id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.140 Rolnummer: A. 121694/XIV-10198 Zaak: Arrest 139140 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 06:10 Fiche Arrest nr 139.140 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.140 van 12 januari 2005 in de zaak A. 121.694/XIV-10.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat L. WALLEYN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kongolese nationaliteit, op 24 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-10.198-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. WALLEYN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 december 1999 en zich vluchteling verklaart op 21 december 1999; dat op 27 maart 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Lubumbashi (provincie Katanga) maar woonde u sinds 1984 in Limete (Kinshasa). Sinds 1986 was u getrouwd met Faustin, een man van Rwandese afkomst maar die al van jongs af in Kinshasa woonde. Hij werkte als arts in een ziekenhuis in Limete. Ten tijde van de ‘jacht op de Rwandezen’ die in augustus 1998 losbrak, vluchtten vele Rwandezen naar Rwanda, maar uw man wilde Kongo niet verlaten. In december 1999 werden via radio en televisie alle Rwandezen opgeroepen naar Douala (Kameroen) te vertrekken. Toen u op 3 december 1999 van de markt terugkeerde, kwam een jongen uit uw wijk u waarschuwen niet naar huis te keren, aangezien daar militairen van de Police d’Intervention Rapide waren binnengevallen, op zoek naar een Rwandees. U vluchtte naar de kerk waar u gewoonlijk bad en deed uw verhaal aan de pastoor. U bleef in een bijhuis van de kerk ondergedoken tot u met diens hulp en dankzij de tweeduizend dollar die u met het oog op zulke voorvallen op zak had, op 18 december 1999 het vliegtuig naar België kon nemen. Daar kwam u dezelfde dag en vroeg u op 21 december 1999 asiel aan. In België vernam u dat u na uw vertrek thuis nog gezocht was en dat er nog geen nieuws was van uw man. U beweerde vervolging te vrezen omdat uw man Rwandees was en daarom in december 1999 gezocht werd. Vooreerst echter is het niet geloofwaardig dat uw man als Rwandees enerzijds op het hoogtepunt van de ‘Rwandezenjacht’ in Kinshasa, in augustus 1998 (cf. documentatie in het administratief dossier op het commissariaat-generaal), geen enkele vorm van vervolging onderging (wat aangezien hij volledig ‘ingeburgerd’ was in Kinshasa - zoals u voor de dienst Vreemdelingenzaken letterlijk zei cf. gehoorverslag dd 21 december 1999, punt 42) - niet hoeft te bevreemden), maar anderzijds wel in december 1999 plots als Rwandees zou zijn gezocht (zie hierover ondermeer het VS-mensenrechtenrapport in het administratief dossier op het commissariaat-generaal). U was bovendien erg vaag over zijn (Rwandese) oorsprong die aan de basis van de vermeende vervolging tegen hem gelegen zou hebben: u stelde eerst (cf. gehoorverslag dienst Vreemdelingenzaken) dat hij Tutsi was, daarna (cf gehoorverslag commissariaat-generaal dd 8 januari 2001, p 2) dat u zijn etnische origine niet kende, en vervolgens weer dat hij Tutsi was (ibidem). Over de convocatie die na uw vlucht aan u gericht zouden geweest zijn, wist u niet te zeggen van wie ze uitgingen en wanneer ze ongeveer gestuurd waren (ibidem). Vooral echter valt niet in te zien op grond waarvan u persoonlijk vandaag vervolging te vrezen zou hebben. U bent immers kennelijk een geboren en getogen Kongolese. Uw beweringen voor het commissariaat-generaal dat u niet terug kan omdat u ‘nu als een collaboratrice met de vijand’ wordt beschouwd (p 2), komt als een louter hypothetische uitspraak voor, aangezien uw relaas geen enkele aanwijzing bevat dat u zelfs maar zulke samenwerking met ‘de vijand’ (dit kan alleen betekenen: de door onder andere buurland Rwanda gesteunde rebellenlegers) verdacht kon zijn geweest. Los daarvan geldt in elk geval ook hier dat u op het hoogtepunt van de Rwandezenhaat als vrouw van een Rwandees kennelijk geen enkele vorm van vervolging onderging, en het daarom niet geloofwaardig is dat u bijna anderhalf jaar later zonder enige aanleiding plots om dezelfde reden wèl vervolgd werd. XIV-10.198-2/7 De door u voorgelegde documenten vermogen niet aan bovenstaande bevindingen iets te veranderen. Aan de brief van uw broer dd 8 januari 2000 kan wegens zijn privékarakter geen objectieve bewijskracht worden toegeschreven, de twee convocaties aan uw adres, dd 5 december 1999 en 18 februari 2000, vermelden geen motief en doen niets af aan de vastgestelde ongeloofwaardigheid van uw relaas, temeer daar u over deze convocaties, die toch geacht kunnen worden een belangrijke rol te spelen in uw huidige vrees, nauwelijks iets kon zeggen, met name niet wanneer ze ongeveer gestuurd werden, dit terwijl de eerste twee dagen na de inval bij u thuis gedateerd is. Ten slotte bevat noch uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep, noch de door u op 14 april 2000 teruggestuurde vragenlijst van het commissariaat-generaal enig ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en van de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29.07.1991 alsook kennelijke beoordelingsfout. Aangezien de tegenpartij de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond en zelfs bedrieglijk verklaart op grond van, samengevat, drie argumenten, met name: - de ongeloofwaardigheid van het feit dat de echtgenoot van verzoekster in augustus 1998 niet werd vervolgd. - het feit dat verzoekster vaag zou geweest zijn over de oorsprong van haar echtgenoot. - de vraag naar de persoonlijke en actuele vrees van verzoekster. Terwijl verzoekster over de twee eerste punten duidelijk uitleg gegeven heeft tijdens haar verschillende verklaringen en het derde punt een element is dat ten gronde moet onderzocht worden. Terwijl verzoekster twee belangrijke stukken heeft neergelegd, namelijk een brief van haar broer en twee convocaties, en deze elementen voldoende moeten zijn om de asielaanvraag van verzoekster niet kennelijk ongegrond te verklaren en terwijl moet vastgesteld worden dat de tegenpartij geen enkel element inroept dat zou kunnen leiden tot het bedrieglijk verklaren van de aanvraag van verzoekster. Eerste onderdeel Het belangrijkste element ingeroepen door de tegenpartij in de aangevochten beslissing is het feit dat niet in te zien zou vallen ‘op grond waarvan u vandaag vervolging te vrezen zou hebben’. De twee andere elementen zijn voor de tegenpartij bijkomstig daar zij dit argument begint met ‘vooral echter’. De tegenpartij motiveert de afwezigheid van actuele en persoonlijke vrees voor vervolging door het feit dat de argumenten van verzoekster louter hypothetisch zouden zijn en dat er geen enkele aanwijzing zou zijn dat zij zou verdacht worden van samenwerking met de vijand. Men dient in dit verband voor ogen te houden dat de asielaanvraag zich in het stadium van de ontvankelijkheid bevindt. Het feit dat er nog geen zekerheid bestaat over de actualiteit van de vrees en het feit dat verzoeksters vrees enkel hypothetisch zou zijn, quod non, terwijl zij hierover geloofwaardige en coherente verklaringen aflegt, kan in ieder geval niet leiden tot de kennelijke ongegrondheid, laat staan het bedrieglijk karakter van haar aanvraag. Bovendien brengt verzoekster wel degelijk elementen aan die de ingeroepen vrees kunnen staven met name twee convocaties en een brief van haar broer. Verder roept de tegenpartij in dat verzoekster op het hoogtepunt van de Rwandezenhaat geen enkele vorm van vervolging onderging en het daarom niet geloofwaardig zou zijn dat zij bijna anderhalf jaar later zonder enige aanleiding plots wel vervolgd werd. Hieruit blijkt duidelijk dat de tegenpartij de asielaanvraag van verzoekster foutief interpreteert. Zij heeft namelijk duidelijk verklaard, zoals ook in het tweede onderdeel zal uitgelegd worden, dat haar echtgenoot vanaf de ‘Rwandezenjacht’ van augustus 1998 verstopt leefde en dat zij had doen geloven dat hij gevlucht was of gedood werd. Het is dan ook begrijpelijk dat zij op dit moment niet vervolgd werd daar zij er niet van beschuldigd kon worden een Rwandees te beschermen. Het is slechts in december 1999, nadat hij aangehouden werd dat duidelijk werd dat verzoekster anderhalf jaar een Rwandees, dus een vijand, beschermd en verborgen had hetgeen haar eveneens in een vervolgde positie plaatste. Wanneer verzoekster inroept dat zij zou kunnen gezien worden als medewerkster van de vijand en derhalve vervolgd zou worden, voor de redenen die zij heeft uitgelegd, is dit niet onwaarschijnlijk. XIV-10.198-3/7 Men kan niet begrijpen hoe de tegenpartij kan beweren dat zij ‘zonder enige aanleiding’ vervolgd zou worden, daar verzoekster duidelijk gemaakt heeft dat dit na de aanhouding van haar echtgenoot was. De argumentatie van de tegenpartij geeft blijk van een verkeerde interpretatie van de verklaringen en asielaanvraag van verzoekster, en houdt een manifeste beoordelingsfout in. Bovendien moet hierbij opgemerkt worden dat de tegenpartij inroept dat er geen aanwijzing is van een persoonlijke en actuele vrees ondanks het feit dat verzoekster twee belangrijke elementen heeft neergelegd voor het commissariaat-generaal, waarvan de authenticiteit niet in twijfel wordt getrokken, met name twee convocaties voor de nationale politie en een brief van haar broer die duidelijk maakte dat verzoekster persoonlijk vervolgd wordt. Tegenpartij weigert rekening te houden met deze voorgelegde documenten omdat zij niet zouden afdoen aan de beweerde ‘ongeloofwaardigheid van haar relaas’, hetgeen een kringredenering is. De tegenpartij kon deze documenten bijgevolg niet zomaar weren als ‘element’ in de zin van artikel
- Tenslotte roept de tegenpartij in dat verzoekster nauwelijks iets kon zeggen betreffende deze convocaties. Verzoekster heeft nochtans duidelijk gemaakt dat zij die convocaties gekregen heeft toen zij reeds in haar België verbleef. In Kinshasa zelf heeft zij nooit over die convocaties gehoord en het enige dat zij hiervan weet is dat deze bij haar thuis zijn toegekomen. Op grond van enkel twijfels omtrent gegevens die beslissend zouden kunnen zijn voor het toekennen of weigeren van de status van vluchteling, kan de tegenpartij nochtans de asielaanvraag niet kennelijk ongegrond verklaren, zonder haar motiveringsplicht te schenden (R.v.St. nr. 58.886 van 27 maart 1996). De tegenpartij schendt haar motiveringsplicht door te oordelen dat er geen voldoende elementen zouden zijn om de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk te verklaren wordt terwijl zij belangrijke stukken neerlegt en de tegenpartij, in ieder geval in dit stadium van de procedure niet voldoende elementen heeft om deze te weerleggen. De actualiteit en de gegrondheid van de ingeroepen vrees zullen in de gegrondheidsfase moeten onderzocht worden. Tweede onderdeel Tegenpartij verwondert zich over het feit dat de echtgenoot van verzoekster niet werd vervolgd in augustus 1998 maar wel in december
- Verzoekster heeft nochtans steeds verklaard dat sinds 1998 haar echtgenoot verstopt leefde in het huis en dat zij had doen geloven dat hij reeds gedood werd. Verscheidene personen in deze wijk deden dit ook geloven en ‘beschermden’ op die manier verzoekster en haar familie. Verzoekster verklaarde dat in december 1999, ten gevolge van verklikking, haar echtgenoot toch werd aangehouden. Zo verklaart verzoekster in haar vragenlijst voor het CGVS betreffende de periode vanaf augustus 1998: ‘Mon mari vivait caché malgré le risque dans notre domicile’, en verder ‘Lorsque le police est venu l’arrêter suite à une dèmonciation...’ Verzoekster verklaarde steeds dat haar echtgenoot sinds augustus 1998 Kinshasa niet wenste te verlaten daar hij bij haar en de kinderen wilde blijven doch dat hij zich verborg. Zo verklaarde zij bij de dienst Vreemdelingenzaken ‘om veiligheidsredenen smeekte ik hem om het land toch te verlaten maar hij weigerde. Hij bleef steeds binnen.’ Tijdens het verhoor voor de commissaris-generaal verklaarde zij duidelijk ‘hij sloot zich op, kwam niet buiten’. Tenslotte verklaart verzoekster in haar geschreven relaas ‘Mon mari vivait caché à la maison car il ne voulait pas se séparer de nous et on faisait croire à tout le monde qu’il était déjà tué’. Er moet hierbij opgemerkt worden dat zowel het verhoor bij de dienst Vreemdelingenzaken als het verhoor in dringend beroep bijzonder kort zijn en telkens slechts iets meer dan een bladzijde uitmaken. Er blijkt duidelijk uit deze nota’s dat slechts een samenvatting wordt genoteerd van de verklaring van verzoekster en deze nota’s bovendien slechts begrepen of beoordeeld werden. In tegenstelling tot wat de tegenpartij dus beweert in de aangevochten beslissing, is het niet ongeloofwaardig dat de echtgenoot van verzoekster slechts in december 1999, toen men blijkbaar ontdekte dat hij zich verstopt had in de echtelijke woning, vervolgd en aangehouden werd. Derde onderdeel Tenslotte beweert tegenpartij dat verzoekster vaag zou zijn over de oorsprong van haar echtgenoot die aan de basis ligt van de vermeende vervolging. Blijkbaar heeft de tegenpartij de verklaring van verzoekster niet met attentie gelezen daar zij doorheen har verschillende verklaringen steeds duidelijk maakte dat haar echtgenoot een Tutsi van Rwandese nationaliteit is en dat hij sinds vele jaren in Kongo woonde. XIV-10.198-4/7 Zo verklaart zij bij de dienst Vreemdelingenzaken duidelijk ‘Hij was Tutsi van Rwandese origine’ bij het verhoor in dringend beroep voor de tegenpartij ‘Ik was getrouwd met een Rwandees’ en tenslotte in de vragenlijst ‘Je suis une épouse d’un Rwandais’. Het is wel degelijk de Rwandese oorsprong van de echtgenoot van verzoekster die aan de basis ligt van de vervolgingen die zij ondergingen daar zowel in augustus 1998 als in december 1999 een ‘Rwandezenjacht’ in Kinshasa plaatshad en hierover bleef verzoekster steeds duidelijk en coherent. He is dan ook niet te begrijpen op welke grond de tegenpartij zou oordelen dat verzoekster vaag zou geweest zijn over de basis van haar asielaanvraag. Zelfs betreffende de etnische oorsprong van haar echtgenoot, verklaarde verzoekster steeds coherent dat hij Tutsi is. Uit de nota’s genomen tijdens het verhoor in dringend beroep voor de tegenpartij kan enkel besloten worden dat verzoekster de term ‘etnische groep’ niet begrepen heeft, daar uit de nota’s blijkt dat haar de vraag gesteld werd ‘Tot welke etnische groep behoorde hij uit Rwanda ?’ en als antwoord hierop staat ‘Weet niet’ maar daarna de vraag gespecifieerd wordt ‘Tutsi, Hutu of iets anders ?’ zij hierop zonder twijfel antwoordt ‘Tutsi’. Er moet dus opgemerkt worden dat de tegenpartij probeert tegenstrijdigheden op te werpen in de verschillende verhoren van verzoekster maar dat deze onbestaand blijken, zelfs na een oppervlakkige studie van het dossier. Dit argument moet dus geweerd worden.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht inroept en dat het middel vanuit dat standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het administratieve beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoekende partij kennelijk ongegrond en bedrieglijk verklaart; dat de commissaris- generaal hiertoe kan besluiten wanneer de verklaringen van een kandidaat-vluchteling aangetast zijn door tegenstrijdigheden, wanneer de verklaringen onsamenhangend, verward, onvolledig of inconsistent zijn, wanneer het asielrelaas is gesteund op valse verklaringen of op niet-authentieke documenten, of wanneer er onvoldoende elementen zijn die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de ingeroepen vrees persoonlijk, actueel en reëel dient te zijn; dat de commissaris- generaal het ongeloofwaardig acht dat de verzoekende partij, als vrouw van een Rwandees, op het hoogtepunt van de Rwandezenjacht in augustus 1998 geen enkele vorm van vervolging onderging, maar dat zij anderhalf jaar later wel werd vervolgd; dat verzoekende partij dit in belangrijke mate wijt aan het feit dat haar echtgenoot verborgen leefde terwijl zij iedereen zou hebben doen geloven dat hij gevlucht of gedood was; dat dit, in tegenstelling tot wat verzoekende partij in het tweede onderdeel van het middel stelt, XIV-10.198-5/7 nergens blijkt uit de verhoorverslagen, noch uit de vragenlijst die verzoekende partij heeft ingevuld in het kader van haar dringend beroep; dat de verzoekende partij weliswaar verklaarde dat haar echtgenoot verborgen leefde maar niet dat zij “had doen geloven dat hij reeds gedood werd”, noch dat “verscheidene personen in deze wijk dit ook (deden) geloven en op die manier verzoekster en haar familie (‘beschermden’)”; dat de verzoekende partij wel uitdrukkelijk verklaarde dat haar echtgenoot chirurg was, sinds 1986 in een ziekenhuis werkte en dat hij ingeburgerd was; dat, aangezien de verzoekende partij noch op de dienst Vreemdelingenzaken, noch op het commissariaat-generaal heeft verklaard dat zij liet uitschijnen dat haar man gedood of gevlucht was, het niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal het ongeloofwaardig vindt dat de verzoekende partij, als vrouw van een Rwandees, op het hoogtepunt van de Rwandezenjacht in augustus 1998, geen enkele vorm van vervolging onderging, maar dat zij anderhalf jaar later wel vervolgd zou zijn; dat, wat de kritiek van de verzoekende partij ten aanzien van de verhoorverslagen betreft, dient vastgesteld te worden dat zij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend en zij er aldus, na voorlezing, mee akkoord ging dat het verslag overeenstemde met de afgelegde verklaringen; dat op het commissariaat- generaal haar op het einde van het verhoor uitdrukkelijk de mogelijkheid werd geboden om alsnog eventuele bijkomende verklaringen toe te voegen, doch de verzoekende partij hier niet op is ingegaan; dat op een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid rust om een coherent en gedetailleerd asielrelaas te vertellen; dat haar kritiek bijgevolg niet aangenomen kan worden; dat, gelet op voorgaande, het niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal de bewering van de verzoekende partij dat zij “nu als een collaboratrice met de vijand” wordt beschouwd, afdoet als een louter hypothetische uitspraak; dat de verzoekende partij geen concrete elementen heeft aangebracht om deze bewering te ondersteunen; dat de commissaris-generaal tenslotte stelt dat de door de verzoekende partij neergelegde documenten aan de in de bestreden beslissing weergegeven overwegingen geen afbreuk doen; dat de brief van de broer van de verzoekende partij immers niet als een objectief bewijsstuk beschouwd kan worden, dat de convocaties van de politie geen concreet motief vermelden en dat de verzoekende partij hierover amper iets weet te zeggen; dat de verzoekende partij deze elementen afdoet als een “kringredenering” aangezien de commissaris-generaal de authenticiteit van deze documenten niet in twijfel trekt; dat de verzoekende partij niet kan gevolgd worden; daar van een kandidaat- vluchteling mag verwacht worden dat hij, wanneer hij belangrijke documenten ter ondersteuning of ter staving van zijn asielrelaas neerlegt, een aantal essentiële vragen hieromtrent zonder moeite weet te beantwoorden, weet te vertellen op welke datum de stukken gedateerd zijn en van wie de documenten uitgingen; dat het argument dat zij deze stukken pas in België toegezonden kreeg hieraan geen afbreuk doet; dat, met betrekking tot de kritiek aangaande het feit dat de commissaris-generaal stelt dat de verzoekende partij vaag was over de afkomst van haar echtgenoot, dient opgemerkt te worden opgemerkt dat het slechts een bijkomend motief betreft; dat de verzoekende partij derhalve met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op XIV-10.198-6/7 grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.198-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.