← België

Arrest 139108 - - 12/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.108 Rolnummer: A. 130833/VII-28593 Zaak: Arrest 139108 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:08 Fiche Arrest nr 139.108 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 139.108 van 12 januari 2005 in de zaak A. 130.833/VII-28.593 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 17 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2002 waarbij wordt beslist dat het dringend beroep door de verzoekende partij ingesteld “laattijdig” is en niet in aanmerking wordt genomen; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-28.593-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 13 mei 2002 en verklaarde zich op 23 mei 2002 vluchteling. 1.
  3. Op 9 oktober 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 29 november 2002 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "Op 19 november 2002 heeft u een dringend beroep ingediend tegen de beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister inzake uw aanvraag tot het bekomen van het statuut van vluchteling. De beslissing van de gemachtigde van de Minister werd u op 15 oktober 2002 ter kennis gebracht. Uw beroep werd niet binnen de drie werkdagen ingediend zoals voorgeschreven door artikel 63/2, 2/ van de Vreemdelingenwet van 15 december
  5. U brengt evenmin een geldige reden aan die de laattijdigheid kan verklaren. Bijgevolg wordt uw beroep niet in aanmerking genomen en blijft de termijn om het grondgebied te verlaten die desgevallend werd vermeld in de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken geldig. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". Dit is de bestreden beslissing.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift stelt dat “zij opteert voor een kamer met drie Raadsheren”; dat zij nochtans zonder enig voorbehoud te formuleren is verschenen voor een kamer samengesteld uit één staatsraad overeenkomstig artikel 90, § 1, tweede lid, 1/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij VII-28.593-2/5 bijgevolg geacht wordt afstand te doen van haar verzoek, dat overigens niet werd gemotiveerd; 3.
  7. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 63/2, § 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij stelt dat deze wetsbepaling geen dwingende termijn zou opleggen; Overwegende dat artikel 63/2, § 2/ van de Vreemdelingenwet de termijn vaststelt binnen dewelke het administratief rechtsmiddel van het “dringend” beroep moet worden ingesteld bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat daaruit alleen reeds volgt dat die termijn op straffe van verval werd gesteld; dat het middel niet gegrond is; 3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede middel de ongerijmdheid van haar in het eerste middel geuite bewering lijkt in te zien, en voorhoudt dat artikel 63/2, § 2 het gelijkheidsbeginsel zou schenden “nu het een dwingende termijn van drie werkdagen bepaalt in tegenstelling tot de termijn geldend voor de commissaris-generaal van 30 dagen bepaald in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet”; Overwegende dat de verzoekende partij tracht toestanden met elkaar te vergelijken die niet vergelijkbaar zijn; dat de termijn van drie dagen van toepassing is op een georganiseerd beroep tegen de in eerste aanleg genomen ministeriële beslissing; dat de termijn van dertig dagen geldt voor de commissaris-generaal die een beslissing na dringend beroep neemt; dat uit die vaststelling alleen reeds blijkt dat de door de verzoekende partij ontwikkelde redenering geen ernstig karakter heeft en enkel de bedoeling heeft de rechtsgang te vertragen; dat niet kan worden aangenomen dat de bijzondere Wetgever, door de invoeging van artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet, de partijen voor de Raad van State de mogelijkheid zou hebben willen verlenen, om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te "rekken", prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te laten stellen, die enkel de rol van dat Hof nodeloos zouden belasten en de gerechtelijke achterstand bij de Raad van State zou doen toenemen; dat de in dat artikel opgenomen, versterkte verplichting, voor onder meer de Raad van State, om prejudiciële vragen te stellen, ook al heeft het Arbitragehof reeds uitspraak gedaan over een vraag met hetzelfde voorwerp, moet worden bepaald in het licht van de ratio legis van dat artikel; dat de wetgever, enerzijds, het monopolie van het Arbitragehof inzake grondwettigheidstoetsing wou vrijwaren, door te vermijden dat rechtscolleges waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor het aanwenden van enig rechtsmiddel, bij onduidelijkheid daarover, zelf de draagwijdte van de arresten van het Arbitragehof zouden bepalen en zich in de plaats zouden VII-28.593-3/5 stellen van dat Hof, en anderzijds, het Arbitragehof de mogelijkheid wou bieden om zijn rechtspraak te wijzigen, aan te vullen of te nuanceren; dat in casu geen van die twee bekommernissen in het gedrang komt door de door de verzoekende partij geformuleerde vraag niet te stellen; 3.
  9. Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van “het motiveringsvereiste”; dat de verzoekende partij herhaalt dat artikel 63/3, § 2 geen dwingende termijn oplegt en uitlegt dat zij haar beroep oorspronkelijk naar een verkeerd adres had verzonden; Overwegende dat die beschouwingen, waarvan de eerste reeds werd weerlegd bij de bespreking van het eerste middel, geen uitstaans hebben met de motiveringsplicht; dat het middel, dat voor het overige is gesteund op een niet nader bewezen bewering, niet gegrond is; 3.4 Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, en van de artikelen 52, 57/6, 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat het strijdig zou zijn met de Conventie van Genève de aanvraag tot erkenning niet te onderzoeken om de enkele reden dat de kandidaat-vluchteling niet binnen de drie werkdagen beroep zou hebben aangetekend; Overwegende dat de Conventie van Genève -los van de vraag of ze al dan niet directe werking heeft- niet verbiedt dat de verdragsluitende state een procedure van erkenning als vluchteling uitwerken; dat zulks impliceert dat een dwingende beroepstermijn kan worden opgelegd; dat het middel niet gegrond is; 3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde en een zesde middel kritiek levert op het feit dat de bestreden beslissing werd genomen door een adjunct- commissaris “voor de commissaris-generaal, verhinderd”; Overwegende dat artikel 63/3, § 1 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de beslissingen worden genomen door de commissaris-generaal of één van zijn adjuncten; dat de bestreden beslissing te dezen genomen werd door een adjunct en dus uitgaat van een tot beslissen bevoegd persoon; dat het middel niet gegrond is
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-28.593-4/5 BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.593-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.