id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.979 Rolnummer: A. 155252/IX-4633 Zaak: Arrest 138979 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 06:00 Fiche Arrest nr 138.979 van 10 januari 2005 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.979 van 10 januari 2005 in de zaak A. 155.252/IX-4633 . In zake : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat woonplaats kiest bij advocaat J.-P. LAGASSE, kantoor houdende te BRUSSEL, de Jamblinne de Meuxplein 1 tegen : het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H.-C. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 1 september 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van artikel 6 van de beslissing van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2004; IX-4633-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VERMER, die loco advocaat J.-P. LAGASSE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaten H. SEBREGHTS en N. ANSOMS, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Luidens artikel 6, § 1, X, alinea 1, 8/,van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zijn de Gewesten bevoegd voor het taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur. 1.
- Op 20 april 2001 wordt door het Vlaamse parlement het decreet uitgevaardigd betreffende het personenvervoer over de weg en tot oprichting van een Mobiliteitsraad van Vlaanderen. Artikel 41 van dat decreet luidt als volgt : “§
- Niemand mag, zonder vergunning, een dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder op het grondgebied van het Vlaamse Gewest exploiteren door middel van één of meer voertuigen. §
- De vergunning wordt afgeleverd door de gemeente op wiens grond- gebied de exploitatiezetel van de kandidaat-vergunninghouder gevestigd is en is geldig op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. §
- De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning, afgeleverd door een ander Gewest, erkend wordt voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest.” IX-4633-2/7 Ter uitvoering van het voornoemde decreet wordt onder meer het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder uitgevaardigd. 1.
- Bij artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder, wordt een artikel 49bis in het voornoemde besluit van 18 juli 2003 ingevoegd dat als volgt luidt : “Art. 49bis. Een vergunning die is uitgereikt door een ander gewest is geldig voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest voorzover er geen reizigers in- of uitstappen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.”. 1.
- Het is die bepaling waarvan de verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging beoogt;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de eerste voorwaarde in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 41 van het decreet van het Vlaamse parlement van 20 april 2001 betreffende het personen- vervoer over de weg en tot oprichting van een Mobiliteitsraad van Vlaanderen, doordat het aangevochten artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 beoogt alle personen, die een verhuurdienst van voertuigen met bestuurder uitbaten waarvan de exploitatiezetel zich op het grondgebied van één van de andere Gewesten dan het Vlaams Gewest bevindt, meer bepaald voor reizigers die in- of uit zouden stappen op grondgebied van het Vlaams Gewest, te onderwerpen aan een uitbatingsmachtiging, afgeleverd door een Vlaamse Regering, terwijl voornoemd artikel de diensten van verhuur van voertuigen met bestuurder, waarvan de exploitatiezetel zich op het Vlaams gewestelijk grondgebied bevindt, IX-4633-3/7 niet aan een dergelijke uitbatingsvergunning onderwerpt; dat zij uiteenzet dat zulks kan blijken uit de lectuur van het advies nr. L 29982/3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State, zodat door het vereisen van een vergunning, afgeleverd door een Vlaamse Regering voor de uitbating van een dienst van verhuur van voertuigen met bestuurder, van een uitbater die titularis is van een vergunning afgeleverd door een ander Gewest maar wiens klant in of uit zou stappen op het grondgebied van het Vlaams Gewest, artikel 41, § 2, van het voornoemd decreet van 20 april 2001 wordt geschonden aangezien alleen wordt voorzien in het verlenen van een vergunning door de gemeente van het grondgebied waar de exploitatiezetel van de uitbater is gevestigd; Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede middel ook de schending aanvoert van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij hiertegen inbrengt dat luidens artikel 41, § 1, van het decreet, een ‘Vlaamse vergunning* noodzakelijk is, voor eenieder die op het grondgebied van het Vlaams Gewest een onderneming wil exploiteren die zich toelegt op de verhuur van voertuigen met bestuurder en dat artikel 41, § 2, uitsluitend betrekking heeft op de hypothese waarin men als exploitant, met exploitatiezetel in Vlaanderen, diensten in Vlaanderen wenst te exploiteren; dat artikel 41, § 3, van het decreet, louter betrekking heeft op de hypothese waarin een onderneming diensten wenst te exploiteren op het grondge- bied van het Vlaams Gewest, maar geen exploitatiezetel in Vlaanderen heeft; dat er “in dat geval dient (...) van uitgegaan te worden dat de exploitant over een Waalse dan wel Brusselse vergunning beschikt, en (...) deze vergunning erkend (zou) moeten worden in Vlaanderen”; dat het net deze derde paragraaf, is die wordt uitgevoerd middels het bestreden artikel 49bis; dat indien geen reizigers in- of uitstappen op het Vlaams grondgebied, een Waalse of Brusselse vergunning volstaat; dat indien dit wel het geval is, “een Vlaamse vergunning (dient) aang- evraagd te worden”; dat de interpretatie die de verzoekende partij geeft aan artikel 41, § 2, “volledig verkeerd” is; dat die bepaling enkel betrekking heeft op de hypothese waarin de exploitatiezetel in Vlaanderen gevestigd is, terwijl het bestreden artikel een uitwerking is van paragraaf 3, dat betrekking heeft op de vergunningen voor ondernemingen wiens exploitatiezetel niet in Vlaanderen gevestigd is; dat ten slotte met betrekking tot de vermeende schending van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen “een IX-4633-4/7 Brusselse exploitant zijn rit verder kan zetten op het grondgebied van heel het Vlaams Gewest op voorwaarde dat hij beschikt over een Vlaamse vergunning en dus over een Vlaamse exploitatiezetel, zoniet kan hij enkel het Vlaams grondgebied doorkruisen”; 2.1.
- Overwegende dat luidens het door de verzoekende partij bestreden artikel 49bis de geldigheid van de vergunning afgeleverd door een ander Gewest op het grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt vastgesteld; dat de geldigheid ervan weliswaar in voornoemde bepaling wordt erkend, maar dat de uitoefeningsvoor- waarden van de vergunning zelve worden beperkt, doordat zelfs met een geldige vergunning afgeleverd door een ander Gewest het de houder van de geldige vergunning niet toegelaten is om reizigers op het grondgebied van het Vlaamse Gewest te laten in- of uitstappen; dat hiermee evenwel geen “voorwaarden waaronder een vergunning, afgeleverd door een ander Gewest, erkend wordt”, worden vastgesteld; dat artikel 49bis bijgevolg geen uitvoering kan zijn van artikel 41, § 3, en evenmin van artikel 41, § 2, van het decreet van 20 april 2001; dat bovendien de exploitant, houder van een vergunning afgeleverd door een ander Gewest zijn exploitatiezetel niet heeft in het grondgebied van het Vlaamse Gewest en overeenkomstig artikel 41, § 2, van het decreet van 20 april 2001, geen vergunning voor het Vlaamse Gewest kan verkrijgen omdat een vergunning wordt afgeleverd door de gemeente op “wiens grondgebied de exploitatiezetel van de kandidaat-vergunninghouder is gevestigd”; dat dit de facto erop neerkomt dat, opdat dergelijke vergunninghouder zijn activiteit op een normale wijze en volledig zou kunnen uitoefenen in het Vlaamse Gewest, hij zou verplicht worden om zijn exploitatiezetel te vestigen of te verplaatsen in een gemeente van het Vlaamse Gewest om er een vergunning aan te vragen die hem zou toelaten op het grondge- bied van het Vlaamse Gewest reizigers in en uit te laten stappen; dat dergelijke regeling, zoals aangevoerd in het tweede middel, bijgevolg ook lijkt te strijden met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidens welk in economische aangelegenheden de Gewesten hun bevoegdheden uitoefenen “met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen”; dat de verwerende partij door de vergunning afgeleverd door een ander Gewest en door IX-4633-5/7 haarzelf erkend als een geldige vergunning in de uitoefeningsvoorwaarden ervan drastisch te beperken, voornoemd principe aantast; dat de middelen ernstig zijn; 2.2.
- Overwegende dat wat betreft de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verzoekende partij onder meer aanvoert dat er rechtstreeks schade aan haar bevoegdheden wordt berokkend door de uitvoering van de bestreden bepaling aangezien die bepaling een beperking inhoudt van “de draagwijdte of de gevolgen van een uitbatingsvergun- ning” die door haar is afgeleverd op grond van haar ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en diensten van verhuur van voertuigen met bestuurder; dat zij hierbij verwijst naar ‘s Raads arresten nr. 66.657 van 10 juni 1997, nr. 75.844 van 21 september 1998 en nr. 53.697 van 13 juni 1995; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de “bestreden regelgeving schade zou toebrengen aan de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat zij overigens niet inziet dat zij schade zou kunnen toebrengen aan de verzoekende partij waar zij territoriaal niet bevoegd is; dat de bestreden bepaling ook niet de bevoegdheden van de verzoekende partij beperkt aangezien pas als “de gewestgrens overschreden wordt, (...) de ritten onder het decreet (vallen)”; 2.2.
- Overwegende dat zoals bij de bespreking van de hiervoor ernstig bevonden middelen is vastgesteld dat de bestreden bepaling de door de verzoekende partij afgeleverde vergunning als geldig erkent doch tegelijkertijd in haar uitvoering beperkt en lijkt te strijden met artikel 6, § 1, VI, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waardoor de verzoekende partij gehinderd wordt in de uitoefening van de haar krachtens die bijzondere wet toegekende bevoegdheden; dat voor een Gewest of een Gemeenschap een normale ongehinderde uitoefening van hen door of krachtens de Grondwet en bijzondere wetten toegekende bevoegdheden een zaak is die de openbare orde aanbelangt, dat de omstandigheid dat die bevoegdheden gedurende een periode langer dan in geval de schorsing niet wordt uitgesproken wordt gehinderd of onmogelijk gemaakt, voor de verzoekende partij geacht moet worden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit te maken, IX-4633-6/7 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 6 van de beslissing van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4633-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.979 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.392 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div