← België

Arrest 139086 - - 12/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.086 Rolnummer: A. 140135/VII-30461 Zaak: Arrest 139086 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-28 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:07 Fiche Arrest nr 139.086 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 139.086 van 12 januari 2005 in de zaak A. 140.135/VII-30.461 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN PRAET, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 7 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2003 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 17 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEPOVERE, die, loco advocaat B. VAN PRAET, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-30.461-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 26 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.2. De Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft op 30 januari 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Uit de nota van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend en dat de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld aan de hand van zijn paspoort. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2, 4/, van de regularisatiewet. Ter zitting stelt de Commissie vast dat de aanvrager poogt haar te misleiden. Hij legt met toepassing van artikel 9, 9/, eerste lid, van de regularisatiewet een schriftelijke verklaring van 27 november 2002 neer waarbij hij poneert de laatste vijf jaar geen bevel te hebben gekregen om het Belgisch grondgebied te verlaten (stuk 20 van de neergelegde bundel) en houdt op herhaalde vraagstelling van de Commissie staande sedert zijn aankomst in België in 1991 nooit in contact te zijn geweest met de politie. Uit het voorliggende dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt evenwel dat de aanvrager op 2 december 1999 een bevel om het grondgebied te verlaten heeft gekregen en dit uit handen van de politie van A. Overigens werd hem op 2 juli 1992, na een politiecontrole in het kader van een onderzoek van een moordzaak, reeds een bevel om het grondgebied te verlaten betekend. Op basis van het algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit' (vgl. R.v.St., X, nr. 80.435, 27 mei 1999; R.v.St., X, nr. 80.811, 9 juni 1999; ook: R.v.St., X, nr. 79.905, 26 april 1999) kan te dezen geen gunstig advies worden verleend. Ten overvloede blijkt uit het vraaggesprek ter zitting en de gegevens van het dossier verder het volgende: -betrokkene verstaat, ondanks zijn voorgehouden langdurig verblijf, nauwelijks Nederlands; -hij heeft geen legale tewerkstelling en hij heeft er nooit een gehad; -hij is niet gehuwd en heeft geen kinderen; zijn ouders verblijven in XXX; VII-30.461-2/7 -afgezien van een beperkte kennissenkring worden geen concrete aanwijzingen van integratie in het Belgisch maatschappelijk leven bijgebracht. Deze vaststellingen leiden tot het besluit dat geen elementen worden aangebracht, die toelaten humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in aanmerking te nemen.". 1.3. Op 28 februari 2003 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing. 2. Overwegende dat de verwerende partij een exceptie opwerpt van niet ontvankelijkheid ratione temporis; dat zij stelt dat de bestreden beslissing van 23 februari 2003 per post aan de woonplaats van de verzoekende partij werd verzonden; dat uit het administratief dossier niet kan worden afgeleid, en de verwerende partij niet bewijst, op welke datum de bestreden beslissing per gewone post werd verstuurd aan de gekozen woonplaats van de verzoekende partij; dat niet kan worden vastgesteld wanneer de voornoemde beslissing door de verzoekende partij ontvangen werd; dat derhalve dient aangenomen te worden dat het beroep tijdig is ingediend; dat de exceptie dient te worden verworpen; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift uiteenzet hetgeen volgt: "Verzoeker stelt, onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, volgende middelen tot nietigverklaring voor, die echter in samenlezing met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel eveneens de schorsing rechtvaardigen. In de bestreden beslissing neemt de Minister integraal de motivering van het advies over en maakt hij de overwegingen ervan tot de zijne, zodat ook dit verzoek zich, voor wat het inhoudelijke aspect betreft, rechtstreeks op de overwegingen van het advies (stuk 2) baseert. 1. Overschrijding termijn Art. 18 van het K.B. van 5 januari 2000 "betreffende de samenstelling en werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen op het grondgebied van het Rijk" bepaalt: "Wet advies van de Commissie wordt binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van verschijning, bedoeld in artikel 11, ter kennis gebracht van de Minister. Het wordt binnen dezelfde termijn betekend aan de aanvrager die er op de in artikel 10 van de wet bedoelde wijze een kopie van ontvangt." In casu werd het advies van de Commissie pas geredigeerd op 30/01/2003, en pas op 13/02/2003 ter kennis gebracht (stuk 3), terwijl de verschijning van verzoeker plaatsvond op 28/11/2002. Het is derhalve duidelijk dat de bedoelde, substantiële termijn ruimschoots werd overschreden. 2. Het advies stelt ten onrechte dat verzoeker de Commissie zou hebben trachten te misleiden In het advies wordt de stelling, als zou verzoeker de Commissie hebben trachten te misleiden, gestoeld op het feit dat verzoeker inderdaad op 27/11/2002 een verklaring neerlegde waarin hij poneerde de laatste vijf jaar geen uitwijzingsbevel te hebben gekregen. VII-30.461-3/7 De Commissie stelt vervolgens dat er wel degelijk een bevel tot uitwijzing werd betekend op 2/12/1999, en dat dit zou blijken uit het dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoeker is formeel dat zijn verklaring d.d. 27/11/2002 waarheidsgetrouw is, en dat hij nooit kennis heeft gekregen van een dergelijk uitwijzingsbevel. Ondanks pogingen daartoe heeft verzoeker het betreffende document uit zijn DVZ-dossier tot op heden nog niet onder ogen kunnen krijgen - hiervoor was een gerechtelijke toelating nodig die vooralsnog niet werd verstrekt - maar hij is er zeker van dat het betreffende document ofwel niét aan hem werd ter kennis gebracht, ofwel verkeerdelijk aan een ander persoon dan hemzelf moet zijn afgeleverd (mogelijk heeft iemand, zoals ook reeds is voorgekomen in andere dossiers, zich valselijk van zijn identiteit bediend). Verzoeker vraagt uitdrukkelijk dat dit zou worden uitgespit. De zaak uit 1992 is, gelet op de gestelde termijn van vijf jaar, volkomen irrelevant en werd ten onrechte aangehaald. Het is bovendien duidelijk dat verzoeker met deze zaak niets te maken bleek te hebben, en slechts werd gecontroleerd net als tal van anderen omdat hij - zo bleek achteraf - in hetzelfde appartementsgebouw bleek te wonen dan één van de betrokkenen bij een moord. 3. Het advies stelt ten onrechte dat verzoeker niet zou voldoen aan het bepaalde in artikel 2,4/ van de Wet van 22/12/1999 Door aldus te besluiten, is er sprake van machtsafwending in hoofde van de Commissie voor Regularisatie en, bij uitbreiding, de Minister die de bestreden beslissing heeft genomen. Het negatieve advies stelt volkomen ten onrechte dat geen elementen worden aangebracht, die toelaten humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in aanmerking te nemen (

  1. a)Verzoeker zou vooreerst niet gehuwd zijn, en geen kinderen hebben, terwijl zijn ouders in XXX verblijven. Verzoeker wenst hiertegen op te werpen dat hij aanvankelijk wel degelijk gehuwd was toen hij naar België kwam (zie hoger), en nog wel met een Belgische, maar dat de relatie spaak liep kort na de hereniging met zijn echtgenote. Dit was ook de aanleiding tot zijn verblijfsproblemen. De Wet van 22/12/1999 vermeldt nergens dergelijke criteria. (
  2. b)Dat er geen humanitaire redenen / sociale bindingen voorhanden zouden zijn ("beperkte kennissenkring - weinig integratie"), is manifest in strijd met de talrijke voorgebrachte verklaringen en met de vaststelling dat verzoeker reeds sedert 1991 in het land is, en intense contacten onderhoudt met zijn familieleden en vrienden wier verklaringen zich in het dossier bevinden. (
  3. c)De wet stelt verder op geen enkele manier als voorwaarde dat men tewerkstelling en/of kennis van het Nederlands zou moeten aantonen. Wat de tewerkstelling betreft, is de gebruikte term "legale tewerkstelling" een contradictio in terminis, aangezien het hier evident gaat om een illegaal die regularisatie tracht te bekomen en die dus vanzelfsprekend nooit legaal kón werken. Als men dit als criterium gaat hanteren, gaat men voorbij aan het gehele opzet van de Wet van 22/12/1999, naar de letter én de geest ervan. De niet-regelmatige verblijfssituatie van verzoeker heeft hem tevens belet om op voldoende wijze Nederlands te leren. Verzoeker verbleef al die jaren in een vooral Arabisch sprekende omgeving en kwam ook op de werkplaats en in zijn sociale omgeving nagenoeg enkel in contact met mensen die - minstens als tweede taal - het Arabisch beheersten. Zijn gebrek aan kennis van het Nederlands is dan ook niet verwonderlijk. Het weze herhaald dat kennis van het Nederlands niét als verplichting is opgelegd in de Regularisatiewet. Nochtans heeft de Commissie voor Regularisatie dit tot op heden in de praktijk ten onrechte als een soort "officieus", buitenwettelijk criterium aangewend (zie ook onder punt 4, bespreking gunstig advies zaak Aloulo). Door in weerwil van dit alles negatief te beslissen, bezondigt de Minister zich bijgevolg aan afwending van macht. 4. Overschrijding appreciatiebevoegdheid / niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur VII-30.461-4/7 Omwille van bovenvermelde overwegingen is het ook duidelijk dat de Commissie en, bij uitbreiding, de Minister, hun appreciatiebevoegdheid hebben overschreden en de beginselen van behoorlijk bestuur niet hebben nageleefd. Hierbij wenst verzoeker ook aan te stippen dat men moet vaststellen dat inzake de toepassing van de Regularisatiewet door de Commissie zeer diverse uitkomsten worden gegeven aan gelijkaardige dossiers, en een zeer uiteenlopende toepassing wordt gemaakt van de bepalingen van deze Wet. Zo verwijst verzoeker naar het gunstige advies van de Commissie d.d. 14/02/2002 inzake M. (doss. nr. 12102000012800771), waarin letterlijk wordt gesteld: "Aangezien het noodzakelijk is alle ingediende aanvragen tot regularisatie op voel van gelijkheid te behandelen (..). (..) Er is geen enkel toetsbaar element waaruit mag besloten worden dat het verblijf van de verzoekende partij niet continu zou geweest zijn sinds de oudste aanwijzing van aanwezigheid (..). " Uit deze overwegingen blijkt dat men, zelfs met nog minder getuigenissen dan in casu om de aanvraag te staven, bijna uitsluitend op grond van de kennis van het Nederlands wél een gunstig advies verleent. Deze situatie van zeer ongelijke behandeling van verschillende, gelijklopende dossiers, en dit op grond van niet-wettelijke criteria, blijkt ook uit verschillende persberichten terzake (o.m. over het eveneens opvallende verschil tussen het 'beleid' van de Nederlandstalige en Franstalige kamers van de Commissie). De niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur schuilt ook in het feit dat het dossier van verzoeker niet binnen een redelijke termijn werd behandeld: het duurde maar liefst 3,5 jaar voor hij enig uitsluitsel kreeg. Dit terwijl de wetgever met de Wet van 22/12/1999 als bedoeling had alle dossiers tegen de zomer van 2000, uiterlijk eind 2000, af te werken ... 5. Gebrek aan motivering Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing, die zich volledig op het advies van de Commissie steunt, niet regelmatig noch voldoende was gemotiveerd, onder meer omdat een aantal elementen die nochtans in het dossier werden aangehaald en/of naar voor gebracht door verzoeker (b.v. voorziene oprichting vennootschap), niet eens worden besproken. Verzoeker vordert aldus de nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van
  4. a)afwending van macht;
  5. b)gemis aan motivering;
  6. c)overschrijding appreciatiebevoegdheid;
  7. d)niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur;
  8. e)overschrijding van de substantiële termijn gesteld door art. 18 van het K.B. van 5 januari 2000. Verzoeker verzoekt voor elk eventueel mondeling verhoor om de bijstand van een tolk die de A. taal machtig is. Ten bewijze van de gestelde feiten legt verzoeker de genummerde en gebundelde stukken voor, waarvan hieronder de inventaris wordt opgegeven."; 3.2. Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 18 van het K.B. van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de invoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, een termijn van orde is; dat het niet-naleven van deze termijn op zich de bestreden beslissing niet onwettig maakt; dat dit onderdeel van het middel niet gegrond is; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken het advies van de Commissie voor regularisatie overneemt; dat dit advies ondermeer gesteund is op het daarin toegelichte motief dat verzoeker gepoogd heeft de VII-30.461-5/7 Commissie te misleiden en dat bijgevolg op basis van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” geen gunstig advies kan worden verleend; dat aangezien de regularisatie een gunstmaatregel is, verzoeker waarheidsgetrouwe verklaringen moet afleggen in het kader van het onderzoek van de regularisatieaanvraag, zodat de Commissie en in navolging de minister op juiste gronden tot een beslissing kunnen komen; dat uit het voorgaande blijkt dat verzoeker bewust heeft gepoogd de Belgische overheden te misleiden, zodat de Commissie, en in navolging de Minister, op goede gronden toepassing hebben gemaakt van het beginsel “fraus omnia corrumpit”; dat de bestreden beslissing derhalve voldoende geschraagd is op het voormelde determinerend motief, zodat hetgeen verzoeker uiteenzet onder de punten 3, 4 en 5 niet kan leiden tot de nietigverklaring; dat het middel niet gegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-30.461-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-30.461-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.