id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.139 Rolnummer: A. 101198/XIV-2373 Zaak: Arrest 139139 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 06:09 Fiche Arrest nr 139.139 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.139 van 12 januari 2005 in de zaak A. 101.198/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, wonende te B, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Armeense nationaliteit, op 19 februari 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 30 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2004; XIV-2373-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. FALAISE, die loco advocaat A. KILOLO MUSAMBA, verschijnt voor de verzoekende partijen, van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 20 juli 2000 en zich vluchteling verklaren op 26 juli 2000; dat op 10 augustus 2000 de minister van Binnenlandse Zaken inzake beide verzoekende partijen beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 12 februari 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd; -Inzake de eerste verzoekende partij: “Betrokkene werd verhoord op 11 oktober 2000 en 20 november 2000 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Dewandeleer. Betrokkene, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart omwille van zijn politieke activiteiten Armenië te hebben ontvlucht op 15 juli 2000 met zijn echtgenote. Hij zou op 20 juli 2000 in België zijn aangekomen waar hij op 26 juli 2000 een asielaanvraag indiende. Betrokkenes problemen zouden zijn begonnen tijdens de presidentsverkiezingen van maart 1998 toen betrokkene door de communisten was aangeduid als electoraal afgevaardigde in een stembureau. Betrokkene, die een hoge functie bekleedde in de energiesector, zou door zijn minister zijn ontboden die hem vroeg als electoraal afgevaardigde te fungeren voor Kotcharian en niet voor Badalian, de communistische kandidaat. Betrokkene zou dit hebben geweigerd. Hierna zou de directeur-generaal van het ministerie betrokkene onder druk hebben gezet door te zeggen dat hij zijn carrière op het spel zette, waardoor betrokken zou hebben ingestemd. Op de dag van de verkiezingen (12 maart 1998) zou betrokkene in het stembureau communistische vrienden hebben gezien met wie hij sprak. De politie zou zijn tussengekomen en betrokkene gezegd hebben dat hij propaganda voerde voor de communistische kandidaat. Betrokkene zou echter hebben vastgesteld met een andere afgevaardigde dat een politieman, Afrikian, fraudeerde, waarover betrokkene als afgevaardigde een proces-verbaal opstelde. Na de sluiting van de stembureaus zou betrokkene met de politieman naar het politiekantoor zijn gegaan om de zaak te bespreken. De politiechef zou het proces-verbaal hebben verscheurd en betrokkene verweten hebben zijn taak van afgevaardigde niet naar behoren te hebben vervuld. Een schermutseling zou zijn ontstaan waarna betrokkene uit het bureau van de chef zou zijn gegooid en in een cel geplaatst tot de volgende ochtend. Na zijn vrijlating zou betrokkene klacht hebben neergelegd bij het parket tegen de houding van de politie. Op 15 april 1998 zou betrokkene geconvoceerd zijn bij de politiechef die betrokkene zou gevraagd hebben waarom hij klacht neerlegde bij het parket en vervolgens de klacht van betrokkene bij het parket zou hebben bovengehaald en deze vervolgens zou hebben verscheurd. Vervolgens zou hij betrokkene hebben gewaarschuwd zich niet meer bezig te houden met politiek waarna hij door enkele agenten werd afgetuigd. Vervolgens zou hij tot de volgende ochtend zijn vastgehouden. Toen betrokkene vastzat zouden drie agenten zijn huis hebben doorzocht. Hierna zou XIV-2373-2/6 betrokkene op zijn werk ontslagen zijn. Er zou immers een klacht tegen hem zijn ingediend op zijn werk naar aanleiding van zijn optreden tijdens de verkiezingen. Zijn hoofd zou hem hebben verweten een communist te zijn. Na bemiddeling van premier Darpinian, naar wie betrokkene had geschreven, zou hij opnieuw zijn aangenomen, zij het op een lagere functie. Hoewel de functie onder zijn niveau was, zou hij onder druk van zijn familie en omwille van zijn gezondheidstoestand deze hebben aanvaard. Toen betrokkenes sector werd afgeschaft in december 1998 zou betrokkene de functie van controleur van de electriciteitsmeter hebben gekregen wat betrokkene als vernederend ervaarde. Betrokkene zou deze functie toch hebben aangenomen en deze tot 30 september 1999 hebben uitgevoerd. Op deze datum zou betrokkene zijn ontslagen aangezien hij niet deel uitmaakte van de juiste politieke familie. Betrokkene zou zich dan tot het grondwettelijk hof hebben gericht dat zich onbevoegd zou hebben verklaard en de zaak naar de burgerlijke rechtbank zou hebben doorverwezen. Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 24 oktober 1999 zou betrokkene dan door de plaatselijke communisten zijn aangewezen als afgevaardigde in de stad Lenges. Tijdens de stemming zou een opstootje zijn ontstaan tussen een notoir communist, Sarakian, die openlijk propaganda maakte voor de communistische partij en Jamagogjan, de afgevaardigde van de tegenpartij. De politie zou tussenbeide zijn gekomen en Sarakian hebben opgepakt. Betrokkene zou meegegaan zijn naar het bureau om in het voordeel van Sarakian te getuigen. Voor het einde van de kiesverrichtingen zou betrokkene ook hebben gemerkt dat naar aanleiding van een electriciteitspanne fraude werd gepleegd in het voordeel van de kandidaat van Yerkrapah, Asojan. Betrokkene zou ook dit feit hebben willen aankaarten op het politiecommissariaat. Op het commissariaat zou betrokkene Sarakian hebben willen vrijpleiten maar een gevechtje zou zijn ontstaan waarbij Sarakian de strepen van de politiekapitein zou hebben afgerukt. De kapiteitn zou toen hebben gezegd dat betrokkene getuige was van dit voorval. Betrokkene zou niet hebben willen getuigen. Hierop zou betrokkene opnieuw zijn geslagen en vervolgens de twee dagen opgesloten. Betrokkene zou dan op 15 januari 2000 zijn opgeroepen als getuige op het proces van Sarkian en zou hem hebben willen vrijpleiten door verzachtende omstandigheden in te roepen en door kritiek te uiten aan het adres van de politie. Twee dagen later zou hij opnieuw zijn geconvoceerd bij de politie, waar hij niet op in zou zijn gegaan. Op 20 januari 2000 zou betrokkene, toen hij naar Gumri reed door een bestelwagen zijn ingehaald die hem de pas zou hebben afgesneden waardoor betrokkene tegen een electriciteitspaal reed. Betrokkene zou het bewustzijn hebben verloren en thuis zijn verzorgd. Twee dagen later zou betrokkenes vrouw een telefoontje hebben gekregen met de vraag of betrokkene nog leefde. Vrienden zouden hebben ontdekt dat de nummerplaat van de bestelwagen toebehoorde aan een wagen die de politie in beslag had genomen. Hierop zouden de vrienden van betrokkene hem hebben aangeraden te vluchten. Hij zou vier maanden in Amassia zijn gebleven bij een vriend. Tijdens zijn afwezigheid zouden vijf mannen bij betrokkenes vrouw zijn langs geweest met de vraag waar betrokkene was. Ze zouden het huis hebben doorzocht en betrokkenes zoon hebben geslagen. Begin maart 2000 zou betrokkenes zoon aan de bushalte zijn opgepakt en geslagen. Ook betrokkenes dochter zou benaderd zijn geweest door mannen die vragen stelden over betrokkene. Eind mei 2000 zou betrokkenes boerderij in brand zijn gestoken. De brandweer zou gezegd hebben dat de brand te wijten was aan de elektrisch probleem. Betrokkenes vrouw zou hierna telefoon hebben gekregen met de melding dat de volgende keer haar huis zou worden afgebrand. Daarna zou betrokkene besloten hebben met zijn vrouw en hun drie kinderen (XXX, ov 4.980.471 en de minderjarige XXX en XXX) naar België te vluchten. De volgende ernstige tegenstrijdigheden dienen te worden opgemerkt tussen betrokkenes opeenvolgende verklaringen (dienst Vreemdelingenzaken, commissariaat-generaal, dd 11 oktober 2000, commissariaat-generaal dd 20 november 2000). Betrokkene verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken dat hij op de dag van de verkiezingen van 12 maart 1998 gearresteerd werd door de politie omdat hij weigerde te zeggen waarom Badalian in het district had gewonnen en omdat Afrikian hierover een verklaring eiste (DVZ, vraag 42, p 1). Voor het commissariaat-generaal zei hij dat hij niet werd gearresteerd, maar dat hij vrijwillig naar het politiekantoor ging om Afrikian te vergezellen die de klacht van betrokkene ging overhandigen aan zijn overste (CG, 11 oktober 2000, p 6). Tijdens de verkiezingen van 24 oktober 1999 zei betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken in elkaar geslagen te zijn geweest toen hij in het kiesbureau Sarakian te hulp kwam (DVZ, vraag 42, p 4). Voor het commissariaat-generaal zei hij hier niets over; hij sprak enkel over ruzie (CG, 11 oktober 2000, p 13). Verder zei hij voor de dienst Vreemdelingenzaken dat hij niet wist wat er met Sarakian was gebeurd naar aanleiding van zijn arrestatie (DVZ, vraag 42, p 4). Op het commissariaat-generaal zei hij dat Sarakian voor de rechtbank werd gedaagd en dat betrokkene hiervoor als getuige werd opgeroepen. Voor de rechtbank zou hij getuigd hebben in het voordeel van Sarakian en kritiek hebben geuit op de politie waardoor hij zelfs nog geconvoceerd zou zijn geweest bij de politie (CG 11 oktober 2000, p 15-16). Voor de dienst Vreemdelingenzaken zei betrokkene dat de politiechef Shakhnazarian hem opwachtte toen hij op 24 oktober 2000 naar het politiebureau werd gebracht (DVZ, vraag 42, p 4). Op het commissariaat-generaal zei hij hier niets over, terwijl Shakhnazarian hem reeds in 1998 had aangepakt, en betrokkene hier dus redelijkerwijze over had moeten praten. Voor de dienst Vreemdelingenzaken zei hij verder dat Sarakian de kapitein (Hairabetian) in elkaar had geslagen en dat betrokkene Hairabetian had zien vallen XIV-2373-3/6 (DVZ, vraag 42, p 4-5). Voor het commissariaat-generaal zei betrokkene enkel dat Sarakian de insignes van de kapitein had afgerukt (CG 11 oktober 2000, p 15) waarover hij op de dienst Vreemdelingenzaken dan weer niet sprak. Omtrent het auto-ongeval zei betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken dat een tegenligger op hem had ingereden waardoor betrokkenes wagen begon te slippen en van de baan reed (DVZ, vraag 42, p 5). Voor het commissariaat- generaal zei betrokkene dat iemand hem echter de pas af sneed bij het inhalen waardoor betrokkene heeft geremd en vervolgens tegen een paal is gereden (CG 11 oktober 2000, p 16). Naar aanleiding van het ongeval zei betrokkene ook dat de politie had gebeld, thuis was langsgekomen om een getuigenis en betrokkene veelvuldig had geconvoceerd (DVZ, vraag 42, p 5-6). Voor het commissariaat-generaal zei hij hier niets over. Wel zei hij dat de politie pas kwam toen betrokkene reeds in Amassia was (CG, 20 november 2000, p 2). Over betrokkenes kinderen zei hij voor de dienst Vreemdelingenzaken dat ze op bevel van hogerhand slechte punten kregen op school (DVZ, vraag 42, p 6). Voor het commissariaat-generaal zei hij echter dat zijn zoon en dochter benaderd werden door mannen die vroegen waar hij was, en dat betrokkenes zoon bovendien werd geslagen (CG, 20 november 2000, p 2-3) wat hij op de dienst Vreemdelingenzaken dan weer niet vermeldde. Omwille van deze tegenstrijdigheden kan verder geen geloof meer worden gehecht aan betrokkenes beweringen. Betrokkene legde de volgende documenten voor: twee medische attesten, zijn werkboekje, zijn arbeidskaart, drie diploma’s, zijn rijbewijs, een attest van huisvesting, twee bewijzen dat betrokkene de functie van electoraal afgevaardigde heeft uitgeoefend, de geboorteakte van zijn zoon, twee huwelijksakten (eerste en tweede huwelijk), een diploma van zijn zoon, de overlijdensakte van zijn eerste vrouw, zijn militair boekje, een visitekaartje, zijn lidkaart van het Armeense Rode Kruis en zijn lidkaart van de KP. Deze documenten wijzigen niets aan de bovenstaande tegenstrijdigheden, gezien zij niet rechtstreeks betrekking hebben op de vervolging die betrokkene stelt te hebben ondergaan. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 10 augustus
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; -Inzake de tweede verzoekende partij: “Betrokkene werd verhoord op 20 november 2000 op de zetel van het commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, mr. Dewandeleer. Betrokkene, een Armeens staatsburger van Armeense origine, zou problemen hebben gekend omwille van de politieke activiteiten van haar echtgenoot als sympathisant van de Armeense KP. Ze zou Armenië hebben verlaten op 10 juli 2000 om op 20 juli 2000 in België aan te komen waar ze op 26 Juli 2000 een asielaanvraag indiende. Betrokkene baseert zich voor haar asielaanvraag op dezelfde feiten als deze van haar echtgenoot die ze voor een deel uitmondde van haar echtgenoot vernomen heeft. Betrokkene zou zelf enkel het slachtoffer zijn geweest van een brutale huiszoeking op 15 april 1998 nadat haar man klacht had neergelegd bij het parket. Na het auto-ongeval van haar man zou betrokkene telefoon hebben gekregen met de vraag of haar man nog leefde. De beller zou vervolgens gezegd hebbend at ze ervoor zouden zorgen dat hij de volgende keer niet zou blijven leven. Hierna zou haar man zijn vertrokken naar Amassia. In februari 2000 zou betrokkene het bezoek hebben gekregen van 5 mannen die betrokkenes man op brutale wijze zochten. Eind mei zou betrokkenes boerderij zijn afgebrand en zou de brandweer de oorzaak niet hebben willen onderzoeken. De nacht nadien zou ze een telefoontje hebben geregen waarin gezegd werd dat de volgende keer haar huis aan de beurt zou zijn. Hierna zou ze Armenië hebben verlaten richting België met haar man en hun drie kinderen (Lucine, Albert en Artak). Wat betreft het ingesteld dringend beroep van betrokkenes echtgenoot (Ovakymian Spartak, ov 4.980.470) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen aangezien zijn asielrelaas bedreiglijk werd geacht. Aangezien de feiten die betrokkene persoonlijk heeft meegemaakt ter ondersteuning van haar asielaanvraag rechtstreeks voortvloeien uit de problemen van haar echtgenoot dient ook voor betrokkene een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te worden genomen.”; XIV-2373-4/6 Betrokkene was in het bezit van de volgende documenten: haar geboorte- en huwelijksakte en een medisch attest van haar man. Deze documenten zijn niet van die aard de bovenstaande beslissing te wijzigen, gezien zij niet in rechtstreeks verband met betrokkenes asielaanvraag staan. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 10 augustus
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending opwerpen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoeren dat de bestreden beslissing inzake de eerste verzoekende partij geen enkele tegenstrijdigheid bevat betreffende de ondergane vervolging en dat de eventuele incoherenties in hun verklaringen te wijten zijn aan de emotionele schok die zij hebben moeten verwerken; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel enkel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partijen geen enkele poging ondernemen om de in de bestreden beslissing inzake de eerste verzoekende partij opgesomde tegenstrijdigheden op een ernstige en concrete wijze te weerleggen, alhoewel deze de bestreden beslissingen kunnen dragen; dat het algemene argument dat zij een emotionele schok hebben moeten verwerken onvoldoende is om de flagrante en concreet uitgewerkte tegenstrijdigheden te verklaren; dat de verzoekende partijen derhalve niet XIV-2373-5/6 aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-2373-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.