← België

Arrest 139089 - - 12/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.089 Rolnummer: A. 136898/VII-29881 Zaak: Arrest 139089 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 06:07 Fiche Arrest nr 139.089 van 12 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 139.089 van 12 januari 2005 in de zaak A. 136.898/VII-29.881 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. DE POURCQ, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 16 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2002 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerst auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 17 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DE RIDDER, die, loco advocaat A. DE POURQ, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-29.881-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 28 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
  3. De Commissie voor Regularisatie heeft op 28 augustus 2002 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Gelet op de beschikking van 24 augustus 2001 van de vice-Eerste-voorzitter met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Derde Nederlandstalige kamer. De verzoekende partij werd daarna bij brief van 29 augustus 2001 regelmatig opgeroepen voor de zitting van 13 september 2001 voormiddag en tegelijkertijd werd ook zijn raadsman Mr. Marc Sampermans uit Hasselt hiervan verwittigd. Verzoeker is op deze zitting persoonlijk verschenen en evenals zijn advocaat Mr. Marc Sampermans van de balie Hasselt en deze vroeg omdat hij zo laat was verwittigd om uitstel voor het sluiten van de debatten hetgeen dan gebeurde op 27 september
  4. De verwittiging voor verzoeker werd verzonden aan het door hem opgegeven adres van woonplaatskeuze en feitelijke verblijfplaats B.straat nr 135 te A. Bij de in februari 2000 uitgevoerde woonstcontroles bleek verzoeker aldaar ook te kunnen worden aangetroffen. Wanneer de stad A. door zijn diensten poogde om verzoeker eveneens te verwittigen van de behandeling van zijn ingediende verzoek op het opgegeven adres B.straat nr 135 te A. moest er worden vastgesteld dat XXX tot 8 september 2001 geen gevolg gegeven had aan de hem daar gegeven oproepingen. Maar ter zitting bleek dan dat verzoeker ondertussen zijn adres gewijzigd had naar S.straat nr 12 te A. (B.). Het artikel 10 van de Wet van 22 december 1999 legde nochtans aan verzoeker de verplichting op om iedere adreswijziging onmiddellijk te melden per aangetekende brief aan de Commissie voor Regularisatie en deze verplichting was dus niet nageleefd zoals was voorgeschreven. Verzoeker moest hebben kunnen kennis nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 1 juni 2001 waarin stond dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig was maar stukken bevatte die aanleiding konden geven tot betwisting VII-29.881-2/5 zodat de aanvraag aanhangig werd gemaakt bij een Kamer van de Commissie (artikel 12 § 2 van de Wet van 22 december 1999). De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van het dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken waar dit het nummer 4.384.676 draagt. Gezien verzoeker zijn aanvraag steunde op artikel 2, 2/ van de Wet van 22 december 1999 hetzij omdat hij om redenen onafhankelijk van de eigen wil niet kon terugkeren naar het land of de landen waar er voor de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft, noch naar het land van herkomst. Gezien de verzoekende partij hiervoor ingevolge artikel 9, 7/ van diezelfde wet een schriftelijke verklaring moest bezorgen die weergeeft waarom er onafhankelijk van de eigen wil niet kan teruggekeerd worden naar het land of de landen waar er voor de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft noch naar het land van herkomst. Verzoeker heeft dergelijke verklaring toegevoegd aan zijn aanvraag en verwees hierin in hoofdzaak naar zijn K. oorsprong zoals hij reeds eerder deed bij zijn verzoeken om erkenning ais vluchteling te bekomen. Verzoeker heeft zich eind 1994 vluchteling verklaard maar op 1 december 1994 werd er door de Dienst Vreemdelingenzaken beslist tot een weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Nadat hiertegen beroep was aangetekend besliste de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen op 17 januari 1995 dat een verder onderzoek noodzakelijk. was en hiermede werd zijn verzoek dan ontvankelijk verklaard. Bij het onderzoek ten grond werd door de Commissaris-generaal tot het besluit gekomen dat die erkenning van hoedanigheid van vluchteling moest geweigerd worden (CG/94/20833/45/RA11187/nm). Het hiertegen ingestelde beroep werd beoordeeld door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen die op 5 februari 1997 (VB/96/1806/W2904) besliste dat die weigering bevestigd moest worden. Er werd op 22 september 1997 aan verzoeker een bevel betekend om het Rijk te verlaten met verbod zich te begeven naar Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Portugal en bij bevel het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving van 20 mei 1998 werden daaraan nog Italië en oostenrijk toegevoegd. Hij werd op 26 mei 1998 gerepatrieerd naar Istanboel. Op 27 juli 1999 verklaarde verzoeker zich opnieuw vluchteling en in die verklaring ondertekende hij ook dat hij op 19 juli 1999 terug in dit land was aangekomen. Van welke reis - of identiteitsdocumenten hij toen gebruik maakte is niets bekend. Eerder was hij wel in het bezit van de XXX identiteitskaart S. en hem afgeleverd op 10 november
  5. De tweede asielaanvraag van verzoeker leidde op 23 december 1999 tot een beslissing van weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten. Bij het hiertegen ingestelde beroep werd er door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen op 28 maart 2000, dus na het indienen van het hierbij beoordeelde verzoek, beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk was (CG/94/20833-Z/23D/S99-13026/J/cam). Over het verdere verloop van die tweede asielprocedure is aan de Commissie niets bekend. In de schriftelijke verklaring welke verzoeker voor de Commissie bezorgde is inhoudelijk eigenlijk niets anders terug te vinden dan dat hij van K. oorsprong is en dat element was reeds bekend wanneer zijn eerste asielaanvraag in België werd behandeld en afgewezen. Hieraan heeft hij geen nieuwe elementen toegevoegd die konden gesitueerd zijn tussen zijn repatriëringen en tweede asielaanvraag. In een rechtsstaat, zoals België zich voorhoudt te zijn, is het passend rekening te blijven houden met beoordelingen Uitgesproken door bevoegde instanties waaronder deze van het administratieve rechtscollege der Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. Verzoeker heeft de door de wetgever vereiste objectieve verantwoording derhalve niet weten geloofwaardig te maken. Dit belet natuurlijk niet dat zijn tweede asielaanvraag verder ten gronde zal beoordeeld worden. Verzoeker heeft zijn aanvraag tot regularisatie eveneens gesteund op artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij steunende op humanitaire redenen en in dit land ontwikkelde duurzame sociale bindingen. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9, 9/ van de Wet van 22 december 1999 het VII-29.881-3/5 bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Het is vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekend dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie van de verzoekende partij.". 1.
  6. Op 6 december 2002 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing is aangetast door een manifeste appreciatiefout alsook de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij stelt dat uit de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 maart 2000, waarin gesteld wordt dat een verder onderzoek van verzoekers tweede asielaanvraag noodzakelijk is, blijkt dat hij “wel degelijk inhoudelijk meer heeft verteld dan het feit alleen “dat hij van K. oorsprong is”; dat hij betoogt dat de definitieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 5 februari 1997 met betrekking tot zijn eerste asielaanvraag, waaraan de Commissie voor regularisatie voorrang verleent, achterhaald is door de realiteit, meer bepaald door zijn repatriëring na zijn eerste asielaanvraag en door het indienen van een tweede asielaanvraag die ontvankelijk werd verklaard; Overwegende dat te dezen in het advies dat de Commissie voor regularisatie, dat door de verwerende partij in de bestreden beslissing wordt overgenomen, uitdrukkelijk wordt verwezen naar de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 maart 2000; dat aldus blijkt dat de Commissie van de inhoud van voornoemde beslissing kennis heeft genomen; dat zij er zich met het oog op de beoordeling van de toepassing van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999, niet kon toe beperken te verwijzen naar de definitieve beslissing van de Vaste beroepscommissie voor de vluchtelingen van 5 februari 1997 genomen in het kader van verzoekers eerste asielaanvraag; dat zij bij de beoordeling van de toepassing van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 eveneens diende rekening te houden met de inhoud van de voornoemde beslissing van 23 maart 2000 waaruit blijkt dat verzoeker wel degelijk nieuwe elementen aanbracht daterend van na zijn repatriëring; dat zij alleszins diende te motiveren waarom deze elementen niet voldoende zijn om een toepassing van artikel 2, 2/ van voornoemde wet eventueel te rechtvaardigen; dat het middel gegrond is, VII-29.881-4/5 BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2002 tot weigering van regularisatie van XXX. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-29.881-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.