← België

Arrest 139094 - - 12/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.094 Rolnummer: A. 120379/VII-26476 Zaak: Arrest 139094 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-28 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:07 Fiche Arrest nr 139.094 van 12 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 139.094 van 12 januari 2005 in de zaak A. 120.379/VII-26.476 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mongoolse nationaliteit, op 26 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 3 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-26.476-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HAEGEMANS, die, loco advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 22 juni 2000 en verklaarde zich op 23 juni 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 24 augustus 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 8 april 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 11 februari 2002 op uw gekozen woonplaats. Het door uw raadsman in een schrijven van 24 februari 2002 aangehaalde feit dat het u onmogelijk is na te gaan of uw verklaringen door de Dienst Vreemdelingenzaken correct werden weergegeven, ontslaat u niet van de verplichting om deze inlichtingen te beantwoorden. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". Dit is de bestreden beslissing. VII-26.476-2/4
  5. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat in een derde onderdeel de motieven zelf van de beslissing worden aangevochten, omdat de verzoekende partij wel gevolg zou hebben gegeven aan de vraag om inlichtingen, vermits zij, met een brief van haar raadsman van 24 april 2002, had laten weten op welke omstandigheden haar asielaanvraag was gegrond; Overwegende dat de brief van 24 februari 2002, waarnaar in het middelonderdeel wordt verwezen, in de Franse taal was opgesteld en als volgt luidt: "(...) Mon client devait être auditionné le 22 février 2002, à 13.
  6. Il m'a fait parvenir en certificat médical et une attestation de son médecin. Pour le surplus, Monsieur XXX m'a expliqué que dans son pays, il était journaliste free lance et qu'à ce titre il avait rencontré diverses menaces suite à des articles écrits dans la presse. Mon client a exposé largement son récit lors de la première interview à l'Office des Etrangers mais il n'est pas certain que ses propos ont été correctement traduits et reproduits. Il vous demande de prévoir une nouvelle convocation. (...)"; dat de oproepingsbrief, verzonden door de verwerende partij het volgende inhield: "In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: Is de Commissaris-Generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht."; Overwegende dat de bestreden beslissing niet aangeeft waarom de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van oordeel was dat, ondanks de voormelde brief van 24 februari 2002, de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg had gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat de bestreden beslissing op dat vlak niet naar behoren is gemotiveerd; dat dit onderdeel van het middel gegrond is, VII-26.476-3/4 BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.476-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.