← België

Arrest 138982 - - 10/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.982 Rolnummer: A. 40267/IX-2545 Zaak: Arrest 138982 - - 10/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-21 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 06:00 Fiche Arrest nr 138.982 van 10 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 138.982 van 10 januari 2005 in de zaak A. 40.267/IX-

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Pensioenen,
  3. de minister van Landsverdediging tegen : Maria RUYTS, thans haar rechtsopvolgers, te weten
  4. Maurice VERHULSEL, wonende te LIER, Peperstraat 19,
  5. Viviane VERHULSEL, wonende te ESSEN, Heikantstraat 30,
  6. Rita VERHULSEL, wonende te OOSTENDE, Zwaluwenstraat 110,
  7. Monique RUYTS, wonende te ANTWERPEN, De Bosschaertstraat 120,
  8. Gerarda ROGGE, wonende te OUD-TURNHOUT, Meibloemstraat
  9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegen- woordigd door de minister van Pensioenen op 9 februari 1989 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 november 1988 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen voor politiek gevangenen, waarbij aan Maria RUYTS met ingang van 1 mei 1985 een definitief pensioen berekend op 35 % invaliditeit verleend wordt; Gelet op het arrest nr. 124.131 van 13 oktober 2003 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de auditeur-generaal aangestelde lid IX-2545-1/7 van het auditoraat ermee wordt belast de door de verzoekende partij voorgelegde gegevens te onderzoeken, desgevallend ambtshalve de nodige inlichtingen in te winnen en een verslag op te stellen met de aanwijzing van de rechtsopvolgers van Maria RUYTS tegen wie het geding zal worden voortgezet; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-wnd. afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  10. Overwegende dat Maria RUYTS overleden is op 26 oktober 1993; dat haar rechtsopvolgers, zoals die aan de Raad van State kenbaar zijn gemaakt, verwittigd zijn van de openbare behandeling van de zaak op de terechtzitting van 13 december 2004; dat geen van hen formeel de hervatting van het geding gevraagd heeft;
  11. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-2545-2/7 2.
  12. Maria RUYTS (/ 21 februari 1912) geniet het statuut van politiek gevangene wegens haar gevangenschap te Berlijn en te Sint-Gillis van 20 december 1941 tot 6 mei
  13. Met ingang van 1 juni 1942 verleent de commissie voor vergoedingspensioenen te Antwerpen haar wegens algemene verzwakking- myocarditis een voorlopig vergoedingspensioen, berekend op 30 % invaliditeit. Het invaliditeitspercentage wordt bij beslissing van 3 oktober 1950 van dezelfde commissie voor de periode van 1 juni 1948 tot 31 mei 1952 verminderd tot 20 %. 2.
  14. Bij beslissing van 20 augustus 1952 verleent de minister van Financiën aan Maria RUYTS met ingang van 1 juni 1952 een definitief pensioen, berekend op 10 % invaliditeit wegens “discrete algemene verzwakking zonder neurovegetatieve stoornissen van het hart en parametriten” (20 % art. 643 en 537 b min 10 % art. 537 b - vreemde factoren). 2.
  15. Een eerste aanvraag om herziening wegens verergering wordt namens de staatssecretaris voor Pensioenen op 17 april 1985 verworpen. 2.
  16. Op 28 mei 1985 vraagt Maria RUYTS om herziening van haar invaliditeitspensioen op grond van de beschikkingen van artikel 904 van de officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit (OBSI) dat betrekking heeft op de “asthenie van de politieke gevangenen” en dat in de OBSI ingevoegd is door het KB van 2 juli
  17. De Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst (hierna : GGD) besluit op 15 november 1985 evenwel dat betrokkene niet aan deze kwaal lijdt en de Commissie voor vergoedingspensioenen verwerpt op 18 september 1986 op grond van dit advies de herzieningsaanvraag. IX-2545-3/7 2.
  18. Tegen de beslissing van 18 september 1986 tekent Maria RUYTS op 6 december 1986 beroep aan. Na een nieuw onderzoek komt de medische beroepskamer van de GGD op 6 juni 1988 tot het volgend besluit : “Belanghebbende vertoont inderdaad een matige vorm van asthenie. Deze is echter slechts ten dele te beschouwen als de psychische asthenie, reactief op haar politieke gevangenschap, zoals bedoeld bij art. 904 van de O.B.S.I.. Voor het overige betreft het een fysische asthenie welke begrijpelijkerwijze voortvloeit uit haar strikt organische bezwaren (locomotisch, cardiaal, respiratoir). Deze laatste wordt niet in de schatting betrokken. De asthenie, genaamd De invaliditeit wegens psychische asthenie wordt door die beroepskamer geschat op 20 % art. 904 en 643, verminderd met 10 % bij toepassing van art. 643 (vreemde factoren) of 10 % aanrekenbaar. 2.
  19. Bij beslissing van 7 november 1988 kent de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen voor politieke gevangenen met ingang van 1 mei 1985 een definitief pensioen toe berekend op 35 % invaliditeit. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Aangezien de Commissie zich aansluit bij de conclusies van de medische beroepskamer; Aangezien voor de toepassing van Deel XV van de O.B.S.I. de betrokkene geen bewijs van oorsprong en van continuïteit van de geneeskundige verzorging moet leveren; Aangezien de Commissie derhalve oordeelt dat de kwaal moet beschouwd worden als opgedaan of verergerd in en door de dienst na 10 mei 1940 wat ook nog blijkt uit het medisch attest van dokter MEHUYS (doc. III b); Aangezien de totale invaliditeitsgraad overeenkomstig art. 9, § 3 van de SWVP 35 % bedraagt”. IX-2545-4/7
  20. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 9, § 3 van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen doordat de commissie van beroep in het bestreden besluit de invaliditeitsgraad die als basis zal dienen voor het pensioen van Maria RUYTS vaststelt op 35 %, terwijl de totale invaliditeitsgraad 19 % of afgerond 20 % bedraagt aangezien, zoals de medische beroepskamer in haar verslag verduidelijkt heeft, de vroegere 10 % invaliditeit die op 20 augustus 1952 aan Maria RUYTS met toepassing van artikel 643 O.B.S.I. was toegekend, hetzelfde bedoelt te vergoeden als de asthenie waarvan sprake in artikel 904 O.B.S.I. (een bepaling die nog niet bestond toen de invaliditeitsgraad de eerste keer werd vastgesteld); dat volgens de verzoekende partij de commissie van beroep, steunend op het verslag van de medische beroepskamer, de invaliditeit van Maria RUYTS had moeten vaststellen op 19 %, afgerond tot 20 % en zulks rekening houdend in de eerste plaats met een psychische asthenie van 10 % en vervolgens met een algemene verzwakking (haar vroegere kwaal) van 10 % x 9/10 = 9 %; 3.
  21. Overwegende dat de verwerende partij de berekening gemaakt door de verzoekende partij bijvalt; 4.
  22. Overwegende dat, als sub 1.
  23. vermeld, de invaliditeit van Maria RUYTS op 20 augustus 1952 vastgesteld is op 10 % wegens “discrete algemene verzwakking zonder neuro-vegetatieve stoornissen van het hart en parametriten” (20 % art. 643 verminderd met 10 % art. 573b); dat de medische beroepskamer van de G.G.D. in haar conclusies betreffende het onderzoek van Maria RUYTS op 11 juni 1986, vastgesteld heeft dat de “asthenie, genaamd verslagen (...), welke hetzelfde bedoelt te vergoeden, wordt afgetrokken onder vorm van vreemde factor teneinde dubbel gebruik te voorkomen” en dat zij daarom de schatting van 20 % invaliditeit (art. 904/643 RR) verminderd heeft met 10 % vreemde factoren (art. 643), dat wil zeggen met de invaliditeit die haar was toegekend in 1952; IX-2545-5/7 Overwegende dat de Commissie van beroep zich aangesloten heeft bij de conclusies van de medische beroepskamer; dat zij dienvolgens, met inachtneming van de dwingende regeling vervat in artikel 9, § 3 van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen, de totale invaliditeitsgraad van Maria RUYTS als volgt had moeten vaststellen : 1) psychische asthenie : 10 % 2) algemene verzwakking zonder neuro-vegetatieve stoornissen van het hart en de parametriten : 10 % x 90/100 = 9 %, hetzij in totaal 19 % en afgerond 20 %; Overwegende dat de commissie van beroep, door zich enerzijds aan te sluiten bij de conclusies van de medische beroepskamer en door anderzijds het bedrag van de totale invaliditeit van Maria RUYTS op 35 % vast te stellen, een verkeerde toepassing heeft gemaakt van artikel 9, § 3, van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  24. Vernietigd wordt de beslissing van 7 november 1988 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen voor politieke gevangenen, waarbij aan Maria RUYTS met ingang van 1 mei 1985 een definitief pensioen berekend op 35 % invaliditeit verleend wordt. Artikel
  25. Dit arrest zal in de registers van bovenvermelde commissie worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. IX-2545-6/7 Artikel
  26. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen voor politieke gevangenen. Artikel
  27. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2545-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.982 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.941 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.