id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.135 Rolnummer: A. 97109/XIV-500 Zaak: Arrest 139135 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:09 Fiche Arrest nr 139.135 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.135 van 12 januari 2005 in de zaak A. 97.109/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. HUGET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, rue de la Régence 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 2 oktober 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 augustus 2000 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 februari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 december 2000 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2003; XIV-500-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN HEUSDEN, die loco advocaat P. HUGET verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché Ch. LECHAT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 27 november 1999 en zich vluchteling verklaart op 1 december 1999; dat op 14 februari 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 31 augustus 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 24 maart 2000 en op 20 april 2000 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is. Betrokkene, een Armeens staatsburger van Armeense origine zou in de zomer van 1997 in Abovian (Armenië) kennis hebben gemaakt met XXX (ov. 4.906.119), een erkend etnisch Armeens vluchteling uit Azerbeidzjan. In januari 1998 zou betrokkene met haar man naar Nor- Katchakap (een dorp in de regio Spitak) zijn gegaan, bij de ouders van betrokkenes man en zijn grootmoeder van Azerische origine (XXX). Op 8 september 1998 zou deze laatste zijn gestorven en twee dagen later zijn begraven op het kerkhof van het dorp. Op 11 september 1998 zouden inwoners van het dorp haar lijk hebben opgegraven. Betrokkenes man en zijn vader zouden haar daarna in de tuin hebben begraven. Op 21 september 1998 zouden dorpsbewoners hun woning hebben aangevallen en bij het gevecht dat hierbij zou zijn ontstaan zou betrokkene, die acht maanden zwanger was, haar kind hebben verloren. Na dit incident zou betrokkene twee weken zijn gehospitaliseerd in een ziekenhuis in Erevan, waarna ze tot mei 1999 in Erevan bij haar ouders zou zijn gebleven. Toen zou haar man naar Erevan zijn gekomen om klacht in te dienen bij de rechtbank omwille van de gebeurtenissen van 21 september 1998, nadat de politie van Spitak eerder zou hebben besloten om de zaak te sluiten. De rechtbank in Ereven zou de zaak hebben doorverwezen naar Spitak waarna betrokkene en haar man zouden zijn teruggekeerd naar Nor-Katchakap. In juni 1999 zou het paspoortenbureau van Spitak betrokkenes paspoort hebben ingehouden om de documenten van haar echtgenoot in orde te brengen. Betrokkenes man zou echter nooit een paspoort hebben ontvangen en toen hij anderhalve maand later informatie zou zijn gaan vragen over zijn paspoort zouden de ambtenaren van het paspoortenbureau hebben gezegd dat ze betrokkenes paspoort hadden verloren. Begin september 1999 zou de rechtbank van Spitak een negatieve beslissing hebben genomen. Eind september 1999 zou betrokkene opnieuw zwanger zijn geweest en toen dit begin oktober zou zijn bevestigd zouden ze hebben beslist om te vertrekken. Op 17 oktober 1999 zouden betrokkene en haar man met de bus van Erevan naar Sotchi zijn gegaan. Via Lvov zouden beiden met een bus naar België zijn gekomen. Op 27 november 1999 zouden ze België zijn binnengekomen en op 1 december 1999 startten betrokkene en haar man hun asielprocedure. Betrokkene was in het bezit van haar geboorteakte, huwelijksakte en een medisch attest dat ze een miskraam heeft gehad. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene en haar man enkel problemen hadden met de lokale inwoners van Nor-Katchakap. Tijdens haar ongeveer acht maanden durend verblijf in Erevan maakte betrokkene immers geen melding van problemen die ze toen zou hebben gehad. Hieruit volgt dat er voor betrokkene een intern vluchtalternatief bestond en ze zich op een andere plaats in Armenië hadden kunnen vestigen. De bewering van betrokkene dat ze zich XIV-500-2/5 niet op een andere plaats zouden kunnen inschrijven omdat haar man geen burger van Armenië zou zijn is niet correct aangezien het commissariaat-generaal over informatie beschikt waaruit blijkt dat haar echtgenoot wel degelijk een Armeens staatsburger is (vraag gesteld aan het UNHCR, afdeling Spitak). Vervolgens dient te worden opgemerkt dat betrokkene tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd tijdens de twee interviews op het commissariaat-generaal omtrent de begrafenis van XXX in de tuin. Tijdens het eerste interview verklaarde betrokkene dat haar man en schoonvader ‘s avonds laat met het lijk zouden zijn thuisgekomen (interview commissariaat- generaal 24 maart 2000, p. 3), terwijl ze tijdens het tweede interview verklaarde dat ze in de namiddag met het lijk zouden zijn thuisgekomen (CGVS 20 april 2000, p. 2). Verder hebben betrokkene en haar man voor het commissariaat-generaal tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De aanval op de woning (21 september 1998) zou volgens betrokkene gebeurd zijn rond 7 à 8 uur, toen het al donker was (CGVS, 20 april 2000, p. 3). Haar echtgenoot beweerde echter dat de aanval zou hebben plaatsgevonden rond 5 à 6 uur, toen het nog licht was (CGVS Suren, 20 april 2000, p. 6). Alsook verklaarde betrokkene dat ze in Erevan een nieuw paspoort is gaan aanvragen (CGVS 20 april 2000, p. 4) terwijl haar man beweerde dat betrokkene in het paspoortenbureau van Spitak aangifte zou hebben gedaan van het verlies van haar paspoort en een nieuw wenste (CGVS, Suren 20 april 2000, p. 8). Volgens betrokkene zou ze samen met haar man het medisch attest zijn gaan halen dat betrokkene neerlegde ter ondersteuning van haar asielaanvraag (interview commissariaat-generaal, 20 april 2000, p. 4). Haar man stelde dan weer dat alleen betrokkene dit zou zijn gaan halen (interview commissariaat-generaal 20 april 2000, p. 10). Tenslotte dient er te worden opgemerkt dat ook in het kader van de asielaanvraag van betrokkenes echtgenoot een bevestigende beslissing werd genomen. De documenten die betrokkene bij zich had zijn niet van die aard om een wijziging aan te brengen in hetgeen hierboven werd gesteld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 14 februari
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij verwijst naar de minimale voorzieningen vervat in de Proceduregids van de Verenigde Naties, namelijk dat een sfeer van vertrouwen moet gecreëerd worden bij het begin van het verhoor op het commissariaat-generaal, dat een asielzoeker in contact moet worden gebracht met een vertegenwoordiger van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen en dat de commissaris-generaal een bijkomend verhoor moet organiseren om een asielzoeker de kans te geven om eventuele incoherenties en tegenstrijdigheden recht te zetten en hem het voordeel van de twijfel moet gunnen, dat er een discriminatie bestaat tussen geïsoleerde asielzoekers en degenen die in familieverband een aanvraag indienen; dat permanent een dienstplichtige kunnen oproepen zonder hem de nationaliteit toe te kennen onder het toepassingsgebied valt van het Internationaal Verdrag betreffende de XIV-500-3/5 status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat de verzoekende partij in concreto betoogt dat het voornaamste element van haar vrees verband houdt met de mishandeling waarvan haar zwangere echtgenote het slachtoffer was, dat die mishandeling de miskraam had veroorzaakt en gebaseerd was op de Azerische origine van haar grootmoeder, dat de gynaecoloog van haar echtgenote overtuigd was dat haar echtgenote nooit meer zwanger zou geraken doch dat het een wonder was dat zij nadien in verwachting was, dat de daders nog steeds voortvluchtig zijn zodat haar subjectieve en objectieve vrees actueel blijven, dat de commissaris-generaal overhaast heeft beslist dat er een intern vluchtalternatief bestond, dat haar verblijf in Abovian en Erevan clandestien was en geplaatst moet worden in een vluchtperspectief tegen een gedwongen dienstplicht in Armenië, dat een aanvraag tot inschrijving in Erevan geïmpliceerd zou hebben dat zij eerst haar inschrijving in Nor-Katchatkap moest laten schrappen, dat de Belgische praktijk inzake bevolkingsregistratie anders is dan in Armenië, dat de verzoekende partij nooit op de hoogte werd gebracht van het vertrouwelijk karakter van de verhoren op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal, dat zij steeds coherent is geweest in haar verklaringen over het niet bezitten van het Armeens staatsburgerschap zodat daaromtrent geen tegenstrijdigheid kan bestaan, dat alleszins het bestaan van een recht (op de nationaliteit) en de realisatie van dat recht (beschikken over een identiteitsdocument of een paspoort) uiteenlopende begrippen zijn, dat de vastgestelde tegenstrijdigheid over de feiten na de verwerping van haar klachten in Armenië te wijten zou zijn aan een vergissing van haarzelf, de tolk of de ondervrager, dat de tegenstijdigheid over het tijdstip van de aanval op haar echtelijke woning miniem is, dat het mogelijk is dat de aanval geschiedde bij schemerdonker, zodat zowel de bewering dat het donker was als de bewering dat het licht was, niet foutief zijn, dat het niet verwonderlijk is dat de verzoekende partij en haar echtgenote dergelijke tegenstrijdige verklaringen afleggen, gelet op de duur van hun respectieve verhoren, dat die tegenstrijdigheden minder zouden voorkomen bij een geïsoleerde asielzoeker, dat de aangifte van het verlies van haar paspoort in Spitak geschiedde doch dat de afgifte van het nieuw paspoort in Erevan plaatsvond, zodat daaromtrent geen tegenstrijdigheid kan zijn, dat de verzoekende partij nooit een Armeens paspoort had gekregen, dat zij niet weet wanneer het uittreksel van haar geboorteakte werd gezegeld doch vermoedt dat het gebeurde tijdens het langdurig bezit ervan door de militaire overheid, dat er geen tegenstrijdigheid over het medisch getuigschrift bestaat omdat zij samen met haar echtgenote naar de kliniek ging doch dat naar Armeens medisch gebruik de echtgenoot de gynaecologische consultatie niet mag bijwonen; dat de verzoekende partij in het tweede middel stelt dat de bestreden beslissing het algemeen grondwettelijk beginsel van de rechten van verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur dat de gelijkheid der wapens poneert, schendt; dat zij verwijst naar het gebrekkig verloop van haar verhoor op het commissariaat-generaal omdat zij in het Frans werd ondervraagd door een Nederlandstalige ondervrager zonder dat laatstgenoemde een officieel tweetaligheidsattest kon voorleggen; XIV-500-4/5 2.
- Overwegende dat beide middelen identiek zijn aan hetgeen XXX, echtgenoot van de verzoekende partij, als middelen heeft ingeroepen tegen de hem betreffende beslissing, die gesteund was op dezelfde feitelijke gegevens; dat het beroep van XXX tegen de hem betreffende beslissing met ‘s Raads arrest nr. 139.134 van 12 januari 2005 werd verworpen; dat de verzoekende partij in de huidige zaak geen belang meer kan laten gelden bij hetzelfde middel; dat beide middelen onontvankelijk zijn;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-500-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.135 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.