanvullend technisch verslag van 7 oktober 2003 wordt aangaande deze aanvraag letterlijk overwogen dat 'mogelijk gunstig advies zou kunnen verleend worden op voorwaarde dat het BPA wordt goedgekeurd door de minister'. Nu de goedkeuring van het sectoraal BPA daadwerkelijk is geschied, staat niets het verlenen van de regularisatieaanvraag in de weg. Navraag op de bevoegde dienst 33 bij de provincie Oost-Vlaanderen leert dat deze aanvraag momenteel wordt onderworpen aan een tweede aanvullend technisch onderzoek, waarna een hoorzitting zal worden georganiseerd voor de Bestendige Deputatie. Ook tegen de weigering van milieuvergunning dd. 16 oktober 2003 door de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen werd door de NV Euroslach administratief beroep aangetekend bij de bevoegde minister. Het dossier werd reeds voorgelegd aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en werd op 26 februari 2004 overgemaakt aan het kabinet van de minister. De beslissingstermijn van de minister verstrijkt op 19 april 2004. De hinder die verzoekers zullen ondervinden door de regularisatie en latere uitbreiding van het bedrijf, spruit dan ook rechtstreeks voort uit het bestreden sectoraal BPA en zal, indien dit BPA niet onwettig wordt bevonden, blijvend worden bestendigd. Zoals hierboven onder het derde middel uiteengezet, biedt het BPA volstrekt onvoldoende waarborgen met het oog op de verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, nu de stedenbouwkundige voorschriften zelfs een verdubbeling van de bedrijfsgebouwen toelaten. Een verdere bestendiging en uitbreiding van de slachterijactiviteiten zal ontegensprekelijk verder nadelige effecten teweegbrengen voor de gezondheid en de woon- en leefkwaliteit van verzoekers. De hinder waarvan sprake is velerlei van aard. -Vooreerst is er uiteraard de geluidsoverlast vanwege de koelinstallaties van het bedrijf die 24 uur op 24 uur, 7 dagen op 7, draaien. Hetzelfde geldt voor de waterzuiveringsinstallatie, die eveneens hoorbaar is tot in de tuin van verzoekers. Wanneer men in de tuin van verzoekers staat, die zich dan nog aan de achterzijde van woning bevindt, hoort men zelfs overdag, wanneer er verkeer is op de Nazarethsesteenweg, het ononderbroken gezoem en geruis van deze koelinstallaties. Gelet op de grote bedrijvigheid - 20.000 stuks pluimvee en wild per dag, met een sterke toename in het wildseizoen! -, gaat dit tevens gepaard met vele transportbewegingen van vrachtwagens die pluimvee aanleveren en geslacht vlees komen ophalen. Ook deze transporten vinden dag en nacht plaats. Uiteraard zorgen deze vooral 's avonds en 's nachts voor de nodige overlast voor verzoekers. De kippen worden het meeste 's nachts aangeleverd, waarbij een eerste nachttransport klokslag 1 uur plaats vindt, en dit zelfs op zondagnacht! X-11.813-13/19 Daarnaast moet ook het slachtafval meerdere malen daags worden opgehaald. De veren worden opgeslagen in aparte containers, die ook dagelijks worden opgehaald. Tenslotte moet ook het vuile slib van de waterzuiveringsinstallatie in containers worden verzameld en opgehaald. Daarenboven moet rekening worden gehouden met het feit dat het merendeel van de vrachtwagens die het bedrijf aandoen eveneens koelwagens zijn. Zelfs gestationeerd produceren deze nog veel lawaai, nu de koelinstallaties uiteraard voortdurende draaiende moeten worden gehouden. Dit alles heeft ontegensprekelijk een negatieve impact op de woonsituatie van verzoekers. Hier moet nog aan toegevoegd worden dat door de leveringen van de te slachten dieren gedurende de nacht, ook de productie van het bedrijf natuurlijk niet stil ligt tijdens de nacht. Daar waar de 'normale' werkuren van het bedrijf van 6 uur 's ochtends tot 22 uur 's avonds zijn, is het in de praktijk dan ook zo dat ook 's nachts wordt doorgewerkt omdat tijdens de nachtelijke uren de meeste dieren worden aangevoerd. Het bedrijf stelt momenteel ongeveer 25 arbeiders tewerk. Het hoeft geen betoog dat ook het aankomen van de werknemers in de vroege ochtend (zoals gezegd start men reeds om 6 uur) en het vertrek 's avonds laat na 22 uur of zelfs midden in de nacht voor de nodige overlast zorgt. Deze sterke bedrijvigheid in de vroege ochtenduren tot 's avonds laat, gepaard gaand met de vele transporten, ook midden in de nacht met een eerste transport klokslag 1 uur, heeft een negatieve invloed op de nachtrust van verzoekers, nu zij dagelijks zowel 's nachts als voor dag en dauw worden gewekt door de leveringen van dieren, de bedrijvigheid op de site, en de aankomst en het vertrek van de arbeiders. Door de grote bedrijvigheid, waarvan de NV Euroslach klaarblijkelijk hoopt dat ze in de toekomst nog fors zal toenemen, worden verzoekers dag in dag uit, ook in het weekend, en van 's morgens zeer vroeg tot 's avonds zeer laat en ook 's nachts, geconfronteerd met de vele luidruchtige activiteiten van het bedrijf, bestaande uit het laden en lossen van de vrachtwagens, het ophalen van de containers met slachtafval,... -Daarnaast valt ook de geurhinder die door het slachtafval en het bloed van de dieren wordt veroorzaakt niet te onderschatten. Het spreekt voor zich dat vooral in de warme maanden dit een intense geurhinder veroorzaakt, gepaard gaande met de opkomst van vele insecten die uiteraard graag gedijen in zulk een omgeving. Reeds naar aanleiding van de eerste milieuvergunningsaanvraag van eind 1998, heeft de Bestendige Deputatie in haar weigeringsbesluit van 4 februari 1999 moeten vaststellen dat het bedrijf talrijke milieuhygiënische tekortkomingen vertoont. Ook in het kader van de regularisatieaanvraag voor de bouwvergunningen in beroep, ingediend op 25 oktober 2002, heeft de ingenieur van de provincie in zijn technisch verslag van 10 december 2002 moeten vaststellen dat het bedrijf 'een slordige indruk wekt', 'die niet enkel niet bevorderlijk is voor de stedenbouwkundige beoordeling', 'maar waarvan de vraag zich stelt of zulks kadert in een hygiënisch verantwoorde uitbating'. Het spreekt voor zich dat bij zulke activiteiten een strikt hygiënische uitbating essentieel is om de overlast voor de omwonenden te beperken. Het moge duidelijk zijn dat dit in casu geenszins het geval is. -Daarenboven zal een verdere uitbreiding van het bedrijf op stedenbouwkundig vlak, naast de verhoging van de bedrijvigheid en de ermee gepaard gaande overlast, eveneens zorgen voor een verdere visuele hinder voor verzoekers. X-11.813-14/19 Het feit alleen reeds dat in het administratief dossier zozeer de nadruk wordt gelegd op het aanleggen van een groene buffer, duidt op deze hinder. Bovendien moet nu reeds worden vastgesteld dat door de verschillende onvergunde uitbreidingen in het verleden, het bedrijf een zeer slordige en sterk gedifferentieerde aanblik biedt. De regularisatie van de bestaande gebouwen en verdere uitbreidingen zullen dit alleen maar versterken. De Raad van State heeft reeds meermaals geoordeeld dat, alhoewel het nadeel zich pas zal concretiseren bij het verlenen van de nodige bouw- en milieuvergunningen, het nadeel niettemin reeds ontstaat door het plan van aanleg waarmee het verlenen van die vergunningen mogelijk wordt gemaakt (...). Daarbij komt nog dat de in het leven geroepen bestemmingen speciaal zijn gecreëerd voor de NV Euroslach, en het BPA enkel is opgemaakt om in afwijking van het gewestplan een regularisatie, zowel op het vlak van bouw- als van milieuvergunning, door te voeren van de inrichting. Dit blijkt duidelijk uit de motivering van de gemeenteraadsbeslissing van 15 september 2003. Het door verzoekers ingeroepen nadeel is dan ook ernstig en moeilijk te herstellen. Bovendien lijdt het geen twijfel dat, wanneer bij gebreke aan schorsing van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden BPA, dit BPA eventueel later zou worden vernietigd, op dat ogenblik de verleende uitbreidingsmogelijkheden reeds lang zullen zijn benut, mede gelet op het feit dat nu reeds zowel voor de bouwvergunning als voor de milieuvergunning aanvragen hangende zijn."; Overwegende dat de eerste verwerende partij zich heeft onthouden van elk verweer; Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat het feit dat door een bestemmingswijziging activiteiten mogelijk worden die voorheen niet mogelijk waren, op zich geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan vormen, dat de aangevoerde nadelen wat betreft geluidsoverlast en geurhinder in het kader van de milieuvergunningsproblematiek dienen te worden behandeld, dat de gebouwen reeds zijn opgericht en grotendeels vergund zodat het nadeel voortvloeiende uit visuele hinder niet rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing, en dat in het bijzonder plan van aanleg al het nodige wordt gedaan om een buffer te realiseren tussen de bestaande bebouwing en het bedrijf; Overwegende dat de tussenkomende partij antwoordt dat de hinder die verzoekers beweren te zullen ondervinden niet voortvloeit uit het BPA, maar wel uit de exploitatie van de bestaande vergunde gebouwen; dat verzoekers de beweerde hinder evengoed en in dezelfde mate zouden moeten ondergaan hebben indien de tussenkomende partij haar uitsnijderij samen met de 6 braadkippenstallen X-11.813-15/19 verder zou hebben geëxploiteerd als para-agrarisch bedrijf; dat dit zeker het geval is nu het BPA geen merkelijke schaalvergroting toelaat en dat verzoekers bijgevolg niet bewijzen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondervinden ten gevolge van het kwestieuze BPA; Overwegende dat verzoekers het verlies aan planmatige bescherming, die hen tot op heden door het gewestplan werd gegarandeerd, als nadeel aanvoeren, alsook de afbreuk die gedaan wordt aan hun woon- en leefkwaliteit door de hinder op het gebied van geluidsoverlast, geurhinder en visuele hinder van het bestaande bedrijf en van de uitbreidingen van het bedrijf die door het BPA mogelijk worden gemaakt; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoekers eigenaar zijn van een woning die volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Oudenaarde is gelegen in woongebied; dat deze woning is gelegen op minder dan 100 m van de ingang van de bedrijfssite van de n.v. EUROSLACH; dat zij vanuit hun woning een rechtstreeks zicht hebben op de bedrijfsgebouwen; dat het bestreden besluit de bestemming van het betrokken gebied heeft gewijzigd van "woongebied met landelijk karakter" en achterliggend "landschappelijk waardevol agrarisch gebied" in een "zone voor bedrijvigheid" en "zone voor aanverwante bedrijfsactiviteiten"; dat de door verzoekers in hun verzoekschrift uiteengezette nadelen inzake hun woon- en leefkwaliteit hun rechtstreekse oorzaak vinden in de in afwijking van het gewestplan vastgestelde bestemmingswijziging die activiteiten toelaat die onder de voorheen geldende planvoorschriften niet toelaatbaar waren, en die de rechtsgrond vormt voor later af te leveren stedenbouwkundige en milieuvergunningen; dat het aangevoerde nadeel zijn rechtstreekse oorsprong vindt in het bestreden bijzonder plan van aanleg; dat de aanleg van een bufferzone zoals voorzien niet van aard is de aangevoerde aantasting van verzoekers woon- en leefomgeving te neutraliseren; dat de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening in haar ongunstig advies van 18 augustus 2003 over het ontwerpplan in antwoord op het door eerste verzoeker ingediende bezwaarschrift onder meer heeft gesteld dat "uit de resem bezwaarschriften kan afgeleid worden dat betreffende bedrijf een aanzienlijke impact op de leefgemeenschap heeft. Aldus kan de GECORO instemmen met de bezwaren"; dat het aangevoerde nadeel in de gegeven omstandigheden ernstig is en moeilijk te herstellen; dat verzoekers voldoende concrete en precieze gegevens bijbrengen die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het X-11.813-16/19 bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat ook aan de tweede in voormeld artikel 17, §2, opgelegde voorwaarde is voldaan, X-11.813-17/19 BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. EUROSLACH in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B" definitief aangenomen door de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem bij besluit van 10 juni 2003 en goedgekeurd bij besluit van 10 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie. Artikel 3 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.813-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.813-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.976 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.778 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div