id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.980 Rolnummer: A. 67429/IX-1068 Zaak: Arrest 138980 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 06:00 Fiche Arrest nr 138.980 van 10 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.980 van 10 januari 2005 in de zaak A. 67.429/IX-
- In zake : Willy ALENUS, wonende te OOSTENDE, Zeedijk 357/16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy ALENUS op 2 februari 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Landsverdediging, hem medegedeeld met een brief van 22 december 1995, houdende de weigering om een nieuw onderzoek te laten gebeuren van de beslissing van 16 juli 1954 van de Herzieningscommissie van Hasselt waarbij besloten is dat Antonius ALENUS de hoedanigheid van gewapend weerstander niet heeft; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 27 april 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de "laatste memories" van verzoeker; IX-1068-1/9 Gelet op de beschikking van 18 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- wnd. afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Antonius ALENUS, vader van verzoeker, wordt op 11 september 1944 door de bezetter te OPGLABBEEK terechtgesteld. 1.
- Op 7 februari 1949 kent de controlecommissie van HASSELT aan Antonius ALENUS postuum de hoedanigheid van gewapende weerstander toe. 1.
- De aanvaardingscommissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden beslist op 26 september 1952 dat betrokkene wegens zijn onwaardig gedrag ten opzichte van de vijand "geen recht heeft te postumen titel op de titel van politieke gevangene noch van begunstigde van het statuut". 1.
- Op 6 augustus 1953 tekent de minister van Landsverdediging krachtens artikel 6bis van de besluitwet van 19 september 1945, gewijzigd door de IX-1068-2/9 wet van 30 mei 1953, beroep aan tegen de sub 1.
- vermelde beslissing van de controlecommissie van HASSELT van 7 februari
- 1.
- Op 16 juli 1954 vernietigt de 7de Herzieningscommissie van HASSELT, zetelende in graad van beroep, de beslissing van 7 februari 1949 van de controlecommissie van HASSELT en beslist dat Antonius ALENUS de hoedanig- heid van gewapend weerstander niet heeft. De beslissing rust op volgende redengeving : "Overwegende dat Alenus, voornoemd, door beslissing van de Controle Commissie van Hasselt I dd. 7 Februari 1949, erkend werd als lid van de gewapende weerstandsgroepering 'G.L.'; Overwegende dat de Heer Minister van Landsverdediging door zijn schrijven van 6 Augustus 1953 beroep insloeg tegen deze beslissing om reden Alenus, Antonius Wilhelmus, voornoemd, tijdens een langdurige periode, gaande tot na zijn aanwerving als lid ener gewapende weerstandsorganisatie, deel uitmaakte van het V.N.V. en aldus zich minderwaardig heeft getoond door zijn gedrag en houding tegenover de vijand; Overwegende dat inderdaad uit de beslissing genomen door de Aan- vaardingscommissie van Beroep van de Politieke gevangenen en hun recht- hebbenden, op 26 September 1952, blijkt dat Alenus, voornoemd, om vermelde reden geen recht heeft op de titel van politieke gevangene of van begunstigde van het statuut; Dat derhalve het beroep ontvankelijk is; Overwegende dat uit het ter zitting gedane onderzoek gebleken is dat er twijfel bestaat omtrent de aanwerving van Alenus, voornoemd, bij de gewapende weerstandsorganisatie 'G.L.'; dat, in strijd met de vermeldingen op het standaardblad van aanvraag strekkende tot erkenning, op zitting van 17 Mrt 1954 door de rechthebbende Schorpion Maria, verklaard werd dat haar echtgenoot, Alenus, voornoemd, aangeworven werd door lees : Coemans, Henri; dat zij, in haar verklaring van 19 Mei 1954 deze bewering introk nadat gebleken was uit het verhoor van genoemde Coemans dat hij Alenus, voor- noemd, niet had aangeworven (zie stuk nr. 16); dat daarenboven het ook blijkt dat Alenus, voornoemd, niet door Alenus, Jan op uitdrukkelijke wijze aangeworven werd voor rekening van zijn weerstandsgroep en in opdracht van zijn overste Coemans, Henri (stuk nr. 11) daar deze laatste beweert de aangeworvene niet te kennen en allezins gans ontwetend te zijn van diens aanwerving; Overwegende dat uit de aard en omvang van de voormelde activiteit van Alenus, Antoine-Wilhelmus, voornoemd, en in het raam van de gewapende weerstand niet gebleken is dat hij in geregeld contact stond met een weerstands- organisatie en door deze met opdrachten gelast werd; IX-1068-3/9 dat meer bepaald in de verklaringen van genaamde Lacroix en Meulemans (stuk nr. 18) die hem vergezelden op 11 September 1944, niet spruit dat Alenus in de uitvoering van een opdracht voor rekening van de gewapende weerstand door aftrekkende Duitse militairen werd tot staan gebracht achteraf gefusilleerd; dat zij integendeel verklaren dat zij vertrokken waren om brood en melk te halen bij de boeren; dat volgens genaamde Verstraeten (stuk nr. 20), bij wie Alenus voornoemd te Opglabbeek even bleef praten vooraleer gevat te worden, deze laatste drager was van een melkkruik hetgeen de lees : weergave der feiten zoals opgegeven door Lacroix en Meulemans, bevestigt; dat derhalve Alenus, voornoemd, niet voldoet aan de voorwaarden gesteld bij art. 1 en 3 der besluit-wet van 19 September 1945, gewijzigd door de wet van 30 Mei 1953"; 1.
- Op 10 december 1992 vraagt verzoeker aan de minister van Landsverdediging "de herziening op grond van bewijzen van vergissing en/of nieuwe feiten van de eindbeslissing genomen door een beroeps- en herzienings- commissie die in de vijftiger jaren ten onrechte de hoedanigheid van "gewapend weerstander" heeft ontzegd aan wijlen A.W. ALENUS (...)". Op 22 januari 1993 deelt de minister van Landsverdediging aan verzoeker mede dat de situatie van zijn vader als gewapend weerstander definitief geregeld is, gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 6 augustus
- Verzoeker heeft die beslissing niet bij de Raad van State bestreden. Verzoeker herhaalt zijn verzoek op 28 december 1994 en op 28 februari
- De minister antwoordt daarop negatief met brieven van 21 februari 1995 en 10 april
- Ook die beslissingen heeft verzoeker niet bestreden. 1.
- Op 3 mei 1995 wordt verzoeker op het kabinet van de minister van Landsverdediging ontvangen. Bij deze gelegenheid dient hij een nieuwe aanvraag tot herziening van de beslissing van 16 juli 1954 in. De minister van Landsverdediging schrijft hem op 22 december 1995 het volgende : "Naar aanleiding van het onderhoud dat u werd toegestaan door de toenmalige Minister van Landsverdediging, werd u op 3 mei 1995 de gelegen- heid geboden de problematiek rond het erkenningsdossier van wijlen uw vader de heer A.W. ALENUS persoonlijk door te nemen met enkele kabinetsmede- werkers en een deskundige van de Generale Staf. IX-1068-4/9 De gegevens die tijdens dit onderhoud naar voor gebracht werden alsook de zeer uitgebreide correspondentie, die u omtrent dit onderwerp gevoerd heeft met de opeenvolgende Ministers van Landsverdediging in de periode lopende van 10 november 1992 tot 11 november 1995, werden door de bevoegde dienst van mijn Departement grondig onderzocht, teneinde een definitieve beslissing in dit dossier voor te bereiden. Eenieder die kennis genomen heeft van dit dossier heeft zijn bewondering uitgedrukt voor het omvangrijke opzoekingswerk dat u verricht heeft en voor de vastberadenheid waarmee u het dossier verdedigt. Na grondige studie van alle documenten in ons bezit moet ik u echter spijtig genoeg melden dat, zoals reeds gesteld door mijn voorgangers, een herziening van het erkenningsdossier van wijlen uw vader niet mogelijk is. Deze beslissing is gesteund op artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 6 augustus 1957 dat onherroepelijk bepaalt dat het indienen van een beroep tegen een beslissing van een herzieningscommissie moest geschieden voor 23 oktober
- Alhoewel ik alle begrip kan opbrengen voor uw streven, is het mij dus wettelijk niet toegelaten aan uw verzuchtingen tegemoet te komen."; Het is van deze weigeringsbeslissing, dat thans de vernietiging wordt gevorderd; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep, aangezien de minister van Landsverdediging nooit een beslissing zal kunnen nemen die afwijkt van de bestreden akte, aangezien artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 oktober 1953, aangevuld door het koninklijk besluit van 6 augustus 1957, de termijn voor het indienen van een aanvraag tot nieuw onderzoek beperkt heeft tot 24 oktober 1957, en aangezien de minister geen aanvraag tot herziening meer aan een herzieningscommissie kan voorleggen, nu die commissies overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 april 1969 hun werkzaamheden uiterlijk op 31 december 1972 hebben moeten beëindigen; 2.
- Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord tegenover stelt dat het in zijn geval gaat om "een onverjaarbare administratieve rechtshandeling, die in geval van dwaling te allen tijde kan worden herzien"; IX-1068-5/9 2.3.
- Overwegende dat de reglementaire bepalingen die voor het beantwoorden van de exceptie relevant zijn, luiden als volgt : A. De besluitwet van 19 september 1945 tot vaststelling van het statuut van de gewapende weerstand, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1953 : - artikel 1, zesde en zevende lid : "- Een koninklijk besluit regelt de werkwijze van de controlecommissie en van de herzieningscommissies; het bepaalt hun territoriale bevoegdheid en stelt de procedure-regelen vast; - De termijnen binnen welke deze commissies, (...) hun werkzaamheden moeten beëindigd hebben, worden bij koninklijk besluit vastgesteld."; - artikel 5ter : "- De beslissingen, door de herzieningscommissies uitgesproken, zijn vatbaar voor een nieuw onderzoek, hetzij wegens feitelijke dwaling, hetzij op overlegging van nieuwe gegevens. - tot het nieuw onderzoek wordt overgegaan, hetzij op initiatief van de Minister van Landsverdediging, hetzij op aanvraag van belanghebbende of zijn rechtverkrijgenden. - Van de aanvraag om een nieuw onderzoek wordt aan de Minister van Landsverdediging, bij een ter post aangetekende brief, kennis gegeven. Als de Minister van Landsverdediging een aanvraag tot nieuw onderzoek van een beslissing genomen door een herzieningscommissie uitlokt, geeft hij er kennis van aan belanghebbende bij een ter post aangetekende brief. - De zaak wordt naar de herzieningscommissie teruggezonden die de beslissing genomen heeft waarvan het nieuw onderzoek gevraagd is."; B. Het koninklijk besluit van 20 oktober 1953 betreffende de controle- en herzieningscommissies voor gewapende weerstanders, artikel 20, waarvan de laatste zin van het derde lid ingevoegd is door het koninklijk besluit van 6 augustus 1957 tot aanvulling van het koninklijk besluit van 20 oktober 1953 betreffende de controle- en herzieningscommissies voor gewapende weer- standers : "De belanghebbende of zijn rechtverkrijgenden kunnen een nieuw onderzoek van de beslissingen van de herzieningscommissies aanvragen bij een ter post aangetekende brief aan een Minister van Landsverdediging. De Minister van Landsverdediging kan eveneens een nieuw onderzoek van deze beslissingen aanvragen bij een ter post aangetekende brief aan de belanghebbende of aan zijn rechtverkrijgenden. IX-1068-6/9 In de aanvragen om een nieuw onderzoek moet melding worden gemaakt van de dwaling omtrent de feiten of het nieuw ingeroepen gegeven. Ze moeten aan de post afgegeven worden binnen de zestig dagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing der herzieningscommissie."; C. Het koninklijk besluit van 6 augustus 1957, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1957, artikel 2 : "Voor de beslissingen waarvan kennis gegeven werd voor de inwerking- treding van dit besluit gaat deze termijn van zestig dagen in de dag na die waarop het onderhavig besluit van kracht wordt."; D. Het koninklijk besluit van 8 april 1969 tot vaststelling van de data van verstrijken van de termijnen binnen dewelke de controle- en herzienings- commissies voor gewapende weerstanders hun werkzaamheden zullen moeten beëindigd hebben, artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 januari 1973 : "De herzieningscommissies bedoeld in artikel 5bis van het statuut van de gewapende weerstand zullen hun werkzaamheden uiterlijk op 31 december 1972 moeten hebben beëindigd. Met uitzondering van de op deze datum bestaande geschillen ten aanzien van welke de bedoelde commissies nog steeds geen onherroepelijke beslissing zouden hebben kunnen nemen."; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de beslissing van 16 juli 1954 van de 7de Herzieningscommissie te Hasselt, waarvan hij een nieuw onderzoek gevraagd heeft dat aanleiding heeft gegeven tot het hier bestreden besluit, hem ter kennis gebracht is vóór 24 augustus 1957, dit is de datum waarop het koninklijk besluit van 6 augustus 1957 in werking getreden is; dat hij evenmin betwist dat zijn aanvraag tot heronderzoek van 3 mei 1995 niet ingediend is binnen de reglementaire termijn van zestig dagen na het van kracht worden van datzelfde koninklijk besluit; dat verzoeker derhalve, in toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 oktober 1953 en het koninklijk besluit van 6 augustus 1957, op 3 mei 1995 niet ontvankelijk nog om een heronderzoek van de beslissing van de herzieningscommissie kon vragen; IX-1068-7/9 2.3.3.
- Overwegende dat verzoeker wel aanvoert dat niet de minister van Landsverdediging maar de Herzieningscommissie over zijn vraag tot heronderzoek had moeten beslissen; dat evenwel te dien aanzien de Raad van State niet buiten de vaststelling kan; dat voor de gevallen als dat van verzoeker -waarin op 31 december 1972 geen geschil bij de herzieningscommissie hangende was- het koninklijk besluit van 8 april 1969 bepaald heeft dat de herzieningscommissies hun activiteiten beëindigen op 31 december 1972, zodat de minister van Landsverdediging niet over een juridische basis beschikte om de vraag van verzoeker aan de Herzienings- commissie voor te leggen; dat, bij gebrek aan een wettelijke regeling en aangezien aan de Raad van State ook geen algemeen rechtsbeginsel ter zake bekend is, de omstandigheid dat de beslissing van de Herzieningscommissie -een rechtscollege- gesteund zou zijn op een dwaling, aan die vaststelling niets afdoet; Overwegende dat ook niet wordt ingezien hoe het gegeven dat de verwerende partij in de periode vóór 1972 niet ambtshalve bij de Herzienings- commissie een nieuw onderzoek aangevraagd heeft -wat zij volgens de uiteenzetting van verzoeker in zijn laatste memorie had moeten doen- tot de vernietiging van het thans bestreden besluit zou moeten leiden; 2.3.3.
- Overwegende dat verzoeker ook nog aanvoert, in zijn zesde middel, dat aan de weggevoerden en de werkweigeraars wel een nieuwe termijn is toegekend waarbinnen zij hun zaak konden laten heroverwegen, terwijl de gewapende weerstanders daarvan verstoken zijn gebleven zodat de verwerende partij het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden heeft; dat hij daarmee doelt op de wet van 5 april 1995 waarbij de termijnen voor het indienen van de aanvragen met het oog op de toekenning van het statuut van nationale erkentelijkheid ten gunste van de werkweigeraars en de weggevoerden voor de verplichte tewerkstel- ling van de oorlog 1940-1945, voor een beperkte periode van 1 jaar werden heropend; dat, evenwel, verzoeker dat gegeven niet relevant bij de onderhavige zaak kan betrekken, aangezien de vraag die hij aan de minister van Landsverdediging had gesteld geen betrekking had op de toekenning van het statuut van gewapend weerstander, maar op een nieuw onderzoek van de beslissing van het rechtscollege IX-1068-8/9 dat in 1954 aan Antonius ALENUS de hoedanigheid van gewapend weerstander had geweigerd; 2.3.
- Overwegende dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1068-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.980 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.