← België

Arrest 138981 - - 10/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.981 Rolnummer: A. 64006/IX-3951 Zaak: Arrest 138981 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-27 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:00 Fiche Arrest nr 138.981 van 10 januari 2005 - Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.981 van 10 januari 2005 in de zaak A. 64.006/IX-

  1. In zake :
  2. de vzw BELGISCHE SYNDICALE DIERENARTSEN- VERENIGING (BSDV),
  3. de vzw VLAAMSE DIERENARTSENVERENIGING,
  4. Marc JANSSENS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. PHILIPPE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 240 tegen : de ORDE DER DIERENARTSEN, die woonplaats kiest bij advocaat N. WEINSTOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw BELGISCHE SYNDICALE DIERENARTSENVERENIGING, de vzw VLAAMSE DIERENARTSEN- VERENIGING en Marc JANSSENS op 8 juni 1995 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het reglement van inwendige orde, aangenomen door de Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen op 10 december 1994; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3951-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. PHILIPPE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. WEINSTOCK, die loco advocaat P. LAMBERT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  7. Overeenkomstig artikel 11 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen stelt de Hoge Raad der Orde de regels van de veeartsenijkundige plichtenleer vast (artikel 11, 1/, van de wet) en bepaalt hij de algemene voorwaarden van werking en bestuur der Orde (artikel 11, 4/, van de wet). 1.
  8. Op 10 december 1994 heeft de Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen, in toepassing van artikel 11, 1/, van de wet, een nieuwe versie van de Code der Plichtenleer vastgesteld. Dezelfde dag heeft hij ook het Reglement van Inwendige Orde aangepast. Volgens de uiteenzetting van de verwerende partij betreft het de Nederlandstalige versie, die geldt voor de Nederlandstalige Gewestelijke Raad van IX-3951-2/6 de Orde (NGROD). De Franstalige versie, waarvoor het initiatief bij de Franstalige Gewestelijke Raad ligt, is volgens haar “nog niet voltooid”. Zij licht daarbij toe dat “iedere Gewestelijke Raad zijn eigen opvattingen heeft t.a.v. het Reglement van Inwendige Orde (en dat) de Hoge Raad poogt in de mate van het mogelijke te streven naar harmonisatie van de Reglementen van Inwendige Orde van de twee Regionale Raden”. Het Nederlandstalig reglement vormt het voorwerp van het onderhavige beroep. 1.
  9. Bij arrest nr. 74.861 van 30 juni 1998 vernietigt de Raad van State “de Nederlandse en de Franse versie van de Code van de Plichtenleer”, zoals die op 10 december 1994 was vastgesteld. Er wordt overwogen dat de artikelen 1, 2, 3 en 11 van de wet van 19 december 1950 “de Hoge Raad van de Orde onder meer de taak hebben toevertrouwd de regels van de veeartsenijkundige plichtenleer op te stellen die onveranderlijk gelden voor ‘al de doctors in de veeartsenijkunde in België woonachtig, aldaar gemachtigd de veeartsenijkunde uit te oefenen en ingeschreven op een van de lijsten der Orde”, dat de Nederlandse en de Franse tekst van de op 10 december 1994 vastgestelde Code verschillen vertonen, die “onverenigbaar zijn met de door de wetgever van 1950 gewilde uniciteit van de deontologische regels”. 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel de schending aanvoeren van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen, van artikel 159 van de Grondwet en van het beginsel van de rechtszekerheid, doordat het bestreden reglement aangenomen is “door de Hoge Raad in uitvoering van de Code der Plichtenleer” terwijl die Code onwettig is en zij op grond van artikel 159 van de Grondwet niet toegepast mag worden met het gevolg dat het bestreden reglement, dat als een uitvoerende akte “een accessorium is van de Code der Plichtenleer”, nietig verklaard moet worden; IX-3951-3/6 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij voor haar antwoord op het eerste middel verwijst naar het verweer dat zij gevoerd heeft in de zaak die tot het arrest nr. 74.861 geleid heeft; 3.
  12. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord nog eens herhalen waarom zij de Code der Plichtenleer onwettig achten; 2.4.
  13. Overwegende dat overeenkomstig de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, er in België één Orde van Dierenartsen bestaat die de rechtspersoonlijkheid heeft en die alle dierenartsen omvat die in België wonen, die daar de veeartsenijkunde mogen beoefenen en die, afhankelijk van woonplaats, ingeschreven zijn op de lijst van de Orde opgemaakt door hetzij de Nederlandstalige Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen, hetzij de Conseil Régional d’expression française de l’Ordre des médecins vétérinaires; dat overeenkomstig artikel 3 van de wet het gezag van de Orde berust bij de Hoge Raad der Orde, de Gemengde raden van beroep -die bevoegd zijn om uitspraak te doen over de beroepen tegen beslissingen van de gewestelijke raden- en de twee Gewestelijke Raden, waarvan de functionele bevoegdheid nader is omschreven in artikel 5 van de wet; dat artikel 11 van de wet de Hoge Raad der Orde, die uit twee afdelingen bestaat -een met het Nederlands als voertaal, de andere met het Frans als voertaal- belast met de volgende opdrachten : “1/ de regelen van de veeartsenijkundige plichtenleer vast te stellen. 2/ Advies uit te brengen ... 3/ De bevoegdheden van de voorzitters en secretarissen der gewestelijke raden te bepalen. 4/ De algemene voorwaarden van werking en bestuur der Orde vast te stellen. 5/ De algemene bedrijvigheid van de gewestelijke raden te controleren en hun uitspraken samen te ordenen. Hij kan de gewestelijke raden gelasten een onderzoek in te stellen nopens alle zaken die tot hun bevoegdheid behoren, de beslissingen die hem voor beroep vatbaar schijnen naar de gemengde raden van beroep verwijzen en de door laatstgenoemde gewezen vonnissen voor het Hof van verbreking brengen. (...)”; IX-3951-4/6 2.4.
  14. Overwegende dat de Hoge Raad met het bestreden besluit een “reglement van inwendige orde” vastgesteld heeft; dat daarin de volgende aangelegenheden geregeld worden: de samenstelling en de vorming van de Nederlandstalige Gewestelijke Raad van de Orde (hoofdstuk I), zijn territoriale (hoofdstuk II) en functionele bevoegdheid (hoofdstuk III, VIII en IX), de samen- stelling en bevoegdheid van zijn bureau, de verkiezing en de bevoegdheden van zijn voorzitter, ondervoorzitter, secretaris en leden (hoofdstuk IV), het verloop van de zittingen en de besluitvorming (hoofdstuk V) en de procedure in tuchtzaken (hoofdstuk VI en VII); 2.4.
  15. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen stellen, het bestreden inwendig reglement niet gezien kan worden als de uitvoering of het accessorium van de Code der Plichtenleer, waarin uitsluitend een opsomming is gegeven van de rechten en plichten die de dierenartsen moeten naleven, zonder dat daarbij nadere uitvoeringsmaatregelen in het vooruitzicht worden gesteld; dat integendeel het bestreden besluit een op zich staand reglement is waarbij de wettelijke bepalingen voor de werking van de Gewestelijke Raden van de Orde nader worden uitgewerkt en dat aldus zijn rechtsgrond vindt in artikel 11, 4/, van de wet; dat in die omstandigheden de Raad van State uit de nietigverklaring van de Code der Plichtenleer niet de gevolgtrekking kan maken dat het bestreden besluit bij gebrek aan deugdelijke rechtsgrond onwettig is; 2.4.
  16. Overwegende voor het overige, dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken welke bepalingen van de wet van 19 december 1950 het bestreden besluit zouden miskennen, noch waarin zij een autonome schending van het zorg- vuldigheidsbeginsel ontwaren; 2.
  17. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; dat, aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot het eerste middel, het onderzoek van de zaak moet worden voortgezet, IX-3951-5/6 BESLUIT: Artikel
  18. De debatten worden heropend. Artikel
  19. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3951-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.981 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.971 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.