← België

Arrest 139100 - - 12/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.100 Rolnummer: A. 121573/VII-26735 Zaak: Arrest 139100 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-01 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 06:07 Fiche Arrest nr 139.100 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 139.100 van 12 januari 2005 in de zaak A. 121.573/VII-26.735 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazakse nationaliteit, op 27 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 5 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-26.735-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 6 november 2000 en verklaarde zich op 7 november 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 8 juni 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 17 mei 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "U, van Kazachse nationaliteit en Poolse origine, verklaarde op het Commissariaat-generaal dat u begin augustus 2000 een auto had gerepareerd in uw garage. Na een week is de eigenaar de auto terug komen halen. Op 17 augustus 2000 kwamen twee politieagenten, majoor Soparov en een ondergeschikte, van het Bestuur van Binnenlandse zaken (UVD) bij u thuis. Ze gaven u een oproepingsbrief waarop stond dat u dezelfde dag nog om 15u naar hun bureau moest komen. Ze namen uw paspoort mee. U ging naar het Bestuur van Binnenlandse Zaken. In een bureau op het Bestuur van Binnenlandse zaken werd u door majoor Soparov beschuldigd van het feit dat u zelf de auto die u voordien had gerepareerd had gestolen of dat u iemand had geholpen om de auto te stelen door te sleutel te geven aan die persoon om er een afdruk van te maken. Twee ondergeschikten zeiden in een ander bureau dat u moest bekennen. U werd met een grote map op uw hoofd geslagen en men heeft u geschopt. U heeft twee documenten ondertekend: een papier met vragen en antwoorden en een papier waarop stond dat u Kazachstan niet mocht verlaten. Toen u 's avonds werd vrijgelaten heeft men tegen u gezegd dat u nog zou worden opgeroepen. Op 24 augustus 2000 kwam majoor Soparov en een ondergeschikte terug naar u thuis. Ze namen het paspoort van uw vrouw, K. O., mee omdat ze ook een getuigenis zou moeten afleggen. Op 31 augustus 2000 kwamen de twee ondergeschikten die u op 17 augustus 2000 hadden ondervraagd naar uw garage voor een controle. Ze zeiden dat u zich in het kader van uw werk bezighield met onwettelijke activiteiten. Ze hebben u geslagen tot u het bewustzijn verloor. U diende een klacht bij het Comité van Nationale Veiligheid tegen Soparov en zijn medewerkers. In september 2000 kwam Soparov naar u thuis en nam u mee naar zijn bureau. Hij toonde u uw klacht die u had ingediend bij het Comité VII-26.735-2/6 van Nationale Veiligheid. Hij zei tegen u dat u met vuur speelde en dat u nog ergere problemen kon krijgen. Nadat Soparov u uw klacht toonde werd uw vrouw enkele keren gevolgd wanneer ze jullie kinderen naar school voerde. Uw vrouw kreeg meermaals dreigtelefoons in augustus en september 2000 in verband met de diefstal van de auto. U verliet samen met uw vrouw en twee minderjarige kinderen op 24 oktober 2000 Kazachstan. Op 7 november 2000 vroeg u de status van vluchteling aan. U bent in het bezit van uw identiteitskaart, geboorteakte, rijbewijs, huwelijksakte, twee diploma's en de geboorteaktes van uw twee minderjarige zonen. Er dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw asielrelaas blijkt dat u vervolgd wordt omwille van één van de redenen van de Vluchtelingenconventie. De door u aangehaalde problemen zijn gemeenrechtelijk van aard en vallen aldus niet onder de toepassing van de Vluchtelingenconventie. Gezien het voorafgaande kan in hoofde van u geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. De documenten, die in het kader van uw asielaanvraag werden neergelegd, wijzigen het voorafgaande niet.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van “het motiveringsvereiste”; dat wordt gezegd dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste en grove appreciatiefout zou hebben begaan; dat de uiteenzetting van het middel neerkomt op een inhoudelijke kritiek op de motieven van de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij stelt dat zij in haar land van herkomst onder meer werd vervolgd omdat zij het principe van de rechtstaat wil toepassen en belijden en dat “het ijveren voor dit beginsel binnen de Conventie van Genève valt”; dat eveneens kritiek wordt geuit op de het advies van de commissaris-generaal inzake de mogelijke terugleiding van de verzoekende partij naar haar land van herkomst; Overwegende dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal feitelijk onjuist zijn , en dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de zaak te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat niet wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing VII-26.735-3/6 uitmaakt; dat de kritiek op het niet-bindend advies omtrent de terugleiding niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden weigeringsbeslissing; dat het middel niet gegrond is; 2.
  6. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 52, 63/2 en 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, optredend in dringend beroep, geen beslissing ten gronde mag nemen, vermits de asielaanvraag nog in het stadium van de ontvankelijkheid verkeert; Overwegende dat de commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat te dezen de commissaris-generaal in redelijkheid de aanvraag kennelijk ongegrond kon verklaren, nu rekening werd gehouden met controleerbare informatie over het land van herkomst, welke in de bestreden beslissing werd aangehaald; dat het middel niet gegrond is; 2.
  7. Overwegende dat in een derde middel de schending wordt aangevoerd van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet omdat de beslissing niet werd genomen binnen de door deze wetsbepaling gestelde termijn van 30 dagen; dat de verzoekende partij letterlijk beweert: “dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert”; dat zij voorts, zonder verdere uitleg, verwijst naar een arrest nr. 73.717 van 18 mei 1998; Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet wel gewag maakt van een termijn van 30 werkdagen om tot een beslissing te komen in het dringend beroep bij de commissaris-generaal, doch dat hieraan geen sanctie verbonden is; dat de genoemde termijn bijgevolg als een termijn van orde is te beschouwen; dat men zich trouwens de vraag kan stellen welk belang de verzoekende partij in casu heeft bij het inroepen van een eventuele schending van deze bepaling, aangezien zij, zolang er geen uitspraak is gedaan over haar dringend beroep, gerechtigd is op het grondgebied te verblijven; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij betreffende dit middel vraagt dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Arbitragehof omdat, kort samengevat, het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden doordat het voor de asielzoeker een dwingende VII-26.735-4/6 termijn van drie dagen invoert daar, zoals zij letterlijk stelt, “waar voor de commissaris- generaal ging dwingende termijn van 30 dagen zou opgelegd worden overeenkomstig artikel 63/3 van diezelfde wet [de Vreemdelingenwet ]”; dat evenwel niet wordt ingezien welk belang de verzoekende partij zou hebben bij het inroepen van dergelijke ongrondwettigheid; dat immers, indien de commissaris-generaal een “dwingende” termijn zou hebben laten verstrijken vooraleer zijn beslissing te nemen, hij niet meer bevoegd zou zijn om nog te beslissen over het administratief dringend beroep; dat in dat geval de in eerste aanleg genomen beslissing, die te dezen een weigeringsbeslissing was, zou herleven; dat er geen aanleiding toe bestaat om de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; 2.
  8. Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt aangevoerd van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en van de artikelen 52, 57/6, 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet ; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de bestreden beslissing ten onrechte, zonder dienaangaande behoorlijk te zijn gemotiveerd, stelt dat de feiten van gemeen recht zijn; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; dat het middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-26.735-5/6 BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.735-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.